Zoek op de site van VVA:  
 Powered by freefind
Artikels rond taal, taalgebruik, taalpolitiek
 

Waar vind ik reflectie over Taal en Taalgebruik Nederlands ?

We publiceren reflectieve teksten in extenso en/of met koppelingen.



Index

Reflectief
____________



Dossier Nederlands Vanzelf  Sprekend

Antwerpen, 7 maart 2014 en 23 mei 2014



Inhoud

Nederlands Vanzelf Sprekend - Oproep
Actie voor het Nederlands en de Nederlandse standaardtaal - PETITIE

Toelichting bij de Oproep Nederlands Vanzelf Sprekend

Reactie op de overhandiging van de Petitie

Kort verslag van de plechtige overhandiging van de Petitie

Reactie bij de overhandiging van taalkundige en taaldidacticus Frans Daems

Manifest voor het Nederlands in België – KANTL

De Nederlandse cultuurtaal - Standaardtaal - Stijn Verrept

Nederlands Vanzelf Sprekend – Oproep en petitie – Onderbouwing van de actie –
Ghislain Duchâteau

Nederlands Vanzelf Sprekend – Interview met Peter Debrabandere in ‘Doorbraak’


Andere teksten
____________

Over taal gesproken - Artikels over taal op Kennislink

Het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie - Lezing van Peter Debrabandere 23 februari 2016 voor de VVA-Afdeling Antwerpen

Verenigd door taaleenheid - Pleidooi voor de eenheid van de Nederlandse taal - Lezing van Peter Debrabandere - 12 september 2015

Het Nederlands in het jaar 2500

Hoe Vlaams is uw Nederlands? Overpeinzingen bij een internetenquête over 'Vlaamse' woorden in het Standaardnederlands - Peter Debrabandere in Neerlandia/Nederlands van NU 2041-4

Taal of taaltje? Tussentaal?
- reactie op prof. J. De Caluwes visie op de wenselijkheid van ander taalonderwijs dan Standaardnederlands - Stijn Verrept

"De Taalunie moet makelen en schakelen" - Een gesprek met Geert Joris, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie

Taal in tijden van kanteling.
Het Nederlands in Vlaanderen anno 2013.
- Dirk Geeraerts januari 2014

De status van Standaardnederlands tegenover tussentaal

Nog de status van Standaardnederlands... Bijkomende commentaar van Ludo Beheydt

Tussentaal in zijn blootje gezet - Ludo Frateur in VVL-IDEEËN - juni 2014

Het Nederlandse taalbeleid - Standpunten van enkele Vlaams-Nederlandse culturele organisaties uit het maatschappelijk middenveld - 22 april 2014

Reactie van de Taalunie op de standpunten van vzw Vereniging van Vlaamse Leerkrachten, vzw Algemeen-Nederlands Verbond en stichting Nederlands in het artikel “Het Nederlandse Taalbeleid” in V.V.L.-Ideeën (jg. 45, nr. 4, pp. 4-6) 19 juni 2014

Wannie Carstens in het Afrikaans over Afrikaans in Zuid-Afrika en de band met het Nederlands - video

Vraaggesprek over de Nederlandse taal met Jo Haazen

Een zondagspak? Het Nederlands in Vlaanderen: gedrag, beleid, attitudes

De heilloze onderschatting van taalonderwijs – Mia Doornaert 24-1-2013

Omgaan met thuistaal op school

Opinie over het Nederlands
Prominenten geïnterviewd in De Standaard van zat. 29 zond. 30-12-2012

De rector van de HUB over het Nederlands

De voorzitter van het Vlaamse Geneesherenverbond over Nederlands

Interview met Philippe Van Parijs n.a.v. zijn boek 'Linguistic Justice for Europe and for the World' 'De opkomst van het Engels, een noodzakelijk onrecht?'

Open brief over de standaardtaalnorm bij de VRT - 15 november 2011 en antwoord van de VRT

Brabant taalcentrum ? - Ghislain Duchateau 24-10-2011

Debat rond de "teleurgang van het Standaardnederlands" in Vlaanderen met de essays van Barnard en de replieken

Wat er fout is met de zorgelijkheid van Benno Barnard - Pol Cuvelier UA

Een pijnlijke vaststelling, de verdringing van het Nederlands - Arno Schrauwers 13-7-2011

Taal in de klas. Het Standaardnederlands in onderwijsleersituaties - prof. em. dr. Frans Daems
Taalkundig manifest. Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt

2011: het jaar van het juiste woord - pleidooi voor het gebruik van woorden in hun juiste betekenis en context in het Nederlands
Taalschrift - Archief|Discussie
Brasschaatse Gouden Erepenning toegekend aan prof. Jozef Devreese
Leerlijnen in de lerarenopleiding
ZIN EN ONZIN VAN LEERLIJNEN -  ONDERSTEUNING EN ONTWIKKELING in competentiegericht leren - Wilfried De Hert
Spreek Frans, Joëlle
"De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal. Themabijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van maandag 9 mei 1994" boekpublicatie Kon. Ned. Ac. van Wetenschappen op het internet beschikbaar
Taal in de Vlaamse medische wereld - Dr. Karel Seghers in Periodiek juli 2009
Interview met de taaladviseur van de VRT en hoofdredacteur van Van Dale Ruud Hendrickx
Minderheidstale - verdwynende tale: Die gedagtes van 'n bittereinder - prof. dr. Ampie Coetzee 13-5-2009
Onderzoek "Jongeren & de Nederlandse taal"
De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen - Benno Barnard 15-10-2008
◊ Haagse snor
◊ Ongelooflijk leuk, zeg maar ... naar arm Nederlands
De Stichting Nederlands in verzet tegen de opmars van het Engels
◊ Brusselaars bewuster van hun Nederlands
Overeind in Babel. Verslag Symposium over taal en talen - Egmontpaleis Brussel n.a.v. 50 jaar Ons Erfdeel 14 sept. 2007
◊ Gelukkig in mijn taal (art. Stijn Verrept)
◊ Natuurlijk geen Engels als voertaal aan onze universiteiten

Taal is meer dan taal
Rede en dankwoord van prof. dr. Jozef T. Devreese bij de uitreiking van de André Demedtsprijs 2005 - Stadhuis Kortrijk - zondag 27 november 2005


De spelling 2005 - visie van het Netwerk Didactiek Nederlands over de huidige spelling van het Nederlands

Mooi Nederlands of schraal Engels
◊ Kwaliteit drijft boven, ook in het Nederlands



 

Omhoog

Reflectief

Naar boven

Nederlands Vanzelf Sprekend

OPROEP

Als inwoners van het Nederlandse taalgebied richten wij ons met deze tweevoudige oproep tot iedereen die verantwoordelijkheid draagt in de politiek, het onderwijs en de media.

Wij doen dat vanuit de overtuiging dat aan allen, wat hun achtergrond ook moge zijn, maximale kansen geboden moeten worden om hun talenten te ontwikkelen en daarmee bij te dragen aan het eigen welzijn en dat van de gemeenschap in eigen land en daarbuiten.

Wij beseffen dat daartoe veel inzet nodig is, op verschillende gebieden. Wij beperken ons hier echter tot de taalbeheersing. Die is immers een fundamentele vereiste om toegang te krijgen tot de wereld van wetenschap en cultuur. Ze is ook onmisbaar om als volwaardig weerbaar lid te functioneren in onze open democratie.

1.Vanwege de fundamentele rol in het verwerven van kennis en functioneren in de gemeenschap dringen wij aan op versterking van het onderwijs in het Standaardnederlands.

Wij verwachten ook dat het zo veel mogelijk wordt bijgebracht aan anderstaligen die zich bij ons vestigen, zodat ook zij alle kansen krijgen.

2.Om culturele en economische redenen dringen wij er verder op aan dat alles in het werk wordt gesteld om de taaleenheid van Nederland en Vlaanderen te bevorderen.

Die biedt immers de beste garantie om het Nederlands te behouden als volwaardig communicatiemiddel in en voor een gemeenschap van ruim 23 miljoen taalgebruikers.

Wij verwachten van de Taalunie en de beleidsinstanties, vooral die van het onderwijs en de media, dat ze zich daarvoor ten volle inzetten.

Actiegroep Nederlands

Roland Baetens, Jan Bosmans, Leo Camerlynck, Marc Coussement, Peter Debrabandere, An De Moor, Louis De Troij, Ghislain Duchateau, Joep van Hasselt, Pieter Geertsma, Arnold Herman, Hans Nieuwdorp, Eric Ponette, Marijke Seresia, Theo Strauven, Hubert Sturtewagen, Dirk Van Bogaert, Jan Verhaverbeke, Johan Velghe, Jan Verleysen, Marc Van Outryve, Stijn Verrept, Joris Witkam

Hieronder staat de koppeling naar de bijhorende petitie online.
De petitie werd evenwel afgesloten op 1 augustus 2014.
Er zijn 5.688 ondertekenaars

http://www.petities24.com/nederlands_vanzelf_sprekend

De actie gaat onverminderd door. Als u op de hoogte wilt worden gehouden van verdere initiatieven, volstaat het om uw naam, adres en functie te sturen naar oproepnederlands@gmail.com

_________________________________________________________

Op maandag 9 juni 2014 te 10 u. hebben 5560 personen de petitie ondertekend.

Leden van de Actiegroep Nederlands na de vergadering van maandag 24 februari 2014


Naar boven


Toelichting bij de Oproep Nederlands Vanzelf Sprekend

De oproep is een reactie op het artikel van Geert Van der Speeten in De Standaard (11 juni 2013) waarin gesteld werd dat het Nederlands in Nederland en Vlaanderen uit elkaar groeit en niemand zich daarover zorgen lijkt te maken.

Toen geen enkele instantie op het artikel bleek te reageren, hebben een aantal Vlaamse leden van de Orde van den Prince gemeend een actiegroep te moeten opzetten. Zij hebben gelijkgezinden uit andere Vlaamse organisaties en Nederlandse relaties uitgenodigd om samen de bovenstaande oproep op te stellen en te verspreiden in Vlaanderen en Nederland. Hij is ondertussen meer dan vijfduizendmaal ondertekend door Nederlandstaligen uit Vlaanderen, Nederland en daarbuiten.

De initiatiefnemers constateren dat  Vlamingen en Nederlanders van de verschillende regio’s elkaars taalgebruik in de meeste gevallen  goed verstaan. Zij beseffen dat dit in hoge mate te danken is aan de inspanningen die het onderwijs en de media hebben geleverd.  Zij betreuren echter dat de aandacht voor de Standaardtaal de laatste tijd is verminderd, met alle gevolgen van dien. Zo blijkt dat ook sommige niet-dialectische televisieprogramma’s ondertiteld moeten worden voor goed begrip over de staatsgrens.

De initiatiefnemers wijzen elke particularistische houding af en bevestigen de keuze die door Vlamingen al in de negentiende eeuw is gemaakt, voor taaleenheid met Nederland.

Die gemeenschappelijke standaardtaal is hét instrument om over de staatsgrenzen heen samen te werken en de gemeenschappelijke cultuur verder uit te bouwen.

Taaleenheid sluit enige variatie niet uit

Een goed bruikbare definitie van de Standaard- of Cultuurtaal is te vinden in het woordenboek van Koenen: nationale taal, gekweekt en gevormd boven en naast het dialect en in alle gewesten onderwezen en, zij het met dialectvormen gemengd, gesproken en geschreven.

Vanzelfsprekend komt dus in elke cultuurtaal enige interne variatie voor. Zelfs wie ze goed beheerst, zal er toch tot op zekere hoogte van afwijken. De mate waarin ervan wordt afgeweken, bepaalt of iemands taal al dan niet als cultuurtaal wordt ervaren.

In principe wordt wie de cultuurtaal gebruikt, overal in het taalgebied begrepen en aanvaard. Bovendien sluit ze niemand buiten, uit welk (dialect)gebied hij of zij ook komt. Wie ze, eventueel naast zijn dia- of regiolect, voldoende beheerst, krijgt toegang tot een veel ruimer communicatiegebied.

Uiteraard kunnen wij in elke cultuurtaal ook verschillende registers onderscheiden gaande van de zogenaamde stadhuis- tot de keukentaal. Het is belangrijk om – eventueel naast andere varianten - een aantal van die registers van de Standaardtaal te beheersen en te weten waar en wanneer ze kunnen/ moeten worden gebruikt. Met name in het onderwijs moet men zich echter realiseren dat het vermogen om zich  verschillende registers en varianten eigen te maken, beperkt is. De registers van de Standaardtaal verdienen daarom de meeste aandacht, ook de informele.  

Wij mogen ervan uitgaan dat veel jongeren van huis uit, door contact met leeftijdsgenoten, via de televisie en op andere manieren met een regionale en/of tussentalige variant vertrouwd zijn. De maatschappij mag van het onderwijs en de media  verwachten dat een volgende stap gezet wordt, dat zij dus in de eerste plaats de verschillende registers van de Standaardtaal aanbieden.

De Standaardtaal wordt in een bepaalde periode  gevormd in een gebied dat economisch en cultureel de meeste uitstraling heeft. Voor het Nederlands is dat de regio Amsterdam-Den Haag geweest in de 17de eeuw. Het taalgebruik van de immigranten uit Vlaanderen heeft daarin een niet te onderschatten invloed gehad.

Als gevolg van historische omstandigheden heeft het Nederlands zich in Nederland vrij kunnen ontwikkelen terwijl het in het door de Franse cultuur gedomineerde Vlaanderen verwaarloosd werd.  Gelukkig is veel in positieve zin veranderd en hoeven veel Vlamingen qua taalbeheersing niet meer onder te doen voor de taalgenoten in Nederland.  Dat is in hoge mate te danken aan de inzet in het onderwijs en aan geëngageerde linguïsten die voor het nodige materiaal hebben gezorgd.

Net als voor andere talen geldt ook nu voor het Nederlands dat een bepaalde regio ‘toonaangevend’ is in de voortdurende evolutie van de Standaardtaal. Dat hangt samen met historische, numerieke, economische en culturele elementen.

Hoe sterker en zelfbewuster andere regio’s echter worden, hoe minder ze geneigd zullen zijn om (ook de taal-) normen van de toonaangevende regio te volgen.  Maar vanuit hun economisch en cultureel eigenbelang zullen zij het toch wel in mindere of meerdere mate (moeten) doen.  Wie door zo veel mogelijk taalgenoten gelezen of gehoord wil worden,  moet het instrument gebruiken dat de meeste mogelijkheden biedt. Dat geldt ook voor wie meer kennis en cultuur wil verwerven, meer wil kunnen opkomen voor zijn en andermans rechten. Als democraten moeten wij daartoe proberen alle mogelijkheden te bieden.

Vlaanderen vormt bijna een derde van de Nederlands-Vlaamse regio. Net als Nederland behoort  het tot de meest ontwikkelde en economisch sterkste regio’s van Europa. Het ligt dan ook voor de hand dat woorden en uitdrukkingen die bij de ‘spraakmakende gemeente’  in Vlaanderen algemeen zijn en algemeen aanvaard, zonder meer tot de Nederlandse standaardtaal behoren en als zodanig moeten worden erkend. Het zou overigens goed zijn als in het onderwijs ook wordt gewezen op verschillend woordgebruik dat in Nederland of Vlaanderen algemeen is maar in het eigen gebied minder of niet.

De actiegroep is echter wel van mening dat de verschillen niet beklemtoond moeten worden aangezien ze op termijn de taaleenheid bedreigen.

Uiteraard ontstaan de meeste woordcreaties  in het grootste en sterkste gebied. In een aantal registers raken ze moeilijker de staatsgrens over. Hier dreigt dus gevaar en hier moet overleg worden gevoerd willen Noord en Zuid niet uit elkaar groeien, wat uiteindelijk voor het hele taalgebied negatief zou zijn.

In zijn Manifest voor het Nederlands in België  (24 september 2011) heeft de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde gesteld dat Vlaanderen nog altijd een “omgeving is van zwakke standaardisering”.

Het is dan ook niet zinvol om woorden die in Vlaanderen vroeger vrij algemeen waren en nu in hoge mate vervangen zijn door de Standaardnederlandse, te gaan promoten.  Denk maar aan rond punt /rotonde, inhuldigen/onthullen, interimbureau/uitzendbureau, proces inspannen/aanspannen,  rekeninguittreksel/ rekeningafschrift, faling/faillissement, kader/lijst enz.

Vrij dikwijls circuleren in Vlaanderen twee of meer woorden voor hetzelfde begrip. Zo treffen wij in de ene tekst “open dag” aan, in een andere ”open deur” en in nog een andere “opendeurdag” voor dezelfde activiteit, labo/lab, bouwpromotor/projectontwikkelaar, verdeler/concessionaris/concessiehouder/dealer enz.

Het ligt voor de hand dat het  onderwijs en de media in dergelijke gevallen voor de standaardterm  moeten kiezen.

Wat de grammatica betreft, zijn de verschillen verwaarloosbaar en op voorbeeldige wijze behandeld in de ANS.

Bij dat alles mag het economische belang niet uit het oog worden verloren. Denk maar aan de productie van (vertaalwoorden) boeken, handleidingen, ondertitelingen, software  enz.

Ten slotte spreekt het vanzelf dat dichters en andere schrijvers – zoals uiteraard alle taalgebruikers - in alle vrijheid die woorden en uitdrukkingen kunnen gebruiken die zij verkiezen. Uiteraard zullen zij er wel voor moeten zorgen dat ze begrepen worden en aanvaard. De Vlaamse literatuur telt net als de Nederlandse voorbeelden genoeg van auteurs  die de Standaardtaal bewust combineren met elementen uit hun dia- of regiolect.

Op het gebied van de uitspraak is het verschil tussen Nederland en Vlaanderen  vrij groot geworden, althans in een aantal registers.  Dat heeft, zoals hierboven vermeld, onder meer tot gevolg dat sommige televisieprogramma’s ondertiteld moeten worden.  Hier wreekt zich dat in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs geen of veel minder aandacht is besteed aan de uitspraak dan tot een paar decennia geleden.

De uitspraakverschillen zijn blijkbaar het minst in die kringen, zowel in Vlaanderen als Nederland,  waar men de ’correcte uitspraak’ van huis uit heeft meegekregen.  Eenzelfde situatie wordt meer dan vroeger ook in andere taalgebieden aangetroffen. In bepaalde registers zijn de verschillen overigens gelukkig nog altijd miniem. Denk aan de nieuws- en duidingsprogramma’s op de Nederlandse en Vlaamse zenders, aan Klara en Radio 4, enz.

Het valt overigens op dat de ‘geïntendeerde standaarduitspraak’  in veel Nederlandse en Vlaamse regio’s veel dichter bij elkaar ligt dan vaak in (vooral) ontspanningsprogramma’s van de omroepen te horen valt. Met name de televisie geeft op dat gebied in een aantal gevallen een vertekend beeld van de reële situatie.

Taalzorg

Hoe beter men (verschillende registers van) een taal beheerst, hoe groter het communicatievermogen, wat ook bijdraagt aan het zelfbewustzijn. Dat geldt voor het individu en de gemeenschap. Slordigheid heeft het omgekeerde effect. Ze leidt tot vaak dure vergissingen en tot gebrek aan respect voor de eigen taal en gebrek aan respect bij anderstaligen die met de taal in contact komen.

Dat laatste is zeker te merken in België bij Franstalige medeburgers die immers zelf in onderwijs en media een sterk genormeerde gebruiken. 

Het is opvallend dat in tal van kringen, zowel in Nederland als Vlaanderen,  verzorgder met de taal wordt omgegaan dan in sommige programma’s van de audiovisuele media en in het onderwijs. Dat mensen zich afkeren van bepaalde  programma’s op de eigen televisiezenders, dat de status van leraren verminderd is, heeft misschien ook daarmee te maken.

De actiegroep verwacht van het onderwijs en de media in Noord en Zuid dat ze de kracht, rijkdom en schoonheid van de ene Nederlandse Standaardtaal laten zien. Met name het onderwijs moet de leerlingen en studenten ervan overtuigen dat ze met de Standaardtaal over een krachtig instrument beschikken om hun weerbaarheid te vergroten.

Bovendien moet net  als wie een vreemde taal onderwijst, ook de moedertaalleraar duidelijke regels en normen hanteren. De maatschappij heeft daar recht op. Met de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde geloven wij dat het voorhouden van een norm kan zonder de taalgebruikers te frustreren of kleineren en dat het zelfs emanciperend kan werken.

Actiegroep Nederlands Vanzelf Sprekend
Stijn Verrept, secretaris

Naar boven

Reactie op de overhandiging van de Petitie

Vandaag 23 mei 2014 was het een betekenisvolle dag voor de Nederlandse Taalunie, voor de Actiegroep Nederlands Vanzelf Sprekend en voor alle belangstellenden voor de situatie en de stand van het Nederlands.

Vandaag werd immers formeel de Petitie met de Oproep van de Actiegroep Nederlands overhandigd rond de taaleenheid en het taalbeleid naar onderwijs en media toe.





In Antwerpen nam de algemene secretaris van de Nederlandse Taalunie Geert Joris, de digitale petitie in ontvangst. De Oproep en de begeleidende Toelichting zullen de Taalunie ongetwijfeld inspireren voor het eigen beleid naar het Standaardnederlands toe, maar zal zeker een weerslag hebben op het politieke taalbeleid in Nederland en Vlaanderen in de komende maanden. Vlaanderen krijgt immers nieuwe ministers van Onderwijs en van Cultuur. Samen met de Nederlandse ministers met gelijkaardige en gelijkwaardige bevoegdheden zullen zij zich bezinnen op een komend taalbeleid beslist ook naar het onderwijs toe en naar de media. In dat opzicht komt de actie met de Oproep, de Petitie en de Toelichting daarop keurig op tijd om oriënterend en inspirerend te werken.

De plechtige overhandiging in Antwerpen omvatte een nieuw en bevestigend gesprek over het gemeenschappelijk ideeëngoed rond taal en taalbeleid met de vertegenwoordigers van de Nederlandse Taalunie met een zevental leden van de Actiegroep Nederlands en met de genuanceerde maar toch ook participerende inbreng van linguïst en taaldidacticus em. prof. Frans Daems. Er ontstaat verwachting en hoop dat de petitie een constructieve en praktische concretisering krijgt in de strevingen van de instanties die met gezag het taalbeleid van bovenuit zullen bepalen in de komende maanden.

De Nederlandse Taalunie beseft ten volle de betekenis van het initiatief en wenst blijvend overleg met de Actiegroep Nederlands in het vooruitzicht van door haar geplande activiteiten ter bevordering van het taalgebruik in de hele taalgemeenschap. Zij geeft nu al meteen na de overhandiging een publieke verklaring uit met haar visie op de stand van zaken en op de intenties die zij op dit ogenblik al koestert voor sensibilisering, voor ondersteuning maar ook voor opiniëring ten overstaan van de taal en de bevordering van de taalbeheersing van het Nederlands.

We verwijzen heel graag naar haar antwoord op de Petitie van de Actiegroep Nederlands.
Een ruimer inzicht in de Taalunievisie vindt u in het bijgevoegde aanklikbare pdf-document.

Het persbericht van de Nederlandse Taalunie.

Voor de bedoelde Toelichting bij de Oproep van de Actiegroep Nederlands: klik hier

Vanuit de Actiegroep Nederlands

Ghislain Duchâteau

Antwerpen, 23 mei 2014.

Naar boven


Kort verslag van de plechtige overhandiging van de Petitie


Vrijdag 23 mei 2014 in het Felixpakhuis in Antwerpen.

Vertegenwoordigers Actiegroep Nederlands Vertegenwoordigers Nederlandse Taalunie
Stijn Verrept namens de Actiegroep Taalkundige en taaldidacticus Frans Daems

Foto's Ghislain Duchâteau

Een negental leden van de Actiegroep was tegenwoordig om de Petitie in haar stand op dat ogenblik (5.400 ondertekenaars) te overhandigen aan Geert Joris, algemene secretaris van de Nederlandse Taalunie. Hij werd geassisteerd door een viertal medewerkers, o.m. door Ludo Parmentier, de bekende Standaardcolumnist. De Nederlandse Taalunie had ook em. prof. Frans Daems uitgenodigd om een deskundige mening rond de thematiek naar voren te brengen.

Er was een gulle ontvangst, de plechtige overhandiging, een gesprek rond de thematiek, een fotosessie en een broodjesmaaltijd voorzien.

De pers was naast de persverantwoordelijke van de Taalunie zelf vertegenwoordigd door een journalist van het Agentschap Belga.

Bijzonder boeiend was het rondetafelgesprek van de aanwezigen over de huidige situatie van het Nederlands en de hele problematiek die zowel  van groot belang is voor de Nederlandse Taalunie als voor de Actiegroep Nederlands. Het gaat immers om het komend taalbeleid waarvoor de Nederlandse Taalunie als adviesorgaan voor de ministers betekenisvol kan zijn. Het gaat daarbij om de verwezenlijking voor de leden van de Actiegroep Nederlands, die hun doelstellingen geconcretiseerd willen zien inzake versteviging van het Standaardnederlands in het onderwijs als in een hernieuwde impuls naar een taaleenheid tussen Nederland en Vlaanderen.

Uit zowel de tussenkomst van Geert Joris zelf zowel als uit de toelichting bij de Petitie door woordvoerder Stijn Verrept bleek een heel grote overeenstemming te zijn in opvattingen over het Nederlands tussen beide gesprekspartners. Ook de inbreng van Frans Daems was verhelderend en ondersteunend.  Hij onderstreepte bij het einde van zijn tussenkomst vooral de grote waarde van de inbreng van rijk taalmateriaal in een rijke taalomgeving voor de bevordering van de beheersing van het Nederlands in de klassen. Lees hieronder zijn tekst in extenso.

Na de fotosessie en de broodjesmaaltijd beijverden de medewerkers van de Nederlandse Taalunie zich om heel vlug in de vorm van een antwoord op de Petitie een persmededeling te redigeren, geïllustreerd met de foto van de overhandiging. Die mededeling werd meteen op de website van de Taalunie Taalunieversum gepubliceerd. Ook Ghislain Duchâteau verspreidde vanuit de Actiegroep Nederlands  een reactie op het gebeuren naar de achterban. In De Standaard van zaterdag 24 mei verscheen een kort artikel over de overhandiging van de Petitie en haar betekenis.

G.D.


Naar boven


Reactie Frans Daems bij de overhandiging op 23 mei 2014


op verzoek van de Nederlandse Taalunie

Dames en heren,

Standaardnederlands heeft als allerbelangrijkste functie communicatie en intermenselijk handelen mogelijk te maken tussen mensen, ongeacht de regio waar ze vandaan komen, en mensen in staat te stellen volwaardig in onze samenleving te functioneren, ongeacht hun sociale herkomst, etnisch-cultureel toebehoren of moedertaal.

De standaardtaal is niet helemaal dezelfde in de verschillende landen van het taalgebied, Nederland, Vlaanderen, Suriname, de Antillen. Historische ontwikkelingen hebben daar een rol in gespeeld. Denk maar aan de gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog, en van de Belgische Omwenteling van 1830. De samenlevingen hebben zich daardoor verschillend ontwikkeld in Nederland en België, en de standaardisering heeft zich dan ook met een verschillend ritme afgespeeld. Dat heeft in de standaardtaal gezorgd voor een aantal verschillen in uitspraak, woordenschat en in beperkte mate in taalstructuren. Maar ook voor verschillen in de beheersing van registerverschillen, dat wil zeggen van situationeel en stilistisch bepaalde varianten. Voor heel wat mensen lijkt het in Vlaanderen zo dat zij slechts één variant van de standaardtaal vlot beheersen, namelijk de formele. Zodra het wat informeler wordt – denk maar aan e-mail, chat, sms, Facebook, of gesprekken onder vrienden – krijgen we al snel taalgebruik dat veel verder van de standaardtaal staat, ook van informele standaardtaal, dan in Nederland. Daar heeft mijn Leuvense collega Dirk Geeraerts al verschillende keren op gewezen. Ik merk dat verschijnsel trouwens ook in de Vlaamse media. In wat lossere informatieve programma’s van de VRT-televisie, bijvoorbeeld Koppen of Vlaanderen Vakantieland, zie je formeel en informeel Standaardnederlands afgewisseld worden met sterk tussentalig gekleurd Nederlands. Vlaamse regisseurs en acteurs van soaps en films stellen zelfs dat ze omwille van het ‘naturel’ niet anders kunnen dan – vooral Brabants-Antwerpse – tussentaal te gebruiken, zelfs als de soap zich afspeelt in de Belgisch-Limburgse fruitstreek (Katarakt). Tussen haakjes, ik vind het ook weinig ‘naturel’ als ik in Flikken Maastricht vooral geen Limburgs accent hoor. Het gebruik van de Brabantse tussentaal is weleens nadelig voor de verstaanbaarheid, zodat sommigen de 888-ondertiteling gaan inschakelen. En het ergert ook weleens kijkers en luisteraars van buiten de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant omdat ze zich wat buitengesloten voelen. Ook in het onderwijs kun je je vragen stellen bij de rolverdeling in de media tussen de verschillende taalvariëteiten, maar daar kom ik zo dadelijk op terug.

Als taalkundige kan ik constateren dat er allerlei vormen van variatie in het taalgebruik zijn, en kan ik nagaan met welke situationele en sociale factoren die variatievormen samenhangen. Zo kan ik met sociolinguïsten constateren dat er op Vlaamse scholen complexe patronen van codewisseling tussen standaardtaal en tussentaal (en ook migratietalen) voorkomen. Ik kan als taalkundige ook constateren dat we in de loop van de tijd geëvolueerd zijn van een situatie waarbij we in Vlaanderen de norm voor de standaardtaal vrijwel uitsluitend in Nederland legden, naar een situatie van asymmetrische tweepoligheid: er is een norm in Nederland, en er is er één in Vlaanderen. Doordat er drie keer zoveel Nederlanders als Vlamingen zijn, kan het niet anders dan dat die noordelijke norm toch wel wat sterker is dan de zuidelijke. Toch is de overlap tussen de noordelijke en de zuidelijke norm behoorlijk groot, en kun je daarom wel stellen dat we een gezamenlijke standaardtaal delen.
Met dit alles doe ik aan descriptie, en zeg ik helemaal niets over prescriptie, niets normatiefs, niets over wat wenselijk is dat met die variatie zou gebeuren. Ik wil daarbij met klem stellen dat je uit een feitenbeschrijving niet automatisch conclusies voor normatief handelen kunt afleiden. Uit de wetenschappelijke vaststelling dat heel wat jongeren alcohol drinken, wiet roken, zich racistisch gedragen kun je niet afleiden dat we alcohol, wiet en racisme nu als norm zouden moeten aannemen. Maar je moet al evenmin doen alsof die dingen zich niet voordoen.

Ik kan ook een ander, niet-descriptief, petje opzetten. Dat van de burger, van de taalgebruiker, en in mijn geval ook dat van de taalonderwijskundige en professioneel betrokkene bij taalbeleid. Dan kan ik gebruikmakend van mijn descriptieve kennis wel uitspraken doen over hoe men moet handelen. Dat doe ik over een minuutje.

De oproep van de petitie heb ik onderschreven, de oproep om de taaleenheid, met name op het gebied van de standaardtaal, tussen Nederland en Vlaanderen te bevorderen. De Taalunie heeft, vind ik, uitstekend werk verricht door in te zetten op taaltechnologie, en het is een evidentie dat zo’n inzet des te efficiënter kan zijn als je van een grote mate van taaleenheid kunt uitgaan. Dat geldt evengoed voor allerhande hulpmiddelen als woordenboeken, spellingcheckers, de ANS, terminologieverbanden enz. Het onderwijs in het Nederlands als vreemde taal in Wallonië, in de ons omringende landen en in de wereld heeft vooral behoefte aan taaleenheid, en richt zich daarom dan ook veel meer op de noordelijke dan op de zuidelijke norm.
Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw is Vlaanderen economisch sterk geworden, maar tegelijk heb ik bij heel wat mensen ook een ontwikkeling gezien in de richting van een zich opsluiten binnen de eigen kleine Vlaamse gemeenschap, ook wat taal betreft. Misschien spelen daar bij sommigen ook nog ressentimenten tegen de ‘Hollanders’ bij, ressentimenten die zonder dat ze het beseffen teruggaan op de tegenstellingen tussen de katholieken van na de Spaanse Reconquista van de Zuidelijke Nederlanden en na 1815 enerzijds, en de ‘ketterse’ calvinisten anderzijds, of ressentimenten tegen de natie die de Schelde had afgesloten.

Als taalonderwijskundige wil ik graag drie zaken onderstrepen.

1. Voor ons onderwijs is het een evidentie dat de taalvaardigheidsontwikkeling in het Standaardnederlands plaatsvindt: spreken, luisteren, schrijven en lezen. Wij vonden dat met de Vlaamse eindtermencommissie van midden jaren 90 zo evident dat we de beheersing van het Standaardnederlands niet eens in de Vlaamse eindtermen hebben opgenomen.
Enkele jaren geleden hebben we met drie nieuwe eindtermencommissies, waarvan ik telkens voorzitter was, de eindtermen taalbeschouwing voor het hele leerplichtonderwijs geactualiseerd. Sinds 2010 zijn die al van kracht, behalve in de derde graad van het secundair onderwijs waar ze ingaan nu per 1 september. In die vernieuwde eindtermen hebben we bijzonder veel aandacht opgenomen voor Nederlands en andere talen; voor standaardtaal, regiolecten en dialecten; voor de functies van talen en taalvariëteiten; voor stijlen en registers in het taalgebruik; voor de factoren die een rol spelen bij taalvariatie; voor attitudes en vooroordelen tegenover taalvariëteiten. Daarmee willen we naast de culturele ontwikkeling bereiken dat de taalvaardigheidsontwikkeling van onze leerlingen een stevige inzichtelijke onderbouwing meekrijgt. En dat ze een grotere gevoeligheid voor het passende register ontwikkelen. Tussen haakjes, we hebben er ook voor gezorgd dat de grammatica zijn zwaartepunt krijgt in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs, wanneer de jongeren in hun intellectuele ontwikkeling voldoende gevorderd zijn om die abstracties goed aan te kunnen.

2. Een taal of taalvariëteit leren jongeren vooral doordat ze er voortdurend mee te maken krijgen, receptief en productief. Dat geldt ook voor het Standaardnederlands. Woorden, uitdrukkingen, formuleringen, clichés, taalpatronen verwerven we, niet door daar theorie over te krijgen, maar door ze voldoende vaak aangeboden te krijgen, de kans te hebben ze zelf te gebruiken, en zo nodig feedback te krijgen. Zo veranderen talen ook. Een constructie als ‘hij is ouder dan mij’ horen en lezen jongeren hoe langer hoe vaker, en dat zal op den duur ook wel Standaardnederlands worden. In het Engels is het al zo ver: ‘he is older than me’.
Als we vinden – en ik doe dat – dat onze jongeren vaardig moeten worden in verschillende schakeringen van de standaardtaal, informele en formele, dan moeten ze daar op school heel veel aanbod in krijgen, en gelegenheid om ze te gebruiken. Niet alleen in de lessen Nederlands maar in alle vakken in alle lessen. Dat maakt trouwens deel uit van een ruimer concept van taalvaardigheid: namelijk geschikt, effectief talig kunnen handelen in diverse situaties, receptief en productief. Zo’n concept van taalvaardigheid vind ik werkelijk emancipatorisch, voor zowel autochtone als allochtone jongeren. Zo’n concept lag ook aan de basis van het taalbeleid van onze vorige minister van onderwijs Frank Vandenbroucke. Hij heeft ook maatregelen bedacht om alle scholen en alle leraren bij zo’n taalbeleid te betrekken, onder meer een talenwebsite, ministeriële nascholingsprojecten en zo meer.

3. De school is geen eiland. Jongeren krijgen een groot taalaanbod via digitale en meer klassieke media. Welke soort van taalaanbod die media brengen, zal mee bepalen welke taal of taalvariëteit de jongeren verwerven. Als we onze jongeren ook in de standaardtaal behoorlijk taalvaardig willen krijgen, dan ligt daar een verantwoordelijkheid voor die media zelf.


Tot slot

Het zal u wel niet verbazen dat ik met kritische ogen naar de petitie heb gekeken. Maar de punten van kritiek die ik had, konden niet verhinderen dat ik de doelstellingen van de petitie zeer waardevol vond.
Ik vermoed alleen dat de petitie wellicht meer relevantie heeft voor Vlaanderen dan voor Nederland of de andere delen van ons taalgebied.

Frans Daems

 

Naar boven

Manifest voor het Nederlands in België - Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - 24 september 2011

De taalsituatie in Vlaanderen is complex en gecompliceerd.

De meeste Vlamingen spreken anno 2011 dialect, tussentaal en/of standaardtaal.

Daar is op zich niets fout mee. Variëteiten en registers bestaan nu eenmaal. Ze verrijken onze taal. Binnen andere talen, grote en kleine, treffen we vergelijkbare verschillen aan.

Toch is het de overtuiging van de Academie dat anno 2011 in Vlaanderen één variëteit van het Nederlands steun kan gebruiken: die van de standaardtaal.

Die standaardtaal kan niet altijd meer rekenen op de steun en de zorg van de spraakmakende groepen die de verantwoordelijkheid hebben haar in de openbare ruimte uit te dragen.

Op het einde van de negentiende eeuw koos de Vlaamse beweging voor de standaardtaal zoals die in Nederland werd gesproken en geschreven. Ze had weinig andere keuze dan juist deze variëteit tegenover het dominante Frans naar voren te schuiven en te handhaven.

Pas in de jaren 1930 kwam met de radio en de vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen de standaardisering echt op gang.

Alle Vlamingen hebben de laatste eeuw Nederlands geleerd als een taal die tegelijk ervaren werd als min of meer bekend en als min of meer vreemd.

Tot de jaren 1980 ongeveer was er consensus over de richting die de Vlaamse taalgemeenschap moest uitgaan: die van de standaardtaal, het Nederlands.

Nu is die consensus afgebrokkeld. De tolerantie tegenover andere variëteiten dan de standaardtaal is toegenomen.

Het uitzonderlijke van de taalsituatie in Vlaanderen bestaat er juist in dat die tolerantie sterker wordt in een omgeving van zwakke standaardisering. Het is immers pas sinds een tachtigtal jaar, een drietal generaties, dat de Vlamingen Standaardnederlands aan het verwerven zijn.

De Academie vraagt daarom aandacht voor de standaardtaal - het Nederlands zoals dat in België wordt gesproken en geschreven - en voor de meer formele registers, die hun rechtmatige plaats in de openbare ruimte moeten blijven behouden. De overheid, het onderwijs en de media spelen hierin een cruciale rol.

De Academie gelooft dat men een norm kan voorhouden zonder taalgebruikers te frustreren of kleineren. Meer nog, ze gelooft dat het voorhouden van een norm juist emanciperend kan werken. Dat geldt niet alleen voor Nederlandstaligen. Ook anderstaligen, onder wie onze Franstalige landgenoten, en nieuwkomers, aan wie we terecht vragen onze taal te leren, zijn gebaat bij een duidelijke norm.

Gent, 24 september 2011

Bron: http://www.kantl.be/nieuws.php?item=78


Naar boven


De Nederlandse Cultuurtaal / Standaardtaal - Stijn Verrept


Een goede definitie is te vinden in het woordenboek van Koenen:

“nationale taal, gekweekt en gevormd boven en naast het dialect en in alle gewesten onderwezen en, zij het met dialectvormen gemengd, gesproken en geschreven”.

Vanzelfsprekend komt dus in elke cultuurtaal enige interne variatie voor. Zelfs wie ze goed hanteert, zal er toch ook tot op zekere hoogte van afwijken. De mate waarin van de cultuurtaal wordt afgeweken, bepaalt of iemands taal nog als cultuurtaal wordt ervaren.

Uit de definitie kan ook worden afgeleid dat wie op alle (dialect)slakken zout zou leggen, de taalgebruiker monddood maakt. Anderzijds heeft wie de slakken hun gang laat gaan, in de kortste keren geen tuin meer.
In principe wordt wie de cultuurtaal gebruikt, overal in het taalgebied begrepen en aanvaard. Bovendien sluit ze niemand buiten, uit welk (dialect)gebied hij of zij ook komt. Wie ze, eventueel naast zijn dia- of regiolect, voldoende beheerst, krijgt toegang tot een veel ruimer communicatiegebied.

Uiteraard kunnen wij in elke cultuurtaal verschillende registers onderscheiden gaande van de zogenaamde stadhuis- tot de keukentaal. Het is belangrijk om een aantal van die registers te beheersen en te weten waar en wanneer ze moeten worden gebruikt.

In een bepaalde periode van de taalontwikkeling is de cultuurtaal gevormd in een dialectgebied dat economisch en cultureel de meeste uitstraling heeft. Voor het Nederlands is dat de regio Amsterdam-Den Haag geweest in de 17de eeuw.

Opmerkelijk is dat in elke cultuurtaal veel elementen voorkomen uit andere dialectgebieden. Dat geldt zeker ook voor het Nederlands met de grote taalinvloed in de 17de eeuw vanuit Vlaanderen als gevolg van de grootschalige emigratie naar het huidige Nederland.

Iedere democraat kan niet anders dan wensen dat alle inwoners van het taalgebied de cultuurtaal zo goed mogelijk beheersen zodat zij alle kansen krijgen om zich op alle niveaus te ontplooien en als weerbare burgers te participeren in de maatschappij.

Het is de taak van het onderwijs en de media om de taalgebruiker te (be)geleiden naar de beheersing van die cultuurtaal in verschillende registers. Doen zij dat niet, dan ontnemen ze hem mogelijkheden. Die blijven dan voorbehouden aan wie de cultuurtaal van huis uit heeft meegekregen.

Anders dan wat soms wordt gezegd en geschreven, is er de laatste decennia ook in Vlaanderen, in alle provincies, een grote groeiende groep mensen die de cultuurtaal op verschillende niveaus op een heel vlotte natuurlijke manier hanteren. Met name de televisie geeft op dat gebied in een aantal programma’s een vertekend beeld van de reële situatie.

Zeer velen, zoals telkens weer aan de schoolpoorten blijkt, willen dat de kinderen de cultuurtaal goed beheersen. Zij verwachten dat de school aanvult en verfijnt waar zij dat eventueel zelf niet kunnen.

Stijn Verrept


Naar boven

 

Nederlands Vanzelf Sprekend – Oproep en petitie – Onderbouwing van de actie –
Ghislain Duchâteau

Aanzet

Deze actie betekent een kritisch-constructieve inzet voor de status en de perceptie van het Nederlands. De actiegroep wil de huidige courante perceptie over het gesproken Nederlands bijsturen en de status van onze taal ondersteunen en zo mogelijk zelfs verbeteren bij het publiek en in het onderwijs. Beide objecten lopen niet alleen parallel maar bij een nauwkeuriger perceptie die nauwer aansluit bij de taalwerkelijkheid zelf zal beslist de status van de Nederlandse standaardtaal erbij kunnen winnen.

Hoe is het nu daarmee feitelijk gesteld?

De vraag roept meteen de bedenking op dat wij op dit ogenblik geen volstrekt afdoend antwoord kunnen geven, omdat wij nog niet over de volledige kennis en informatie beschikken. Dat betekent evenwel niet dat wij bij de pakken moeten blijven zitten en niets ondernemen, integendeel. Vanuit onze nauwkeurige observatie van het taalgebruik in de Nederlandstalige gemeenschap vooral in Nederland en in Vlaanderen weten wij wel, dat toch niet alles zoals wij dat idealiter zouden willen, in orde is.

Functionaliteit van de taal

Wij weten in de eerste plaats welke betekenis het taalgebruik heeft voor een taalgemeenschap en voor elke taalgebruiker als individuele persoonlijkheid.

“Taal is een middel om te communiceren, om inhouden uit te drukken. Daarbij kan taal op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden worden gebruikt.
De functies van taal zijn op veel manieren onderscheiden en beschreven. Een veel gebruikt onderscheid is de driedeling in:
- de communicatieve functie van taal: taal wordt gebruikt om te communiceren met anderen. Een taalgebruiker wil iemand bijvoorbeeld informeren of amuseren;
- de conceptualiserende functie van taal: taal wordt gebruikt om de werkelijkheid te ordenen. Via de taal die je gebruikt, verwijs je voortdurend naar betekenissen en concepten. Een taalgebruiker benoemt de werkelijkheid om zich heen en beschrijft relaties. Hiermee krijgt hij grip op die werkelijkheid;
- de expressieve functie van taal: taal wordt gebruikt om uitdrukking te geven aan persoonlijke emoties.
Een taalgebruiker kan taal tegelijkertijd in verschillende functies gebruiken. Bijvoorbeeld: een leerling die te laat binnen komt rennen, vertelt dat zijn wekker niet afging (conceptualisering), dat hij het erg vervelend vindt dat hij nu te laat is (expressie) en dat hij daar spijt van heeft (communicatie)” (Kennisplatform taaldidactiek: http://www.lesintaal.nl/documents/doc_32670.htm).

Beheersing van de taal

Om die functies van taalgebruik optimaal te benutten is een degelijke beheersing van de taal noodzakelijk. Taalbeheersing verwerft een kind spontaan door de taal te hanteren die in zijn omgeving gebruikelijk is. De ontwikkeling van die taalbeheersing wordt daarbij gericht ondersteund door het bewuste taalonderwijs dat aan een kind verstrekt wordt. Om de taalverwerving en het taalgebruik zo goed mogelijk te laten verlopen is er inzet nodig en intentionele hulp voor de taalleerder en voor de volwassen taalgebruiker zijn daartoe de gunstigste omstandigheden vereist. Daartoe behoren een zekere mate aan kennis van de taal, een behoorlijke mate aan vaardigheden bij het hanteren van de taal. En beslist behoren daartoe een aantal attitudes bij het taalgebruik.

In deze communicatieve constellatie speciaal voor het mondeling taalgebruik zijn perceptie van de taal en de status van die taal heel belangrijk. En hier worden we geconfronteerd met het fenomeen van de taalvariatie. Geografisch is er verscheidenheid in de gesproken taal met de dialecten die nog levendig zijn, met informele omgangstaal, zoals familiair taalgebruik in de huiskring, met tussentaligheid zoals die voorkomt in ontspanningsprogramma’s op de televisie, maar ook met standaardtaalgebruik in formele en beslist evenzeer in informele gesprekssituaties.

Perceptie

Als wij bezorgd zijn om de perceptie van de taal en aansluitend en daaruit voortkomend ook de status van de taal, dan komt dat vooral omdat wij sterk vermoeden dat het niet goed loopt in dat opzicht. Daartoe kunnen wij de signalen detecteren. Er is zeker de vloed van verengelsing te constateren in en buiten het onderwijs. Er is ook de invloed op de perceptie van onze taal die ontstaat vanuit het taalgebruik dat de media over de hoofden van de kijkers en luisteraars uitstrooien, waarbij voor de ontspanningsprogramma’s vaak in het Vlaamse landsgedeelte van België Brabants-Antwerpse tussentaligheid e.a. toegestaan wordt. Er zijn daarbij de publicaties die inspelen op een grote belangstelling voor taal vanuit het ruimere publiek en die on- en offline verschijnen op websites, blogs, in kranten en magazines. Vaak worden taalkundigen daarbij geraadpleegd, van wie opvattingen heel vaak onnauwkeurig of al te summier worden weergegeven en die de algemene perceptie over het Nederlands vertekenen.
Hier treedt een pertinent verdringingsmechanisme op: het Standaardnederlands wordt in het hoger onderwijs voor een deel verdrongen door het Engels, het Standaardnederlands moet in televisieprogramma’s de plaats ruimen voor een opdringerige tussentaligheid. De invloed van de taalkundigen op de opvatting over onze taal is daarbij niet te onderschatten. De verschijning en de titel van het boek van prof. J. van der Horst ‘Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur’ doet leraren twijfelen over de zin van het hanteren van het Standaardnederlands op school. De hele taalwerkelijkheid dreigt daardoor uit het gezichtsveld van de doorsnee taalgebruiker en zeker ook van de doorsnee leerkracht op school te verdwijnen ondanks alle inspanningen voor taalonderwijs die worden geleverd. Taalwetenschappers beschrijven de taalfenomenen en wij zijn ervan overtuigd dat zij dat met grote deskundigheid en validiteit doen. Maar het loopt vaak verkeerd als die opvattingen doorstromen in populariserende artikelen, teksten en uitzendingen. Daar wordt de taalwerkelijkheid vaak geweld aangedaan.

Als het met die perceptie de verkeerde kant uitgaat en het publiek ruime permissiviteit en nonchalance in het hanteren van de taal accepteert, dan ontstaat een gebrek aan een redelijk normbesef, dan ontbreekt de nodige motivatie om de inzet op te brengen om op een adequate manier tot bewust en degelijk taalgebruik te komen. Dan komt de status van het Nederlands ook daardoor in het gedrang.

Op het taalgebruik van de doorsnee gebruiker heeft niemand echt greep en dat hoeft niet noodzakelijk. Op de ontwikkeling van de taalbeheersing bij leerlingen op school is er grote behoefte aan vastigheid en zijn normen voor taalgebruik meer dan welkom. Maar vooral inzet op motivatie voor het leren van de standaardtaal en het leren hanteren in de passende situaties is van grote betekenis voor de aankomende generaties jongvolwassenen die in de toekomst de gebruikers, de hanteerders en de stimuleerders voor de cultuurvorm van onze taal kunnen worden. Daarbij zo veel mogelijk aansturen op het verwerven van de passende attitudes in taalgebruik is toch wel een opdracht van leraren op school die overtuigd moeten zijn van de betekenis daarvan en die op basis van die overtuiging hun onderwijs in die zin oriënteren.

Opvattingen

Opvattingen die in positieve zin omgebogen mogen worden zijn:
- Standaardnederlands: dat is een verloren zaak.
- De standaardtaal, wat is dat? We kunnen ze niet exact omschrijven.
- Journaalnederlands als model? Dat is een onbereikbaar ideaal.
- Standaardnederlands wordt alleen gebruikt in formele communicatieve situaties.
- Het verschil tussen het Nederlands in Nederland en het Nederlands in België in woordgebruik en uitspraak is groot en onoverkomelijk.
- Standaardnederlands is een middel tot uitsluiting.
- We evolueren vlug naar een eigen taal in Vlaanderen.
- Moeten we nu met de leerlingen geen tussentaal gaan gebruiken om als leraren joviaal met hen om te gaan?
- De gehanteerde taalvorm moeten we steeds afstemmen op de situatie die wij inschatten en dat brengt een vlotte aanpassing tot stand in wisselende situaties. Taalvariatie is daar heel goed op haar plaats.

We kunnen het rijtje verder uitbreiden.

- Is Standaardnederlands een verloren zaak? Wordt tussentaal dan overal dominant? De standaardisering is wel vertraagd, maar niet stilgezet. In de dagelijkse omgang wordt veel meer en veel vaker Standaardnederlands gebruikt dan men soms wel eens laat blijken.
Een eigentijds onderzoek naar het gebruik van Standaardnederlands in zijn sociale stratificatie en in zijn geografische verspreiding zou beslist foutieve beoordeling over het taalgebruik kunnen corrigeren. Men moet er wel bij bedenken dat binnen de taalvariëteit Standaardnederlands ook variaties voorkomen. Het uitgangspunt om te spreken over Standaardnederlands bij taalgebruik is de intentie om het te hanteren. Die intentie is doorgaans goed waarneembaar en herkenbaar bij de toegesprokene(n) in een gesprek. Familiaire vormen van taalgebruik doen binnen de omgangstaal niets af aan de feitelijkheid van het hanteren van de standaardtaal.
Stijn Verrept formuleert het zo: “Vanzelfsprekend komt dus in elke cultuurtaal (=standaardtaal) enige interne variatie voor. Zelfs wie ze goed hanteert, zal er toch ook tot op zekere hoogte van afwijken. De mate waarin van de cultuurtaal wordt afgeweken, bepaalt of iemands taal nog als cultuurtaal wordt ervaren.”  Zo komen we tot een verbrede opvatting van de standaardtaal.

Wellicht is het goed hier in kort bestek te herinneren aan de belangrijkste karakteristieken van het Standaardnederlands.

Het is de taalvariëteit die:
- algemeen gebruikelijk is binnen het taalgebied;
- vanuit een historische ontwikkeling ontstaan is door standaardisering;
- formeel maar ook informeel (als omgangstaal) wordt gebruikt op basis van het afstandsprincipe;
- we bij voorkeur gebruiken tegenover onbekenden en tegenover anderstaligen die (pogingen doen om) Nederlands (te) spreken;
- door de spreekgemeenschap ruim wordt geaccepteerd;
- voor de woordenschat, de grammatica en de uitspraak gecodificeerd is zoals in woordenboeken, standaardnaslagwerken e.d.;
- voornamelijk wordt gebruikt in het onderwijs, door de overheid en in de media;
- onderscheidbaar is van tussentaal en van het dialect door een wat fluctuerende grens - herkenbaar bij de spreektaalvorm via kennis en vaardigheid maar vooral in de eerste plaats door de attitude van de spreker om bewust de standaardtaalvorm te willen gebruiken in de gespreksituatie;
- je op de openbare omroep zowel op de radio als op de televisie hoort uit de mond van journalisten en vaste medewerkers en die door taalgebruikers als model of norm kan worden nagestreefd.

Naast de term Standaardnederlands kunnen we Algemeen Nederlands of Nederlandse standaardtaal als benaming voor die variëteit van onze taal gebruiken.
Het is onze cultuurtaal.

Fundamentele informatie over standaardtaal vindt u op Taaladviesnet van de Nederlandse Taalunie.

- In de Oproep van de Actiegroep Nederlands Nederlands Vanzelf Sprekend wordt geijverd voor eenheid in het taalgebruik in het hele taalgebied in Nederland en in Vlaanderen en elders waar Nederlands wordt gesproken. Daarmee bedoelen de actievoerders dat er een zo groot mogelijke eenheid zou moeten bestaan of nagestreefd zou moeten worden. Laat het hier duidelijk zijn dat daarmee niet een volstrekte ideale eenheid bedoeld wordt, wel dat de Actiegroep de attitude wil bevorderen om de eenheid of het streven naar eenheid zo veel mogelijk te beklemtonen en het Nederlands als de eenheidstaal in het taalgebied te beschouwen zonder enige variatie in het gesproken taalgebruik uit te sluiten.

- En de verschillen dan in woordgebruik in Nederland en Vlaanderen? Er is een beklemtoning van de evenwaardigheid van het Belgisch Nederlands tegenover het Nederlands Nederlands, de twee grote taalvariëteiten – het nieuwe zogenaamde bicentrisme. Het woord ‘goesting’ heeft in dat opzicht het laatste jaar een bliksemopgang gekend ook in het publieke taalgebruik van Vlaamse politici en in de media. Als we dat afwijkend woordgebruik van het Nederlands standaardtaalgebruik blijven beklemtonen en cultiveren, dan bevorderen we inderdaad een stukje verwijdering van het gesproken taalgebruik in beide gebieden. Elkaars verschillende woorden hoeven we niet af te wijzen, maar het voorkomen van verschillende woorden in beide gebieden hoeven we ook niet steeds te beklemtonen. Laat Vlamingen de specifieke woorden uit Nederland leren, ze begrijpen en - als ze willen - ze zelf ook hanteren. Laat Nederlanders ook de Vlaamse woorden in het taalgebruik van Vlamingen respecteren. Studies wijzen ook uit dat er op het geheel van onze heel ruime woordenschat zowat 4.000 specifieke woorden in het Noorden worden gebruikt en ook zowat 4.000 specifieke woorden in het Zuiden van het taalgebied. Twintigjarige gemiddelde geschoolden beheersen zowat 60.000 woorden van zowat tweehonderdduizend bestaande verschillende woorden in het Nederlands. Die 4.000 aparte woorden voor Zuid en voor Noord maken dan toch een bijzonder klein percentage uit.

- Wel is de uitspraak tussen beiden delen van ons taalgebied opvallend verschillend en horen we vaak ook binnen het standaardtaalgebruik nogal opmerkelijke afwijkingen. Vaak gaat dat gepaard met een zwakke articulatie van de klanken en de woorden. Dit is wel zo ernstig dat dit verschijnsel de verstaanbaarheid voor een aantal mensen in het gedrang kan brengen.
In het onderwijs is het daarom wenselijk om ruime aandacht te besteden aan duidelijke articulatie en aan uitspraaktraining. Hoewel de ontwikkeling van de communicatieve vaardigheden voorrang blijft verdienen, is aandacht en best meer aandacht voor uitspraak als vormgebonden aspect van het taalgebruik eveneens aan te bevelen. Ook dat kan de perceptie van de taalobservator verbeteren en de status van het Nederlands positief beïnvloeden.

Aanpassing aan de situatie

Ten slotte houdt de regel dat men zich met het passende register en de daarbij horende taalvorm het best kan aanpassen aan de voorkomende taalgebruikssituatie, wel het risico in dat de taalgebruiker – het kan bijvoorbeeld een leerling of een student zijn – niet precies weet wanneer tussentaal of standaardtaal op haar plaats is. Het risico is niet denkbeeldig dat men in vele communicatieve situaties zich al te gemakkelijk tot tussentaligheid laat verleiden. In veel meer situaties dan men kan denken is standaardtaligheid de geschikte en de meest natuurlijke en de meest efficiënte taalgebruiksvorm om te hanteren. Wat men ook beweert, standaardtaal en tussentaal zijn geen gelijkwaardige taalvariëteiten. Wij blijven ervan overtuigd dat de gecodificeerde standaardtaal prioritair is tegenover tussentaal en in een veelheid van gesprekken de voorkeur verdient. Hoe beter men het Standaardnederlands beheerst, hoe gemakkelijker men zich in dergelijke situaties kan bewegen.

Besluit

Keren we terug tot onze uitgangsstelling: de perceptie over de taalwerkelijkheid van het gesproken Nederlands moet worden verbeterd. De status van het Standaardnederlands moet worden ondersteund. Mogelijk heeft het bovenstaande de lezer ertoe gebracht het belang daarvan in zekere mate in te zien. En dat onderbouwt de actie Vanzelf Sprekend van de actiegroep Nederlands. Communicatieve functionaliteit en attitudinele inzet voor de standaardvorm van het Nederlands kunnen best samengaan.


Ghislain Duchâteau – 2 maart 2014


Naar boven

Nederlands Vanzelf Sprekend – Interview met Peter Debrabandere in ‘Doorbraak’

Ook is een interview met Peter Debrabandere, lid van de Actiegroep, verschenen in het tijdschrift Doorbraak.
Daarin licht hij de diepere achtergrond toe van deze actie. Het gaat om de status van het Standaardnederlands en om de correcte perceptie van onze taal. Dit verhelderend interview kunt u lezen onder
http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/nederlands-vanzelf-sprekend.

Naar boven

 


Andere teksten

Over taal gesproken - Artikels over taal op Kennislink

Een verzameling artikels rond taal en allerlei verschijnselen daarrond
http://www.kennislink.nl/thema/over-taal-gesproken

Communicatiewetenschapper en wetenschapsjournaliste Erica Renckens
draagt ruimschoots bij aan ‘Over taal gesproken’.

http://www.kennislink.nl/auteurs/erica-renckens

Naar boven


Het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie - Lezing van Peter Debrabandere 23 februari 2016 voor de VVA-Afdeling Antwerpen

Peter Debrabandere geeft duidelijk zijn standpunt weer tegenover het thema in de titel van zijn lezing.

‘Natuurlijk moet het Nederlands ook een zekere inbreng van de Vlamingen accepteren. Dat is op dit ogenblik overigens al op een aantal punten een vanzelfsprekendheid.
 - Er is een eigen Belgisch-Nederlandse uitspraaknorm, die niemand ter discussie stelt, met bijvoorbeeld politie uitgesproken als polisie i.p.v. politsie en met de bilabiale w in plaats van de labiodentale w.
 - Allerlei institutionele termen worden uiteraard als Belgisch-Nederlandse standaardtaal aanvaard: gouverneur, provincieraad, indexsprong, onroerende voorheffing enzovoort.
- En er zijn ook categorieën van woorden en uitdrukkingen die vroeger door de taalzuivering afgekeurd werden, louter omdat ze in Nederland onbekend waren, terwijl ze om verschillende redenen net zo goed als acceptabel Belgisch-Nederlands gezien hadden kunnen worden: op een boogscheut afstand van, van hetzelfde laken een broek, pechstrook, dovemansgesprek, papegaaienwerk, halfopen bebouwing, krantenwinkel

Ik pleit voor acceptatie van dat soort Belgisch-Nederlands, maar niet voor acceptatie van allerlei grammaticale en lexicale elementen waarvoor alternatieven bestaan in de zogenaamde standaardtaal in het hele taalgebied. Variatie is uiteraard  normaal, maar je moet het beperkt houden, als je wilt dat het Nederlands één taal blijft.’ …

Met dat laatste ben ik een beetje afgedwaald van het onderwerp: het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie. Ik kom er nu op terug. Mijn boodschap is duidelijk, denk ik. Ik denk dat we moeten blijven ijveren voor het Nederlands als eenheidstaal, zonder bang te zijn van enige variatie, maar ook zonder streven naar steeds meer variatie, zonder streven naar een steeds verder van het algemene Nederlands afdwalende Belgische variant.’


Lees de hele tekst van zijn lezing

Naar boven

Verenigd door taaleenheid - Pleidooi voor de eenheid van de Nederlandse taal -
Lezing van Peter Debrabandere
- 12 september 2015

Peter Debrabandere
Docent Hogeschool VIVES, Brugge
Hoofdredacteur Neerlandia
peter.debrabandere@scarlet.be


Dames en heren,

In 1999 introduceerde Ludo Simons het beeld van Vlamingen en Nederlanders als
twee volken gescheiden door dezelfde taal. Sindsdien wordt het beeld regelmatig herhaald. Zo bijvoorbeeld Bart Dirks in de Volkskrant (17-2-2006): “Wat verbindt Vlaanderen en Nederland nog? Graag betogen cultuurpessimisten dat we steeds meer gescheiden raken door dezelfde taal. We zouden ons amper nog interesseren voor elkaar.” Of Bart De Wever in 2010 tegen een journalist van de Nederlandse krant Trouw: “We zijn twee volkeren, gescheiden door dezelfde taal.”

Origineel is dat beeld niet. George Bernard Shaw zou ooit beweerd hebben: “England and America are two countries separated by a common language.” Oscar Wilde schreef in
The Canterville Ghost  (1887): “We have really everything in common with America nowadays, except, of course, language.” En dat beeld wordt elders overgenomen. In 2005 verscheen in het boek L’Europe et les Francophonies een bijdrage met de titel France et Belgique francophone – Deux pays qu’une même langue sépare? In 2013 verscheen in het blad Sprachspiegel (Heft 2) een bijdrage met de titel Durch gemeinsame Sprache getrennt: Impressionen zum Gebrauch des Deutschen in der Schweiz und in Deutschland.

De vraag is daarbij of dat beeld klopt voor het Nederlandse taalgebied. In welke mate zijn Vlamingen en Nederlanders inderdaad twee volken gescheiden door dezelfde taal. Officieel hebben Vlamingen en Nederlanders dezelfde taal, het Nederlands. In de officiële terminologie is er van scheiding geen sprake. Nederlands is Nederlands. Nederlands in Nederland. Nederlands in Vlaanderen. Dat is helder. Het Nederlands is één taal.

Lees verder…

Naar boven

 

Het Nederlands in het jaar 2500

VOORSPELLINGEN. Hoe klinkt het Nederlands in het jaar 2500? De wetenschapsjournalist Steven Hagers vroeg het een aantal deskundigen. Sommigen rekenen hem uitvoerig voor waar de klinkers zullen liggen, anderen grijpen terug op het verleden en weer anderen denken dat er tegen die tijd geen Nederlands meer zal bestaan.

Samen geven ze misschien eerder een aardig inzicht in de taalwetenschap van nu dan in de taal van over 500 jaar.

Groot en klein nieuws over taal. Drie keer per week gebundeld en in uw postbus gedropt door Marc van Oostendorp (Leiden) en Erik Dams (Sint-Katelijne-Waver).

Voor de tekst over het Nederlands van de toekomst was dat op woensdag 27 mei 2015 in Taalpost 1700

Naar boven

Hoe Vlaams is uw Nederlands? Overpeinzingen bij een internetenquête over 'Vlaamse' woorden in het Standaardnederlands - Peter Debrabandere in Neerlandia/Nederlands van NU 2041-4

Begin november werden in de Vlaamse en Nederlandse media de resultaten bekendgemaakt van de internetenquête Hoe Vlaams is uw Nederlands? De enquête was georganiseerd door De Standaard, Radio 1, de Nederlandse Taalunie en de KU Leuven. Meer nog dan de resultaten van de enquête zorgde de conclusie die aan die resultaten verbonden werd, voor nogal wat ophef. Uw Nederlands mag Vlaamser kopte De Standaard op maandag 3 november. “58% van de Vlaamse taalprofessionelen heeft niets tegen meer Vlaams in de standaardtaal”, liet Johan De Schryver, docent Nederlands aan de KU Leuven, aan De Standaard weten. Om meerdere redenen is die conclusie onjuist. Je kunt net zo goed het omgekeerde besluiten.

KLIK HIER OM DIE OPINIETEKST uit Neerlandia/Nederlands van Nu 2014-4TE LEZEN

Naar boven

Taal of taaltje? Tussentaal?
- reactie op prof. J. De Caluwes visie op de wenselijkheid van ander taalonderwijs dan Standaardnederlands - Stijn Verrept

Als het over de moedertaal gaat, zijn wij in Vlaanderen wel  iets gewend. Denk maar aan de vaak wat verkrampte discussies over de norm: de enen willen 100% aansluiting bij het taalgebruik in Nederland, anderen ijveren zelfs nog altijd voor een eigen Vlaamse taal. Een derde groep is wat genuanceerder en dan ook veelal niemands vriend.

De laatste tijd, eigenlijk al een hele tijd maar nu nadrukkelijker, is daar een thema bijgekomen, de tussentaal, ook wel verkavelingsvlaams genoemd. Tot niet zo lang geleden werd daar nogal vaak  lacherig over gedaan. Tegenwoordig zijn de toon en plaats van de discussie echter veranderd. Die toon is heftiger geworden en de discussie wordt nu ook expliciet in academische kring gevoerd. Zo heeft op 20 november 2010 professor Johan De Caluwe over het verschijnsel een indringend  en bijzonder boeiend betoog gehouden. Hij heeft er ook een artikel aan gewijd dat in het Jaarboek van de Gentse Germanisten zal worden opgenomen en waarnaar in het onderstaande verwezen wordt.*

Wat hier volgt, is een reactie van iemand die als neerlandicus vele jaren heeft gewerkt op verschillende niveaus, vooral maar niet alleen aan de universiteit, in Vlaanderen én Nederland, maar wel nooit aan een Letterenfaculteit. Dat is allicht het vermelden waard aangezien het een invloed kan hebben op de manier van kijken naar het bewuste fenomeen.

Het betoog van Johan De Caluwe valt uiteen in drie delen: een wetenschappelijke analyse van het taalgebruik in Vlaamse scholen,  taal in beleidsteksten voor het Vlaamse onderwijs en adviezen voor dat onderwijs, gepresenteerd als ‘uitgangspunten voor een realistischer taalbeleid op school’.

Eerst moet hier een paar zaken worden opgemerkt die uit de discussie na de lezing duidelijk zijn gebleken. Zo is naar voren gekomen dat De Caluwe ten volle overtuigd is van de noodzaak de standaardtaal op school zo goed mogelijk aan te leren en dat hij die in Vlaanderen niet door de tussentaal wil  vervangen. Wat hij blijkbaar wel wil, is de aandacht voor en het gebruik van de tussentaal aanvaardbaarder maken.

Lees de hele tekst


Naar boven

"De Taalunie moet makelen en schakelen" - Een gesprek met Geert Joris, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie

'De Nederlandse Taalunie als Vlaams-Hollands handelshuis met aanlokkelijke koopwaar? Ja, als het aan Joris ligt. Wat is die Taalunie eigenlijk en wat zijn haar producten en diensten? In 1980 werd de Taalunie opgericht om een gemeenschappelijk taalbeleid van de overheid in Nederland en Vlaanderen tot stand te brengen. In 2004 sloot ook Suriname zich aan.

Bij het grote publiek is de Taalunie vooral bekend van ‘het Groene Boekje’, de gids met spellingregels en een lange woordenlijst van Nederlandse woorden in de officiële spelling. Weinig mensen weten dat de Taalunie betrokken is bij tal van andere taalzaken: van literaire prijzen tot de ANS (de Algemene Nederlandse Spraakkunst), van de ontwikkeling van taal- en spraaktechnologie tot taaladvies, van onderzoek naar sms-taal tot het onderwijs van het Nederlands in het buitenland. Niet dat de Taalunie dat allemaal zelf doet. Daar heeft zij ‘partners’ voor, zoals de IVN (Internationale Vereniging voor Neerlandistiek). De bekostiging van de activiteiten loopt deels via de Taalunie.'

Uit het interview is heel wat te vernemen over de visie en het taalbeleid van de Nederlandse Taalunie.
Lees het volledige interview uit Onze taal 1, 2014.


Naar boven



Taal in tijden van kanteling.
Het Nederlands in Vlaanderen anno 2013. - Dirk Geeraerts januari 2014


in Verkenningen nr. 2 De Academie en het Nederlands in verleden, heden en toekomst Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Leterkunde (KANTL) blz. 29-35 – Publicatie januari 2014

De ene taalpolitiek is de andere niet

Wat heeft de Belgische taalpolitiek te maken met de taalpolitiek van het Nederlands in Vlaanderen? ‘Taalpolitiek’ heeft in onze Vlaamse context immers twee betekenissen. Aan de ene kant staat de sociolinguïstische vraag welk Nederlands we in Vlaanderen hanteren, aan de andere kant de taalsociologische vraag hoe de sprekers van het Nederlands een plaats innemen in de Belgische nationale staatshuishouding.

In het eerste perspectief vraag ik mij af: hoe spreek ik dat woord ‘nationale’ uit? Als nasjonale of natsieonale of nasjonale? In het tweede perspectief vraag ik mij af: waarom zijn er horecazaken in onze nationale luchthaven waar ik niet in het Nederlands geholpen kan worden – ongeacht of dat de nasjonale, natsieonale of de nasjonnale variëteit is?

Nu hebben neerlandici in Vlaanderen de neiging om zich vooral met dat eerste perspectief bezig te houden, en de bezorgde oproep die deze Academie in 2011 gelanceerd heeft ten gunste van het Standaardnederlands in Vlaanderen, past in die traditie: het geformuleerde standpunt betreft de taalinterne taalpolitiek (het eerste perspectief), maar verwijst nergens naar de externe taalpolitiek (het tweede perspectief)1 [Zie http://www.kantl.be/index.php?pag=145[02/09/2013] ]

Dat is m.i. een onterechte beperking: ik wil in deze bijdrage betogen dat de situatie van het Nederlands in Vlaanderen anno 2013 niet in haar volledigheid te begrijpen is wanneer we de extern-taalpolitieke omgevingsfactoren van het intern-taalpolitieke debat over het hoofd zien.

Voor de aanvang van de standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen is de verwevenheid van beide perspectieven alvast niet betwist. De discussie die in de tweede helft van de negentiende eeuw gevoerd wordt over de norm voor het Nederlands in Vlaanderen, is een onderdeel van de Vlaamse Beweging: politieker kan taalpolitiek niet zijn. Deze initiële verwevenheid van beide perspectieven is zo weinig verrassend dat we er nauwelijks bij stilstaan, maar dat maakt de vraag des te prangender: hoe beïnvloedt de extern-taalpolitieke context de aard van de intern-taalpolitieke normdiscussie? Om daar dieper op in te kunnen gaan, moet ik nu eerst het analytische apparaat voorstellen dat conceptuele ruggengraat verleent aan mijn verhaal.

Lees de hele tekst


 

De status van Standaardnederlands tegenover tussentaal

De recensie


In Neerlandia jaargang 117 nummer 4 van december 2013 publiceert em. prof. Ludo Beheydt
een recensie van “De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams” van Kevin Absilis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof, uitgegeven in september 2012. Zijn bespreking staat op blz. 42-44.




De auteur gaat niet in op de verschillende bijdragen in de bundel, maar hij beperkt zich tot
de contextualisering van het debat dat rond de thematiek van het boek is gevoerd.
Die contextualisering is vervat in de inleiding van de redacteurs en in het slotartikel van Jürgen Jaspers.

De passage uit de recensie over de verhouding tussen de standaardtaal en de tussentaal en de precisering van de status van het Standaardnederlands kan de lezer van deze tekst bijzonder aanspreken en dat uittreksel nemen we hier dan ook tussen aanhalingstekens over. Voor de goede verstandhouding halen we Van Dale aan voor het begrip codificeren: het in regels vastleggen. Dat is hier toepasselijk op de standaardtaal.

“De hele inleiding stelt het voor alsof Standaardnederlands en tussentaal in alle opzichten evenwaardige varianten zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Standaardnederlands is, zoals zijn naam terecht aangeeft, een gestandaardiseerde variant.

Dat betekent dat die variant genormeerd is. Daar bestaan codificaties voor, waar we ons naar kunnen richten als we willen weten hoe het hoort: woordenboeken, grammatica’s, uitspraakgidsen en zelfs stijlgidsen (die ons kunnen sturen in de registerkeuze). Dat kan van de tussentaal niet gezegd worden. Die is nog lang niet gecodificeerd. De beschrijving ervan staat nog steeds in de kinderschoenen en de normering is al helemaal onbestaande. Zo betwijfel ik of het geciteerde tussentaalzinnetje mij hoort ge nie klagen wel correct is. Moet het niet zijn mij hoorde nie klagen? En ik beschik nog steeds niet over een betrouwbaar woordenboek of een uitvoerige grammatica van de tussentaal.

Maatschappelijk is het echter zo dat de beheersing van de standaardvariant noodzakelijker is dan
die van de tussentaalvariant. Beleid, media en onderwijs hanteren de standaardvariant als de maatschappelijke lingua franca. En terecht, want een maatschappij kan alleen draaien op het gebruik van een gedeelde lingua franca en Vlaanderen heeft er al in 1973 voor gekozen om het Nederlands daarvoor te kiezen. Daarom is het zo belangrijk dat het onderwijs, zowel aan Nederlandstaligen als aan anderstaligen blijft inzetten op dat Standaardnederlands.
De standaardtaal is het mooiste cadeau dat het onderwijs zijn bevolking kan aanbieden, want nog steeds is de standaardtaal de sleutel tot maatschappelijke emancipatie.”

Kanttekeningen

Bij de kernideeën van dit citaat passen wel enkele kanttekeningen.

De eerste alinea van het citaat bevat de uitgangspositie van Ludo Beheydt waarin hij poneert:

“De hele inleiding (van De manke usurpator) stelt het voor alsof Standaardnederlands en tussentaal
in alle opzichten evenwaardige varianten zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Standaardnederlands is,
zoals zijn naam terecht aangeeft, een gestandaardiseerde variant.” Bij verificatie blijkt dat die voorstelling dat Standaardnederlands en tussentaal in alle opzichten evenwaardige varianten zijn niet voorkomt in de inleiding en dat die opvatting niet in de schoenen mag worden geschoven van de auteurs van het besproken boek. Dat doet evenwel niets af aan de visie van de recensent dat Standaardnederlands een gestandaardiseerde variant is van onze taal, die als dusdanig gecodificeerd is.

Ook de bewering dat de beschrijving van tussentaal nog in haar kinderschoenen staat is heel en al voor rekening van Ludo Beheydt. Wij citeren uit de inleiding van het boek blz. 21 “Sindsdien (2003) zijn er diverse wetenschappelijke beschrijvingen van en verklaringen voor het Vlaamse tussentaalgebruik gepubliceerd.” De daarbij aansluitende nota 39 verwijst naar niet minder dan 15 publicaties van 17 verschillende auteurs tussen 2003 en 2009 (blz. 35). In dat verband verwijzen we ook in het bijzonder naar de uitgave in november 2013 van “Tussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in Vlaanderen”, Johan De Caluwe, Steven Delarue, Anne-Sophie Ghyselen, Chloé Luybaert (red.) in de reeks Studia Germanica Gandensia Libri, Gent, Academia Press, 107 pp. In die publicatie worden verscheidene doctoraten rond tussentaal aan de orde gesteld en 49 masterscripties worden in een overzicht opgenomen die tussentaal als thema hebben (blz. 13-15) en die o.l.v. Johan De Caluwe tussen 2010 en 2013 werden geschreven in de afdeling Nederlandse Taalkunde van de Universiteit Gent. Dat alles doet evenwel geen afbreuk aan de gegevenheid van Beheydt dat tussentaal niet gecodificeerd is en Standaardnederlands wél.

Ook de laatste zin uit het lange citaat van de recensie vraagt enige nuancering. Voor een goed begrip kopiëren we hem hier nog eens:  “De standaardtaal is het mooiste cadeau dat het onderwijs zijn bevolking kan aanbieden, want nog steeds is de standaardtaal de sleutel tot maatschappelijke emancipatie.” We zijn het er volkomen mee eens dat bij uitstek het onderwijs de unieke gelegenheid biedt aan leerlingen om de standaardtaal aan te leren en om ze te beheersen. Het valt ook niet te betwisten dat de standaardtaal een sleutel kan zijn tot maatschappelijke emancipatie.

Juist over het emanicipatorisch aspect van het Standaardnederlands in Vlaanderen hebben de auteurs van “De manke usurpator” zich uitvoerig en intens gebogen. Dat is net in het boek het afsluitend essay van Jürgen Jaspers onder de titel “Het Algemeen Nederlands: uw sociale zekerheid? Taalgebruik en taalopvattingen in processen van in- en uitsluiting”  (blz. 371-390). Jürgen Jaspers diept de thematiek rond het emancipatorische aspect van de standaardtaal nog uit in zijn recent artikel in het tijdschrift Streven van oktober 2013 “Alhier, aldaar aan lange lansen, het Standaardnederlands. De Vlaamse tunnelvisie op emancipatie”  (blz. 784-795). De titels zijn op zichzelf al welsprekend, toch citeren we wat J. Jaspers in het afsluitend essay van De manke usurpator daarover samenvat onder 3. Standaardtaal in processen van in- en uitsluiting.

“Om misverstanden te vermijden: het is evident dat taal een rol kan spelen in het bevorderen van sociale mobiliteit. Overheden die faciliteiten voorzien voor andere talen (via bijvoorbeeld vertalingen of tolken) dragen bij aan de insluiting en de integratie van wie de lingua franca of officiële taal nog niet of onvoldoende beheerst … Nieuwkomers die de lokale taal verwerven, vergroten doorgaans hun kansen op arbeid aanzienlijk. Het onderwijs van een  standaardtaalregister kan een belangrijke bijdrage leveren aan de arbeidskansen van wie een job wil uitoefenen waar dat register vereist is. Als de vraag echter is of taal, en het Algemeen Nederlands in het bijzonder, altijd sociale opstijging bevordert of automatisch insluiting bewerkstelligt – een premisse die vervat zit in wat het Vlaamse onderwijsbeleid, taalkundigen en opiniemakers uitentreuren herhalen – dan moet die echter ontkennend beantwoord worden. Dat komt omdat processen van in- en uitsluiting zowel met veel specifiekere, niet noodzakelijk standaardtalige taalgebruiksaspecten te maken hebben, als met het feit dat sociale uitsluiting vaak aan sociale omgevingsfactoren te danken is waartegen een competentie in de standaardtaal weinig of niets vermag.” (blz. 377-378)

Het is zeker niet de bedoeling om aan het debat over de relatie tussen standaardtaal en tussentaal bij te dragen. Wel is het onze wens de discussie zo goed mogelijk te preciseren om zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over een onderwerp dat zowel voor taalkundigen, sociolinguïsten, didactici Nederlands als voor de intellectuele belangstellenden van grote betekenis is. Wij hebben er allen belang bij de status van het Standaardnederlands te ondersteunen maar, met daaraan gekoppeld de relativerende zin voor de taalwerkelijkheid die naast standaardtaligheid ook grote variatie in de gesproken taal vertoont. Ludo Beheydt heeft met zijn recensie bijgedragen tot die verheldering en ondersteuning, maar ook de auteurs van De manke usurpator confronteren hun lezers vanuit hun eigen visie met de noodzakelijke bewustwording van de taalwerkelijkheid zoals wij ze in onze dagelijkse communicatie beleven.

Met erkentelijkheid aan em. prof. Ludo Beheydt en aan de auteurs van “De manke usurpator”.

Ghislain Duchâteau

Naar boven


Nog de status van het Standaardnederlands...

Bijkomend commentaar van Ludo Beheydt


In de eerste plaats doet het mij uiteraard genoegen dat u met waardering uit mijn recensie citeert. En het siert u dat u mij uw tekst nog even voor commentaar aanbiedt voor u hem vrijgeeft. Ik voel me dan ook vrij om alsnog wat commentaar te geven.

Voorts zou ik er willen op wijzen dat het hier een recensie betreft, die aan plaatsbeperking onderhevig is waardoor op sommige punten nadere toelichting ontbreekt. Misschien mag ik die hier geven.

Als ik stel dat Standaardtaal en tussentaal geen gelijkwaardige varianten zijn, dan zijn daar nog wel meer argumenten voor te geven dan diegene die ik summier heb genoemd:

1. In de eerste plaats is er ook nog een verschil in communicatieradius.
Dat lijkt mij een bijzonder belangrijk onderscheid: met het Standaardnederlands kan ik zonder verstaanbaarheidsproblemen in het hele taalgebied terecht, van Kortrijk tot Groningen. Dat is dus een heel
verschil met de tussentaal, die over de grens al ondertiteld moet worden (cf. de ondertiteling van Witse, etc.).

2. De tussentaal is slechts een spreektaalvariant, als schrijftaal is de tussentaal nog helemaal niet bruikbaar. Dat bleek maar al te duidelijk toen Geert van Istendael in de krant een ironisch opiniestuk liet verschijnen in een 'diplomatieke' tussentaaltranscriptie en de auteurs van 'De manke usurpator' zich genoopt zagen in de Standaardtaal te antwoorden.

3. De tussentaal is sterk domeingebonden en daardoor erg beperkt. Het lijkt mij nog steeds niet goed mogelijk om over biochemische processen, existentiële filosofie of macro-economie genuanceerd te discussiëren of te
overleggen in de tussentaal. Daarvoor is alleen de standaardtaal geschikt, juist omdat in de standaardvariant de nodige 'elaboration'(Haugen)gebeurd is, die de bruikbaarheid in alle domeinen van het leven garandeert.

4. De tussentaalvariant lijkt me niet geschikt als taalaanbod in het vreemdetalenonderwijs. Als wij het Nederlands aantrekkelijk willen houden voor anderstaligen en voor onze Franstalige landgenoten, dan hebben wij er alle belang bij het Standaardnederlands te blijven verzorgen en te blijven koesteren als de geschikte variant bij uitstek voor onderwijs, beleid en wetenschap.

Voorts blijf ik bij mijn bewering dat "de beschrijving nog steeds in de kinderschoenen staat". Uiteraard is het mij bekend dat er ondertussen vele studies en scripties verschenen zijn over de tussentaal. Zelfs bij mij zijn daar verschillende scripties over gemaakt, en één is zelfs bekroond en uitgegeven en heeft uitvoerig de krant gehaald. Maar al die beschrijvingen hebben nog geen definitieve beschrijving van de tussentaal opgeleverd. Die is voorlopig ook niet te geven omdat de variatie zo groot is dat er eigenlijk niet van een tussentaal sprake is maar van
tussentalEN. Dat was overigens wat ik bedoelde met het 'continuum'. Zolang die tussentaal niet gecodificeerd en genormeerd is kan ze niet als een secundaire standaardvariant worden beschouwd. En zoals we uit de
sociolinguïstiek weten is het standaardiseringsproces een proces van zowat een eeuw volgens Bloomfield. Tegen die tijd is het met het Nederlands al afgelopen, volgens sommige pessimisten.

Nog steeds vind ik het Standaardnederlands het beste emancipatorische instrument. Als wij zowel de nieuwkomer als de dialectspreker volmondig willen laten deelnemen aan het gedeelde betekenisweb van onze cultuur, dan
moet die kunnen beschikken over het instrument dat haar/hem daartoe in staat stelt en dat is de Standaardtaal, de taal van het beleid en de overheid. Ik heb dat verwervingsproces als West-Vlaamse dialectspreker zelf doorgemaakt en er ook de vruchten mogen van plukken. Ik heb het Standaardnederlands altijd als een maatschappelijke hefboom gezien. Wie die variant beheerst wordt maatschappelijk weerbaarder, of hij nu kunstenaar, elektricien, veehouder, leraar of kapper is.

In een recent stuk 'Cultuur in Vlaanderen of Vlaamse cultuur' heb ik het zo geformuleerd:
"In eerste instantie zal de aanwezigheid van grote groepen anderstaligen en etnisch-culturele minderheden een brede actie voor cultuurparticipatie noodzakelijk maken, want het is bekend dat juist etnisch-culturele
minderheden vaak niet participeren aan culturele activiteiten. Taal is daarbij een notoire barrière. Daarom is het noodzakelijk dat de cultuur via de taal toegankelijk gemaakt wordt, zodat alle groepen in de samenleving efficiënt kunnen participeren in het grote betekenispotentieel van de cultuur in Vlaanderen. Daartoe is in eerste instantie een stevig uitgebouwd taalbeleid nodig dat het mogelijk maakt dat alle groepen in de samenleving kunnen participeren in het culturele debat. Dat taalbeleid moet zich met alle middelen richten op het behoud en de verwerving van de
standaardtaal, de enige lingua franca die in aanmerking komt voor de interculturele uitbouw van een gedeelde en gediversifieerde cultuur in Vlaanderen. Het Nederlands is nu eenmaal de taal van het onderwijs, van de media, van het beleid en van het maatschappelijk leven en als wij de anderstaligen echt willen betrekken in de cultuur in Vlaanderen dan is het onze verdomde plicht om die anderstaligen alle mogelijkheden te bieden om zich die taal eigen te maken. De prioritaire taak voor het cultuurbeleid in Vlaanderen is dan ook optimale taalverwervingsfaciliteiten scheppen. Het mooiste cadeau dat de Vlaamse Gemeenschap aan nieuwkomers en anderstaligen kan geven is dat van de Nederlandse taal. Met de kennis van de taal geven we ze het machtigste instrument om volwaardig mee te bouwen aan het betekenisweb waaraan alle leden van de Vlaamse gemeenschap participeren. Als we andere culturen een stem in het kapittel willen geven, als we diversiteit een kans willen geven, dan moeten we blijven
investeren in de promotie van het Nederlands. Dat Nederlands moet niet als een stok achter de deur worden gehanteerd, maar als een sleutel tot participatie, tot interculturele dialoog. Dankzij die taal kan de aanwezige diversiteit in het cultuurlandschap haar volle waarde krijgen. Het zou een jammerlijke keuze zijn om in Vlaanderen in naam van de diversiteit officieel Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur op te richten, wat overigens niet eens mogelijk is als we bedenken dat er alleen al in Antwerpen vierhonderd thuistalen zijn. Zoals in Nederland gebleken is,
leidt curriculair O.E.T.C. te gemakkelijk tot een onwerkbaar multiculturalisme met talige en culturele schotten. Ik pleit dus tegen de multiculturele maatschappij, maar voor de interculturele maatschappij. Uit verzet tegen een provincialistisch reactionair Vlaams particularisme, pleit ik voor een prioritaire aandacht voor de taal in het Vlaamse
cultuurbeleid. Dat houdt niet in de ontkenning van de andere talen en culturen, maar juist de openheid ervoor en erkenning ervan. In het versterken van de openheid voor andere culturen middels een gedeeld interactie-instrument  ligt de toekomst van de gediversifieerde cultuur. In het onderwijs moet ruimte en respect zijn voor de andere aanwezige talen en culturen in de Vlaamse gemeenschap, maar dat onderwijs moet als zijn eerste culturele taak de verwerving van het Nederlands zien. Dat geschenk van de taal waarmee je volwaardig kan functioneren in de
gemeenschap is onschatbaar."

Ik geloof dat ik hiermee de nodige nuancering bezorgd heb, die een beter begrip van mijn positie voor uw lezers mogelijk moet maken.

Ludo Beheydt

Naar boven

Tussentaal in zijn blootje gezet - Ludo Frateur in VVL-IDEEËN - juni 2014

Alle spreken is een pogen, een aanschurken tegen de norm. De norm wordt gegarandeerd door de verzameling van de ervaren en geoefende taalgebruikers. Die laten hun taalgebruik als conventioneel idioom registreren in woordenlijsten en verklarende woordenboeken. Zo kunnen ze in geval van twijfel daaraan refereren.

Het spreken van tussentaal is een voluntaristische activiteit. De taalgebruiker meent dat het in de gegeven omstandigheden niet past rechttoe rechtaan het dialect te spreken en dat het evenmin nodig is radicaal voor het algemeen Nederlands te gaan. Hij creëert zelf een mildere vorm van taligheid die inpast in de zorgeloze, welwillende communicatie van familieleden, kennissen enz. Hij verzamelt daarbij een idioom van opgeschoonde dialectwoorden en uitdrukkingen, van synoniemen van woorden die hij tot een hogere taalkring rekent, van eufemismen enz. Kortom hij gokt op allerlei taalelementen die naar zijn gevoelen het algemeen Nederlands benaderen.
Voor zijn taalexperiment steunt hij – vaak onbewust – ook op het geschreven Nederlands: een hachelijke onderneming. De schrijftaal verschilt immers grondig van het gesproken woord. Ze is een opslagtank van woorden en (wetenschappelijke) termen met een eigen dynamiek. Eertijds was de geschreven taal de neerslag of notatie van het gesproken woord; de spraakmakende gemeente nam steeds het voortouw, bepaalde de norm. Vandaag is de geschreven taal bij uitstek het medium waarin het denken zijn weg zoekt om zich adequaat uit te drukken om dingen en abstracties te definiëren en te omschrijven.

ENGELS!  ONGEGENEERD EN CRU

De Nederlandstalige doet op school een zekere graad van kennis van het Engelse idioom en grammatica op. Hij vult die aan met in de media en van straat op te rapen taalgebruik. De Nederlandstalige in België is dat soort verzamelen van taal door de tijd gewend geraakt. Opeenvolgende regimes en culturele organisaties (invloedsferen) hebben hem hun taalpolitiek opgedrongen. Dat heeft in Vlaanderen geduurd tot in de late jaren zestig van de twintigste eeuw. Vandaag ervaart hij het gebruik van het Nederlands als een zaak van school en administratie: twee voorbeeldfuncties met een eerder geringe x-factor. Dit alles heeft ertoe geleid dat de modale Nederlandstalige zijn zelfbewustheid elders zoekt en zich rebels of vrij of onverschillig opstelt tegenover een Algemeen Nederlands. Al aren geeft hij graag toe aan de massieve druk en de verborgen verleiders van het Angelsaksische taalimperium.

Door zijn historische verspreiding over de continenten is de Engelse moedertaal van de native speakers naar klankkleur, ritme, taaleigen opmerkelijk gaan verschillen. Daardoor kan de Nederlandstalige in de dagelijkse sfeer zijn Engels aanhaken aan (afhankelijk maken van) het Britse of Amerikaanse Engels of zelfs zijn heil zoeken in een mixtum compositum. Zo draagt het al te graag gebezigde Engels – ‘laten we internationaal gaan’ – in Nederland en Vlaanderen extra bij aan de spraakverwarring.


TEN SLOTTE


Het Engels wordt in zijn hoedanigheid van koine (tussentaal) wereldwijd evenzeer als het Nederlands in de Lage Landen als een goudmijn geëxploiteerd voor de persoonlijke expressie. Het is vandaag een pluriform en veelkleurig patchwork geworden dat de taalgebruikers mondiale verbondenheid suggereert. Het wordt hier te lande zo langs zo meer als een volkseigen paralleltaal beschouwd: een evenwaardig, zelfs meerwaardig  alternatief voor de affectieve beleving van de communicatie.

Het Nederlands is in zijn gesproken vorm – zijn we negatief? – de meest veronachtzaamde taal.


Ludo Frateur

IN: VVL IDEEËN Jg. 45 nr. 4, 2013-2014 – april – mei – juni 2014 blz. 6 en blz. 17.

Naar boven

Het Nederlandse taalbeleid - Standpunten van enkele Vlaams-Nederlandse culturele organisaties uit het maatschappelijk middenveld - 22 april 2014

Inleiding

Op 1 april 2014 vond in Brussel overleg plaats tussen Geert Joris, Algemeen Secretaris en stafleden van de Nederlandse Taalunie, en vertegenwoordigers van de vzw Algemeen-Nederlands Verbond, de Vereniging Vlaamse Leerkrachten en de stichting Nederlands.
Ter voorbereiding van dit gesprek hadden de drie middenveldorganisaties een lijst met gemeenschappelijke en enigermate samenhangende standpunten met betrekking tot het Nederlandse taalbeleid opgesteld, die na het mondeling overleg aan de heer Joris en zijn medewerksters werd overhandigd.
Wij besloten deze standpunten bekend te maken bij een groter publiek, om een discussie daarover in het maatschappelijk middenveld op gang te brengen. Zo kunnen deze standpunten verrijkt worden met de meningen van anderen en aldus worden verdiept en uitgebreid. Dit artikel, gebaseerd op het werkstuk uitgereikt aan de heer Joris, is geredigeerd in verband met deze publieke verspreiding.
De standpunten betreffen kwesties die in de Nederlandse en Vlaamse samenlevingen tot discussie en zelfs onrust onder burgers geleid hebben. Voor de gerezen problemen moeten goede en duurzame oplossingen worden gevonden. Deze standpunten pretenderen daaraan een bijdrage te leveren. In het proces speelt de Taalunie een beslissende rol. Middenveldorganisaties kunnen initiëren en ondersteunen. Zij hebben toegang tot kennis, en zij kunnen het draagvlak voor oplossingen vergroten door het mobiliseren van hun achterban. Maar de uiteindelijke beslissingen zijn aan de politiek, en daarvoor is de Taalunie het voorportaal. ...

Lees de hele tekst

 

Naar boven

Reactie van de Taalunie op de standpunten van vzw Vereniging van Vlaamse Leerkrachten, vzw Algemeen-Nederlands Verbond en stichting Nederlands in het artikel “Het Nederlandse Taalbeleid” in V.V.L.-Ideeën (jg. 45, nr. 4, pp. 4-6)

In die reactie worden de volgende thema's behandeld:
I. Het Taalunieverdrag
II. De hoofddoelstelling volgens het Taalunieverdrag
III. Taalvariatie
IV. Nederlandstalig universitair en hoger onderwijs
V. Het watervaleffect
VI. Actuele talige problemen in het onderwijs

I. Het Taalunieverdrag

V.V.L.-Ideeën: Wij willen het Taalunieverdrag beter bekendmaken in binnen- en buitenland en de opvolging en de uitvoering van het Verdrag kritisch volgen vanuit het gezichtspunt van het maatschappelijk middenveld.

De Taalunie juicht het toe dat haar verdrag breder onder de aandacht wordt gebracht en dat de uitvoering ervan kritisch wordt gevolgd door het maatschappelijk middenveld.
De ambitie van de Taalunie reikt vandaag de dag echter verder dan het verdrag. Met het verdrag kreeg de Taalunie de opdracht een verantwoord gebruik van het Nederlands in de samenlevingen na te streven, met name bij de overheid en in het onderwijs. Vandaag de dag gaat het niet meer om een verantwoord gebruik van het Nederlands alleen, maar om het gebruik van het Nederlands in het algemeen. Als we willen dat het Nederlands een volwaardige taal blijft, moet het in alle maatschappelijke domeinen worden gebruikt.
De Taalunie is ervan overtuigd dat taal kansen schept en wil daarom stimuleren dat gebruikers en maatschappelijke sectoren het Nederlands optimaal benutten, zodat het hun kansen vergroot. De Taalunie adviseert de betrokken overheden over hun taalbeleid voor het Nederlands, reikt basisvoorzieningen voor het Nederlands aan en ondersteunt gebruikers en leerders van het Nederlands binnen en buiten het taalgebied.
Wet- en regelgeving is niet het enige en niet altijd het meest aangewezen middel om het gebruik van het Nederlands door mensen en in maatschappelijke domeinen te stimuleren. Het gaat er ook om noodzakelijke voorwaarden te scheppen en op kansen te wijzen. De Taalunie stelt een pragmatisch beleid voor waarin mensen en maatschappelijke sectoren veeleer worden verleid dan verplicht het Nederlands te gebruiken.

Lees de hele tekst

 

Naar boven


Wannie Carstens in het Afrikaans over Afrikaans in Zuid-Afrika en de band met het Nederlands - video




Voor het Taalunietijdschrift Taalschrift interviewde Ben Salemans de Zuid-Afrikaanse prof. Wannie Carstens die een belangrijke rol vervult in zijn land voor de ondersteuning van het Afrikaans. Het interview werd in Brussel afgenomen en gefilmd voor YouTube op 17 november 2010.

Bekijk het filmpje en beluister tegelijkertijd aandachtig wat de professor in keurig Standaardafrikaans vertelt over zijn taal en de band met het Nederlands.

Video 5'37"


 

Naar boven

Vraaggesprek over de Nederlandse taal met Jo Haazen

Vraaggesprek over de Nederlandse taal met Jo Haazen,
Professor Staatsuniversiteit Sint-Petersburg

_____________________________________

Vraag: Waarom bent u zo ontgoocheld door het feit dat we Engelse termen gebruiken voor onze functieomschrijvingen?

AntwoordOmdat onze taal Nederlands is – geen Engels – en omdat het Nederlands sedert eeuwen de gemeenschappelijke taal is van de Lage Landen. Wij hebben een eigen idioom en cultuur, met eigen tradities, eigen waarden en een eigen literatuur. Onze taal is niet minder waard dan vreemde talen, die zich naar gelang hun economische en politieke invloed aan ons trachten op te dringen. Wij laten dat gedwee en ondoordacht gebeuren, waaruit blijkt dat wij niet veel waarde hechten aan onze eigen cultuur en ons graag onderwerpen aan de wensen van een ogenschijnlijk ‘almachtige buur’. Vandaar de spreuk “Wiens brood men eet, diens taal men spreekt”, uiteraard zolang de broodheer overeind blijft…  

Vraag: Kunt u passende Nederlandse omschrijvingen geven van bijvoorbeeld Head of Content, Executive Director, Managing Director, etc.?

Antwoord: Een 'Head of Content' is een 'Bedrijfshoofd', 'Executive Director' betekent 'Uitvoerend directeur' en een Managing Director is een 'Directeur Bedrijfsmenner'. Wij geraakten in de voorbije jaren evenwel aan vele vreemde woorden en termen gewend, doch ik meen dat daar wel enige kanttekeningen bij geplaatst kunnen worden.

Vraag: U wil dat we onze mededelingen in de toekomst voorzien van de tekst ‘For the Dutch the same’. Wat bedoelt u daar precies mee?

Antwoord: Na de Frans-Belgische revolutie van 1830-32 kwamen de Zuid-Nederlandse provincies in de invloedssfeer van Frankrijk. Hierdoor werd het Nederlands in België door de overheid officieel verworpen. De Nederlanden (Zuid en Noord) waren voor omliggende grootmachten te sterk om geduld te worden, doch helaas te zwak om zichzelf tegen buitenlands imperialisme te verdedigen. Na 1832 kon men in België met het Nederlands in de openbare diensten dan ook nergens meer terecht. Alle onderwijsinstellingen werden verfranst en kinderen werden op school zelfs gestraft wanneer zij hun moedertaal durfden spreken. Uiteraard kwam tegen deze culturele genocide sterk verzet, een verzet dat bijna een eeuw duurde. De Vlamingen eisten hun geboorterecht op en hebben vele jaren gestreden om de officiële erkenning van hun moedertaal te verkrijgen. Om aan de culturele genocide van de Franstalige invloedssfeer te weerstaan werd door de Vlaming achter Franse teksten soms de uitdagende spreuk "Pour les Flamands la même chose" geplaatst (voor de Vlamingen hetzelfde), waarmee de minachting van Franstaligen tegen de Nederlandstalige bevolking werd aangeklaagd. Vandaag zitten wij in dezelfde situatie met het Engels. Ook deze taal wil zich vandaag aan de hele wereld opdringen, gedreven door politiek en economisch overwicht. Vele mensen nemen daar gretig aan deel. Engelse woorden klinken immers statig, "cooler". Zij menen op die manier meer indruk te maken, vooral in kudde- of groepsverband. Wie vreemde en/of moeilijke woorden gebruikt acht zichzelf vaak verstandiger, pronkerig en dapper, overeenkomstig het begrip 'macho', dat in het Nederlands 'stoer' betekent. Indruk willen maken is een merkwaardig verschijnsel. Het is een eigenschap waardoor men de onderbewuste moraal van mensen kan bestuderen. Ik vrees evenwel dat wij er in deze studie niet erg ned'rig uitkomen, eerder gefrustreerd door een minderwaardigheidscomplex, wat vaak overeenkomt met een verborgen neiging tot bluf en zelfoverschatting. 
De promotie van een taal is duidelijk politiek. Dat weten de grootmachten al te goed. Zij hebben niet liever dan dat wij ons - ook taalkundig - onderwerpen, waardoor wij in handel, nijverheid en diplomatie steeds een tweederangspositie zullen bekleden. ‘Native speakers’ zijn tegenover derden immers taalvaardiger en daardoor bevoordeeld. De spreuk "For the Dutch the same" is dus een aanmaning voor asociale anglofielen die menen dat iedereen zich aan hun idioom dient te onderwerpen. Alle anderen moeten maar hun plan trekken.   

Vraag: Waarom zet u zich zo in voor de Nederlandse taal? En sinds wanneer? Wat gebeurde er dat u zich hiermee bezig ging houden?

AntwoordIk zet mij graag in voor het behoud en de zuiverheid van onze taal omdat ik van mijn cultuur en mijn geschiedenis houd. Klaar, eenvoudig en duidelijk spreken en schrijven lijkt mij van groot belang. Het bevordert onderling begrip en schept meer aandacht voor elkaar. Dit onderwerp heeft mij steeds geboeid. Verder zijn er in de wereld meer dan vijfduizend verschillende talen, voorwaar een mooie verscheidenheid van idiomen die alle enig zijn. Verscheidenheid maakt het leven boeiend en rijk, vooral wanneer men de zin van deze verscheidenheid begrijpt en ieders eigenheid 'eerbiedigt' – in afwijkend Nederlands 'respecteert'...  

Vraag: Mailt u naar meer bedrijven? Zo ja, welke? Door welk bedrijf was u het meest ontgoocheld?

AntwoordIk houd er niet van mensen op te jagen en schrijf dan ook zelden naar bedrijven over dit onderwerp. Soms wordt het mij evenwel te veel, vooral wanneer ik merk hoe weinig wij om onze eigen taal geven. De verloedering van het Nederlands is sterk merkbaar, zowel in de spreek- als in de schrijftaal. Om niet eens te verwijzen naar het geschrift van de jongste generatie, waaruit weinig eerbied blijkt voor de persoon waartoe men zich richt. Dit heb ik in Japan geleerd. Daar wordt aan het overbrengen van boodschappen een bijzondere aandacht besteed. Door taal en geschrift draagt men immers zijn eigenschappen over op een ander.   

Vraag: Spreekt u in het dagelijks leven ook wel eens mensen aan op het gebruik van Engelse termen?

AntwoordJa, dat doe ik geregeld. Doch mijn - steeds beleefde - opmerkingen worden meestal genegeerd. Men zit nu eenmaal vast in de sleur van gewoonten. 

Vraag: Wat doet u, naast uw inzet voor de Nederlandse taal? Ik las dat u ere-directeur op de Koninklijke Beiaard School in Mechelen bent. Wat houdt dat in? Wat is een beiaardschool precies?

AntwoordDe Mechelse Koninklijke Beiaardschool is een bekend instituut dat gespecialiseerd is in het vormen van beiaardiers over heel de wereld. De school werd tot vier maal toe door de Vlaamse regering uitgeroepen tot 'Cultureel Ambassadeur van Vlaanderen' omwille van haar grote verdiensten voor het onderhoud, de bestendiging en de verspreiding van een typisch aspect van het Vlaams/Nederlands cultureel erfgoed.

Vraag: Hoe ziet een gemiddelde dag voor u eruit?

Antwoord: Een gemiddelde dag ziet er bij mij uit zoals bij de meeste werkende mensen: opstaan, wassen, ontbijten, werken, middagmaal, werken, avondmaal, e-mail berichten schrijven, beantwoorden en wat televisie kijken, slapen… Er is evenwel altijd ruimte om nog andere boeiende dingen te doen zoals, viool spelen, proza schrijven, Indische dansen oefenen, lezen, yoga bedrijven enz.

Vraag: U bent ook professor aan de Staatsuniversiteit van Sint Petersburg. Hoe is dat zo gekomen?

Antwoord: Het was een aanbod van de universiteit zelf om in de Faculteit voor Kunst, afdeling orgel en klavecimbel ook de beiaardkunst te onderwijzen. Dit na het groot welslagen van de schenking aan Sint-Petersburg van een gloednieuwe beiaard in 2001. Ofschoon vooral België en Nederland, met meer dan 320 klokkenspellen, beiaardlanden zijn bij uitstek, toch bestaat deze ‘eigen-aardige’ kunstvorm ook in vele andere streken, waaronder Rusland dat een driehonderd jarige klokkenspeltraditie kent dankzij tsaar Peter de Grote die vanuit Nederland in de 18e eeuw zes beiaarden (carillons) naar Rusland invoerde. Peter de Grote was goed bevriend met Nederland, leerde in Enkhuizen en Hoorn de scheepsbouwtechnieken en leerde er behoorlijk Nederlands. Hij had evenwel ook oog voor de Zuidelijke Nederlanden, waar hij o.m. de steden Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven en Spa bezocht. Overigens, aan de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg bestaat een knappe faculteit voor Neerlandistiek, die ijverig bezocht wordt door jonge Russische studenten die met de taal van Vondel hun toekomst willen verzekeren.  

Vraag: Door wat voor zaken in de wereld bent u nog meer ontgoocheld, naast het onnodig gebruik van Engelse termen?

Antwoord: Ik denk dat het onze inertie is, ons egocentrisme en het onvermogen om onze wakkerheid meer op te voeren. Ook de achteruitgang van de algemene vorming in het onderwijs beroert mij. Ik vergeet nooit de woorden van een voormalig bedrijfshoofd van Sony (Japan) aan wie een vraag werd gesteld over het hedendaags onderwijs in de wereld, waarop de man prompt antwoordde: “Het hedendaags onderwijs behoort tot de meest conservatieve instellingen van deze tijd”. Voor een maatschappij waarin ‘verdienen en verdelen’ belangrijker wordt geacht dan ‘dienen en delen’ – een maatschappij waarin de mens wel eens verlaagd wordt tot verdoofd consumptievee – lijkt mij dit antwoord een uitdagend nadenkertje.  

Vraag: Wat vindt u het mooiste Engelse woord?

Antwoord: Er zijn feitelijk twee Engelse woorden die mijn voorliefde hebben, ‘patience’ en ‘forgiveness’, wellicht omdat ik daar het meeste nood aan heb… Alle talen hebben zulke mooie woorden. In het Nederlands is het ‘geduld’ en ‘vergeving’, wat voor overstoere mensen wellicht te eenvoudig klinkt… I forgive them!

Vraag: Wat vindt u het mooiste Nederlandse woord? 

Antwoord: ‘Minne’ vind ik een bijzonder mooi woord. Het is een heel oud begrip met een rijke inhoud en vele betekenissen, voer voor taal- en andere minnaars…

Vraag: Tegenwoordig zijn veel Engelse woorden gemeen goed in de Nederlandse taal. Welke woorden gebruikt u bijvoorbeeld voor de Engelse termen website, social media, mixer, airconditioning, computer, T-shirt, airbag, barbecue en database?

Antwoord: Ik meen dat wij een voorbeeld kunnen nemen aan onze Zuid-Afrikaanse stamgenoten die eigenlijk tot de Nederlandse taalgemeenschap behoren. Daar streeft men sedert mensenheugenis naar het omzetten van vreemde woorden in zuivere, gelijkwaardige begrippen. Daar heet champagne ‘parelwijn’ en is een website een ‘webwerf’. De versmelting van bepaalde woorden en termen is evenwel een natuurlijk verschijnsel dat wij met een zekere soepelheid dienen te benaderen. Buitenlandse invloeden zijn nu eenmaal niet te vermijden, zeker niet in deze tijd. Dit betekent evenwel niet dat wij ons kritiekloos moeten overgeven aan taalkundig blufpoker onder invloed van politieke, ideologische en economische invloeden die als een pletwals de hele aarde platrijden. Voor mij mag de Engelse term ‘social media’ dan ook gerust vervangen worden door ‘sociale media’, een ‘mixer’ door ‘mengtoestel’, ‘airconditioning’ door ‘luchtzuivering’, ‘computer’ door ‘rekenaar’ (overeenkomstig het Zuid-Afrikaans), een ‘T-shirt’ door ‘T-hemd’, ‘airbag’ door ‘luchtkussen’, ‘barbecue’ een ‘roostermaal’ en een ‘database’ door ‘gegevensbank’.  Hoe waren de woorden ook weer van de Vlaamse dichter Guido Gezelle? “Onze taal is wonderzoet, voor wie haar geen geweld aandoet”.

Met hartelijke groet,

Jo Haazen

Jo Haazen is een Vlaams musicus en een wereldautoriteit op het gebied van de beiaardkunst.
Sinds 2006 is hij professor aan de Staatsuniversiteit van St.-Petersburg.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jo_Haazen

 

Naar boven

Een zondagspak? Het Nederlands in Vlaanderen: gedrag, beleid, attitudes

Dirk Geeraerts*












Een bijzonder lezenswaardig artikel is dat voor wie belangstelling heeft voor het taalgebruik in Vlaanderen. De taalvariatie tussen Nederland en Vlaanderen komt hier heel duidelijk ter sprake. Ook de mogelijke evolutie van de verhouding tussen standaardtaal, tussentaal en dialect en de evolutie van de afstand ten overstaan van elkaar wordt helder in beeld gebracht.
Hoewel het artikel dateert van 2001 is het tegenover de situatie van het gebruik van het Nederlands nu nog voldoende actueel om er een goed houvast aan te hebben.

G.D.

Inleiding

Taalsituaties kunnen op drie niveaus bekeken worden.
- Op het niveau van het feitelijke taalgedrag is de vraag: welke taal of taalvariëteit spreken en schrijven taalgebruikers in welke omstandigheden ?
- Op het niveau van het taalbeleid bekijken we hoe het taalgedrag gestuurd wordt door geëxpliciteerde normen en regels. Daarbij hoeven we niet uitsluitend te denken aan officiële voorschriften: het betreft alle processen waarbij het formuleren van oordelen en het voorhouden van richtlijnen het gedrag van anderen met een min- of meerdere mate van gezag probeert te beïnvloeden. Het kan daarbij dus ook gaan om een specifieke onderwijspraktijk, of om de acties van verenigingen die strijden tegen Engelse leenwoorden of die zich inzetten voor de erkenning van het Nederlands als middelgrote taal binnen de Europese Unie, of bijvoorbeeld ook nog om de huisstijl die een krant er m.b.t. het taalgebruik op na houdt.
- Op het niveau van de taalattitude ten slotte gaat het om de manier waarop de taalgebruikers tegen hun eigen taalgedrag (en tegen de verschillende vormen van taalbeleid) aankijken: hoe waarderen ze de bestaande situatie, en zou uit die waardering afgeleid kunnen worden of de situatiewellicht nog zal veranderen ?

Lees verder

Geeraerts, Dirk. 2001. "Een zondagspak ? Het Nederlands in Vlaanderen: gedrag, beleid, attitudes". Ons Erfdeel 44: 337-344.

_____________

* Dirk Geeraerts is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Letteren van de KU Leuven. Hij behoort tot de
Onderzoeksgroep Kwantitatieve Lexicologie en Variatielinguïstiek.

Naar boven

De heilloze onderschatting van taalonderwijs – Mia Doornaert 24-1-2013

in haar artikel in DS “Slordig onderwijs is sociaal onrecht”


"Als jonge mensen in een lerarenopleiding niet in staat zijn de Atlantische Oceaan op een wereldkaart aan te duiden, dan zegt dat alarmerend veel over het niveau van ons lager en middelbaar onderwijs – uitzonderingen niet te na gesproken.




‘Ik zien a gèren'

Een belangrijke factor daarin is de heilloze onderschatting van taalonderwijs. Je mag van de kinderen niet meer vragen dat ze nog spraakkunst beheersen, en dat ze nog correct schrijven en spreken. Belangrijker is dat ze leren ‘communiceren'. De vorm heeft niet zoveel belang ‘als de boodschap maar overkomt'. Wel ja, waarom dan maar niet meteen alle liefdespoëzie afschaffen, en de boodschap beperken tot ‘ik zien a gèren'?

Breder gezien is het gewoon onzin de vorm en inhoud te willen scheiden. Men kan niet denken zonder woorden, en niet genuanceerd denken zonder een genuanceerde taal. ‘Taal is een handschoen die strak om de huid van de inhoud zit', zei Godfried Bomans terecht, die woordkunstenaar die meesterlijk het hele palet van de taal bespeelde, van lichtvoetige ironie tot filosofische ernst. Dat geldt niet alleen voor de zogenaamde menswetenschappen. Ook voor wetenschapslui geldt dat ze maar echt begrijpen waarmee ze bezig zijn als ze hun werk in een klare taal kunnen toelichten, en zich niet verschuilen achter een duister jargon.

Het is dan ook een schande dat onze scholen nog zo weinig aandacht besteden aan taal. Leraars mogen wel punten aftrekken als in een test Nederlands taalfouten staan. Maar als testen over geschiedenis of aardrijkskunde of welk vak ook wemelen van de taalkemels, dan mag daar niet het rode potlood door. Boodschap: Nederlands hoef je alleen in de taalles min of meer correct te gebruiken, daarbuiten heeft de taal geen enkel belang.

Die verwaarlozing heeft naast een opvoedkundig ook een verstrekkend maatschappelijk belang. De school levert daardoor burgers af zonder weerwerk tegen de al of niet valse profeten ‘die het goed kunnen zeggen'."

N.a.v. het mediadiscours rond de publicatie van het eindrapport
"Onderzoek naar de politiek-maatschappelijke, geografische, historische en economische kennis bij studenten lerarenopleiding secundair onderwijs" - Jan Swerts & Kurt Monten KH Limburg

Naar boven


Omgaan met thuistaal op school

Acht op de tien leerlingen die op een Vlaamse school Turks of Arabisch gebruiken, lopen kans om strafstudie te krijgen. Zo bleek uit een onderzoek van drie Vlaamse universiteiten.  De onderzoekers brengen dit gegeven zelfs in verband met de zwakkere onderwijsresultaten van de leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst. Maar onderwijskoepels verdedigen hun scholen en stellen dat leerlingen op school zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken, ook op de speelplaats, want veel Turkstalige en Arabisch-talige leerlingen spreken thuis geen woord Nederlands. Daar valt veel over te zeggen…

1. Eerst en vooral: wellicht niemand zal betwisten dat Vlaamse schoolteams hun uiterste best moeten doen om leerlingen te ondersteunen in hun verwerving van het Nederlands. Dat Nederlands hebben de leerlingen immers nodig om zichzelf volop te ontplooien op school en daarbuiten, en om hun kansen op maximale ontplooiing in hun verdere leven gaaf te houden. Hoogstaand onderwijs van, en in, het Nederlands is een wezenskenmerk van duurzaam onderwijs.

2. Toch hoeft dat niet per se te betekenen dat er geen plaats of ruimte kan zijn voor de thuistaal van leerlingen. Ten eerste kan een openheid en respect voor de thuistaal van leerlingen hun welbevinden bevorderen. Vlamingen weten meer dan wie ook dat een thuistaal een deel is van je identiteit. Wie zijn thuistaal onderdrukt of bestraft ziet, zou wel eens een wezenlijk deel van zijn identiteit afgekeurd kunnen zien. Positiever uitgedrukt, een school die de thuistaal positief benadert, kan daardoor het welbevinden van leerlingen op school bevorderen. Dat werd onlangs nog eens aangetoond in het onderzoek naar de effecten van het thuistaalproject in Gentse scholen. Internationaal onderzoek wijst bovendien uit dat welbevinden bevorderlijk is voor leren op school. Deze positieve spiraal kan dus bijvoorbeeld op de speelplaats in gang gezet worden: dat is immers de plaats waar de leerlingen uitblazen, zich ontspannen, hun emoties de vrije loop laten, en dat doen jonge mensen nog altijd het best als ze zich op hun gemak voelen, en dus bijvoorbeeld van hun thuistaal (of thuisdialect) mogen gebruik maken.

3. Er wordt wel eens beweerd dat het Nederlands bij leerlingen van een andere etnische herkomst ‘knuffelgehalte’ mist. Als leerlingen op de speelplaats Nederlands spreken, zou dat knuffelgehalte stijgen. Maar als dat gepaard gaat met het bestraffen van andere talen, dreigt Nederlands net een ‘bestraffingsgehalte’ te krijgen, eerder dan een knuffelgehalte.

4. Het argument dat leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst zoveel mogelijk Nederlands moeten spreken omdat ze thuis geen woord Nederlands horen of spreken, klopt niet. Vlaams onderzoek (waaronder doctoraatsonderzoek dat ikzelf begeleidde) wijst uit dat de situatie veel genuanceerder is. Heel veel leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst gebruiken thuis wel Nederlands: ze kijken ook naar Ketnet, ze spreken ook Nederlands (vooral met broers en zussen), ze gebruiken ook Nederlands om te chatten en te surfen op het internet. Precies deze leerlingen zijn vaak meertaliger dan vele van hun Nederlandstalige leeftijdsgenoten.

5. Sommige pedagogen pleiten ervoor dat niet-Nederlandstalige leerlingen ook in de les soms hun thuistaal mogen inzetten als hulp bij het leren in het Nederlands. Zo kunnen ze bijvoorbeeld tijdens groepswerk kort even overleggen in hun thuistaal over een lastige taak, een moeilijk Nederlands woord snel vertalen naar hun eigen taal, informatie opzoeken op een website in hun eigen taal, of een grammaticaregel van het Nederlands vergelijken met de regel in hun eigen taal om er beter greep op te krijgen. De thuistaal wordt dan een hulpmiddel (een steigertje) bij het leren van, en in, het Nederlands. Leerkrachten kunnen hierover heldere afspraken maken met hun leerlingen: wanneer kan het, en wanneer niet? De leerlingen betrekken bij het maken van die afspraken, kan bovendien bijdragen tot de democratische opvoeding van leerlingen, en kan ertoe leiden dat de leerlingen ‘hun’ regels beter eerbiedigen.

6. Om het in termen van duurzaam onderwijs uit te drukken: ruimte geven aan de thuistaal van de leerlingen kan verbindingen creëren, en duurzamer maken, tussen thuismilieu en schoolmilieu, tussen buitenschoolse leefwereld en binnenschoolse leefwereld, tussen kennis verworven thuis en kennis aangeboden op school, tussen leren en leven, tussen emotie en cognitie, tussen leerling en leerkracht, tussen ouders en leerkracht.

7. Nog een stap verder gaat het meertalig onderwijs: daarbij wordt een deel van de lestijden in de thuistaal van de leerlingen gegeven. De leerlingen leren dan bijvoorbeeld eerst rekenen, lezen, of de werking van een hefboom ontleden in hun eigen taal, en maken in een tweede fase de overstap naar het leren in de tweede taal. Dit model is in vele landen in het buitenland ingevoerd en uitvoerig onderzocht. Internationaal onderzoek wijst uit dat dit model enkel goed werkt als er een voldoende aantal jaren in het onderwijs in de eerste taal wordt geïnvesteerd (zodat ook die moedertaal wordt ontwikkeld op voldoende hoog, schools niveau), als er goede lesmaterialen en leerkrachten aanwezig zijn, veel steun van de ouders, en een goede afstemming van het onderwijs in de eerste taal en in de tweede taal.

8. In Vlaanderen gaat de ruimte voor andere talen vooral (of zelfs uitsluitend) naar de vreemde talen die we als vak onderwijzen (Frans en Engels vooral). Ook hiermee starten we in vergelijking met andere landen in Europa vrij laat. Veel andere landen doen al veel vroeger aan talensensibilisering (waarbij leerlingen vanaf kleuterleeftijd positieve attitudes ontwikkelen tegenover alle talen, en het leren van talen), en taalinitiatie (waarbij een vreemde taal op een speelse, kindvriendelijke manier) wordt aangeleerd.

De conclusie voelt wat vreemd aan: Vlaanderen lijkt wel een beetje bang van meertaligheid. Dat is gek voor een regio die in het hart van Europa ligt, en er zelfs de officieuze hoofdstad van is. Een regio die altijd trots is geweest op de talenkennis van haar bevolking. Een regio die met open blik in de wereld wil staan. Een regio die er veel bij te winnen heeft (op sociaal, cultureel, economisch vlak) als haar bevolking heel veel talen vlot kan spreken. Een regio die als geen ander de waarde van een moedertaal voor een mens kan inschatten. Een bruisend kruispunt van talenkennis en talentrots. I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: haar taligheid. Haar MEERtaligheid.

Kris Van den Branden
(prof.  KUL – belast met de Aggregaatsopleiding Nederlands)

Bron: http://duurzaamonderwijs.com/

Naar boven


Opinie over het Nederlands
Prominenten geïnterviewd in De Standaard van zat. 29 zond. 30-12-2012

Peter De Roover, Vlaams-nationalist
“Keihard tégen de N-VA zijn is ook typisch Vlaams’ p.12-14

p. 14.
“Ik voel mij zeer onafhankelijk als leraar. Ik geef les in het technisch onderwijs, in een concentratieschool in Deurne-Noord. En ik doe dat ongelofelijk graag.”

Wat leert u in de klas?
“Dat er geen toveroplossingen bestaan om de problemen van de multiculturele samenleving op te lossen. Maar dat het Nederlands essentieel is om samen een gemeenschap te vormen. Als wij in onze school het gebruik van het Nederlands niet verplichten, krijgen we een etnisering van de speelplaats. Dan spreken de Russen in het Russisch af hoe ze de Albanezen te grazen zullen nemen.”

Moet het gebruik van de huistaal bestraft worden?
Repressie is niet mijn ding, maar we mogen niet te soft zijn. De wereld is niet van marsepein. Ik kan het goed vinden met mijn leerlingen omdat ik hen fundamenteel respecteer, en dat weten ze.”

[Eigen commentaar: jawel, de hele school moet er gewoon aan worden dat er Nederlands gesproken wordt. Hier past “zachte dwang”. G.D.]

Yasmine Kherbache, SP.A-opposante
“Een burgemeester moet een bestuurder zijn, geen commentator” p. 16-18

p. 18.
Heeft u de laatste discussie tussen de N-VA en de kunstensector gevolgd?
Ik heb het opiniestuk van Bart De Wever (N-VA) in jullie krant gelezen, ja.”

Het was volgens sommigen nogal warrig. Begreep u het?
“Euh, ja. (lacht) Ik vond het, euh, wat ik ervan onthouden heb, is dat hij weinig liefde uitstraalt voor kunst en cultuur. Net zoals me in het Antwerpse bestuursakkoord opvalt dat er weinig liefde is voor het Nederlands. Ik vind Nederlands heel erg belangrijk, maar nu wordt het bijna uitsluitend nog gezien als een instrument voor sancties. Daarmee stigmatiseer je die taal helemaal. Die keuze kan ik niet begrijpen.”

[Eigen commentaar: Nederlands, een instrument voor sancties? Die idee spruit voort uit een louter oppositionele politica.G.D.]

Philippe Van Parijs, filosoof
‘Het is mijn taak om te vroeg gelijk te hebben’ p. 26-28

Hij gunt het Nederlands zijn plaats naast eerst het Engels als lingua franca en dan het Frans.

p. 28
“Over de grens kijken leert je afstand nemen van het gepolariseerde discours bij ons’.

Aan Belgische of Brusselse knelpunten is dus niets specifieks?
Toch wel. Anders dan wat in Frankrijk gebeurde, is het onze voorzaten niet gelukt om België op basis van één taal tot een natie te maken. En respect voor de twee grote talen is belangrijk. Maar door dat goed te doen, ontstonden andere problemen. We kunnen daar natuurlijk over jammeren. En ja, solidariteit en democratie zijn gemakkelijker te organiseren als er maar één taal is. Maar het is niet zo, laten we dat oplossen. We kunnen het Tsjecho-slovaakse voorbeeld volgen en splitsen. Dat is een redelijk voorstel. Maar kan het in België? We zijn, onder meer door onze geschiedenis, toch sterk met elkaar verweven. Dus moeten we ons anders organiseren.”
“Door de meertaligheid kreeg de subsidiariteit meer gewicht. Omdat een bevolking het best in haar eigen taal beslist, kregen de deelstaten zeer uitgebreide bevoegdheden. Maar dat stelt nieuwe uitdagingen. Dat Brussel nooit groter kon worden, kwam door het gebrek aan vertrouwen, zoals bleek in de Vlaamse marsen op Brussel in de jaren zestig. Men beseft niet hoe vreedzaam onze communautaire verhoudingen sindsdien zijn geworden: zulke marsen zijn nu ondenkbaar.”

Vandaar uw idee: Brussel moet een drietalige stad worden?
Als Europese hoofdstad moet Brussel het al prominente Engels erkenning geven. Niet om de Wetstraat nu ook officieel een Engelse naam te geven. Brusselaars moeten drietalig-plus worden: Frans, Nederlands, Engels, plus de taal van wie van elders komt. Zo kan Brussel beter zijn Europese rol spelen, maar het is ook een troef voor de Brusselaars zelf.”
“Ik wil daar in 2013 werk van maken met mijn Marnix-plan, genoemd naar Filip van Marnix van Sint-Algdegonde. Hij was raadgever van Willem van Oranje en schreef zowel het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus, als de Pacificatie van Gent, waarin voor het eerst de godsdienstvrijheid werd vastgelegd. Hij was ook twee jaar buitenburgemeester van Antwerpen, en daardoor wordt nu wel eens ten onrechte gedacht dat hij er ooit burgemeester was. Maar het betekende alleen dat hij de militaire verdediging van de stad moest organiseren. En hij was de eerste die pleitte voor meertaligheid en immersie-onderwijs. Het is een schande dat het Brusselse onderwijs daar nog altijd zo weinig aan doet.”

Ziet u het Engels in heel België de gemeenschappelijke taal worden, zoals de historicus Bruno De Wever bij Re-Bel voorstelde?
Hij ging ervan uit dat het Engels nu toch al in heel het land feitelijk de tweede taal is. En dat klopt. Een kabinetschef vertelde me dat de teksten bij een volgende federale onderhandeling in het Engels zullen zijn; dan kan er geen discussie meer bestaan over verschillen tussen de Franse en Nederlandse versies.”
“Ik vind: grab the megaphone!  Gebruik het Engels om gehoord te worden over de hele wereld. Het is ook onze taal. En het is ook nodig om ermee Europa te democratiseren en socialer te maken. Als gevolg van de fiscale en sociale concurrentie in Europa kunnen de nationale welvaartstaten steeds minder doen wat ze tot nu toe niet te slecht hebben gedaan: de herverdeling organiseren. En de politieke capaciteit daartoe bestaat nog niet op een hoger, Europees niveau.”
“Die capaciteit kwam er nationaal niet vanzelf, er was strijd voor nodig. Mobiliseren voor de welvaartstaat vereiste een efficiënte communicatie, en dat kon in de nationale taal. Ook in België, waar het Frans breed verspreid was in de elites van de sociale beweging. Om dat Europees te kunnen doen, hebben we een lingua franca nodig, het Engels.”

Voor dat model is wel politieke wil tot Europese solidariteit nodig?
Een eenheidstaal zal de communicatie verbeteren, en als meer mensen toegang tot de discussie krijgen, neemt ook het vertrouwen toe.” …

Naar boven

 

De rector van de HUB over het Nederlands

Tijdens de plechtige avondzitting ter afsluiting van het project taalontwikkelend lesgeven op 3 oktober 2012 in de Arteveldehogeschool in Gent sprak de rector van de HUB prof. dr. Martine De Clerck over het Nederlands. Haar betoog sluit aan bij de krantenartikels die zowat een maand voordien verschenen n.a.v. de publicatie van De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams van drie sociolinguïsten van de Universiteit Antwerpen. Zij analyseren het gebruik van ‘tussentaal’ binnen het raam van de ‘meerstemmigheid’ van de verschillende taalregisters en zij lijken de norm te relativeren.

Wij citeren hier met haar instemming het kerngedeelte van haar toespraak:

"En dat werkveld (het onderwijs), dames en heren, klaagt. U las daarover ongetwijfeld al over in de media. Denken we hier meer specifiek aan de levendige discussie in de voorbije maand rond het al dan niet tolereren van de ‘tussentaal’, waarbij schrijvers, academici,  leraars, lezers in hun pen kropen om in De Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws te reageren naar aanleiding van de publicatie van De manke usurpator, Over Verkavelingsvlaams. In dit boek analyseren 2 onderzoekers en 1 docent van de UA het gebruik van de ‘tussentaal’ in het kader van de ‘meerstemmigheid’ van de verschillende taalregisters en opteren zij ervoor om de norm te relativeren. Geert Van Istendael, de ontwerper van het begrip ‘Verkavelingsvlaams’ - en die het “een manke usurpator” noemde - die, ik citeer,  ‘mijn taal, het Nederlands, bedreigt, en haar voedingsbodem, het dialect, vertrapt’, reageerde op zijn typische manier in het ‘Brussels’ dialect en legde daarbij de vinger op de zere plek: “Gijle preekt wel emancipatie, maar in feite breekte d’emancipatie”.

Uit de waaier aan verdere reacties onthoud ik nog de volgende uitspraken. Van de tussenkomst van Erwin Mortier zinderen de volgende zinnen na: “maar vooral omdat werkelijke taalverrijking zichzelf maar als verrijking kan verstaan en verder kan cultiveren indien er een taalnorm bestaat waartoe we ons kunnen verhouden, waaraan we ons kunnen meten, waartegen we ons kunnen afzetten, en vooral: waarmee we kunnen spelen” … Hij pleit voor “mentoren die wijzen op de verscheidenheid van de taalregisters, die ze, naargelang van de context, bewonen”.  Van Stefan Hertmans krijgen we de volgende boodschap: “Tussentaal zal altijd bestaan, ze behoort tot de levende taalsituatie en ze bevat heel wat rijkdom, schakering, expressiviteit en uiteraard affectieve lading. Maar ze kan niet als vervanger gaan fungeren van de cultuurtaal en de culturele norm van een taalgebied”.  Verder pleit hij voor “Elke leraar is in de eerste plaats een leraar moedertaal”. Dat is voor hem de enige correcte houding: elke leraar moet het voorbeeld geven. Dimitri Verhulst eindigt zijn artikel met “Het is het minste wat je kan verwachten van een moderne samenleving, dat ze met haar bevolking kan communiceren in een standaardtaal.  Waar anders zou dat verhaal moeten beginnen dan in een leslokaal?”  Een andere lezer merkt op dat “het misschien handig is om over een taalinstrument te beschikken dat je moeiteloos van Wervik tot Groningen kunt gebruiken, of van “Nevele tot Amsterdam”. Luc Van der Kelen wijst terecht op het feit dat inwijkelingen die het integratieprogramma hebben gevolgd soms beter Nederlands spreken. Hij roept op om opnieuw wat meer discipline te hebben.

Ik wil deze opsomming van bedenkingen graag afsluiten met de wijze woorden van Jef Verschueren die een onderscheid maakt tussen taalpraktijk en taalideologie, en ons aanspoort om de publicatie ook te lezen en ons af te vragen waarin de emancipatie dan wel bestaat. De titel van zijn artikel  “Taal laat niet onverschillig” is dan ook een voltreffer!

“Uit al deze citaten distilleren we de volgende kernbegrippen: taalnorm, standaardtaal, taalinstrument, cultuurtaal. De volgende werkwoorden vormen de dynamische vectoren van het taalgebruik: communiceren en spelen in het kader van de volgende aandachtspunten: context en emancipatie.  Al naargelang van de context (privé, entertainment, … ) kunnen we inderdaad spreken van verschillende taalregisters die toelaten dat de meerstemmigheid in haar verscheidenheid verschijnt, waarbij de taal spelenderwijze aan haar trekken komt. In de officiële context (onderwijs, publieke ruimte) echter kan en moet men verwachten dat er andere spelregels gehanteerd worden, waarbij gestreefd wordt om via de standaardtaal zo te communiceren dat het de emancipatorische drijfveer ten goede komt.”

Geachte aanwezigen,

Het taalbeleid van HUB KAHO kadert in dit ruimer emancipatorisch diversiteitsplan. We moeten absoluut vermijden om aan sociale uitsluiting te doen. We willen zoveel mogelijk studenten die het Nederlands niet als moedertaal hebben, de kans bieden om een diploma hoger onderwijs te behalen. Zij leerden onze standaardtaal. Het kan toch niet dat een anderstalige met integratiebereidheid zijn medestudenten of professoren niet zou kunnen begrijpen omdat zij een tussentaal spreken?  

En hiermee hebt u nóg een reden waarom wij zoveel investeren in taalbeleid en taalondersteuning. Meer dan een kwart miljoen euro. En dat doen we door onder meer onze docenten te professionaliseren op het vlak van ‘taalontwikkelend lesgeven’ in een context van innovatie en van  ‘blended learning’. Elke leraar moet het voorbeeld geven, élke leraar. We mogen niet vergeten dat studenten in heel wat opleidingen vandaag noch in hun professionele bachelor- noch in hun masteropleiding taallessen krijgen. Studenten maken bovendien de transfer niet: in de lessen Nederlands weten ze dat ze op hun taal moeten letten, maar ze vergeten dat zeer vaak in de andere lessen, en later op het werkveld. Ze vergeten hun tekst in te delen in alinea’s en logisch te structureren, ze vergeten wat synoniemen en vaktermen aan informatie bevatten, ze vergeten het juiste taalregister te gebruiken.

Ik wil daarom, aan het einde van mijn betoog, graag twee oproepen doen. Mijn eerste gaat naar alle mentoren in de lerarenopleidingen: blijf onze standaardtaal koesteren en wijs uw studenten op de verscheidenheid van de taalregisters die ze bij- of ‘bewonen’, al naargelang van de context.

U allen wil ik oproepen tot nog meer taalliefde, taalfierheid, taalzorg en taalwaakzaamheid." (Martine De Clercq)

Naar boven

 

De voorzitter van het Vlaamse Geneesherenverbond over Nederlands

De start van elk schooljaar begint traditioneel met steeds dezelfde huilende kleuter die manu militari de kleuterklas wordt binnengeleid. Daarna volgt steevast de toekomstige onderwijshervorming voorgesteld door minister Pascal Smet. Hij pleit terecht, zoals zijn voorganger, dat Standaardnederlands (SN) dé norm is in het onderwijs en hij stelt dat wie geen SN kent zich buiten de Vlaamse Gemeenschap plaatst. Dat sommigen nooit de kans hebben gekregen om SN te leren is geen argument om in het onderwijs niet de hoogste norm te hanteren.

Lees de volledige tekst van dr. Jan Dockx in
PERIODIEK, het driemaandelijks tijdschrift van het Vlaams Geneesherenverbond, 67e jg. nr. 4 – okt.-nov.-dec. 2012 VOORWOORD blz. 3.


Naar boven

Interview met Philippe Van Parijs n.a.v. zijn boek 'Linguistic Justice for Europe and for the World'
'De opkomst van het Engels, een noodzakelijk onrecht?'

Meer nog dan het Frans vormt het snel oprukkende Engels een gevaar voor het Vlaamse karakter van Vlaams-Brabant, zegt filosoof Philippe Van Parijs (UCL) in een gesprek over zijn laatste boek Linguistic Justice for Europe and for the World.

Han Renard

Philippe Van Parijs
‘ALLE KINDEREN IN BRUSSEL ZOUDEN MOETEN LEREN LEZEN EN SCHRIJVEN IN HET NEDERLANDS’

Wereldwijd en in Europa wint het Engels razendsnel veld. Geen enkele andere taal kon ooit met meer recht aanspraak maken op het predicaat van internationale omgangstaal. Het Latijn dat in de middeleeuwen voor de zogenaamde lingua franca doorging, werd slechts door een verwaarloosbare minderheid, een piepkleine elite, gesproken. Dat ligt voor het Engels vandaag wel even anders. Vraag is of de groeiende dominantie van het Engels niet onrechtvaardig is tegenover al die andere, kleinere taalgemeenschappen.

Niet noodzakelijk, aldus filosoof en econoom Philippe Van Parijs, hoogleraar aan de UCL, waar hij sinds 1991 de Hooverleerstoel voor Economische en Sociale Ethiek bezet. ‘Het internationale Engels is om te beginnen natuurlijk niet de taal van Shakespeare, en heeft nog heel weinig met de Britse cultuur te maken. Voor ons Europeanen is Global English of Globish vooral een middel om met elkaar en met de rest van de wereld te kunnen praten’, zegt hij, gezeten in de tuin van zijn herenhuis in de Europese wijk in Brussel. Het komt er voor Van Parijs juist op aan de kennis van het Engels zo breed mogelijk te verspreiden.

We moeten de verspreiding van het Engels als nieuwe lingua franca dus toejuichen en aanmoedigen. Maar waarom eigenlijk?

Lees verder

 

Naar boven

Open brief over de standaardtaalnorm bij de VRT - 15 november 2011

Open brief  aan de VRT

Ons verrukkelijke Standaardnederlands is dé norm en moet dé norm blijven bij onze openbare omroep

Woorden wekken, voorbeelden trekken: de openbare omroep moet verstaanbaar zijn voor iedereen. Het taalgebruik van de openbare omroep is  ook van uitzonderlijk belang voor de taal- en attitudevorming van jongeren in en door het onderwijs. Die algemene verstaanbaarheid en die voorbeeldfunctie voor jongeren zijn er alleen door taal te gebruiken die voldoet aan de officiële norm, het Standaardnederlands.


Laten we niet aan de kant blijven staan, maar samen van wal steken om het Standaardnederlands binnen de VRT als norm aan boord te houden en niet alleen tijdens de nieuwsuitzendingen.
Van alle medewerkers van de VRT mag verwacht worden dat zij in de uitzendingen in overeenstemming met het bestaande Taalcharter ons verrukkelijke Standaardnederlands in zijn gaafste vorm en op doeltreffende wijze blijven hanteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de VRT om dat te beslissen. Dat is onze boodschap. Dat wensen wij.

Lees verder

Naar boven

Brabant taalcentrum ?




Toevallig viel mij een overdruk in handen van het artikel van de taalwetenschapper prof. Guido Geerts uit “Forum der letteren – tijdschrift voor taal- en letterkunde 24 (1983) 1 (maart) 55-63” met de titel ‘Brabant als centrum van de standaardtaalonwikkeling in Vlaanderen’.
      




Het is goed af en toe eens terug te grijpen naar vroegere publicaties en de visie van de auteurs eens te toetsen aan de sindsdien geëvolueerde situatie naar nu.

Visie taalkundigen 1983

In zijn inleiding stelt Guido Geerts dat in zijn bijdrage wordt nagegaan hoe Brabant erin geslaagd is een centrale positie in het standaardiseringsproces van het Nederlands in Vlaanderen te verwerven en daarbij de “zwarte-piet’ van het particularisme aan (West-)Vlaanderen door te spelen. Verder wordt de vraag behandeld of Brabant niet steeds al particularistisch is geweest en het nu nog is en wordt ingegaan op die rol die het als taalcentrum in Nederlandstalig België zou spelen. Tenslotte wordt het eigenaardige karakter van dit Brabantse centrum geïnterpreteerd als een kracht die de convergentie van de standaardtaal in Vlaanderen met die in Nederland bevordert. We plaatsen ons daarbij in gedachten uiteraard terug tot aan het begin de jaren 80.

In een eerste deel van zijn tekst stelt Geerts dat zowel in de dialecten als in het Standaardnederlands in Limburg en Oost- en West-Vlaanderen er lexicale invloed van het taalgebruik in Brabant is aangetoond. Daarom wil Jan Goossens tegen de opvatting van prof. Van Coetsem in, Brabant beschouwen als “taaleigen centrum” m.b.t. het Nederlands in België. Brabantse woorden buiten Brabant gebruikt, gelden als manifestatie van “Brabantse expansie” volgens Goossens, in die gevallen waarin die woorden in andere dialecten voorkomen maar ook in die gevallen waarin die woorden in de algemene taal van Vlamingen en Limburgers worden gebruikt. Daarbij is het ook niet onwaarschijnlijk dat de verspreiding van algemene Nederlandse woorden in Limburg en Vlaanderen ook via Brabant gebeurt. Dat is volgens Goossens trouwens ook het geval met Franse leenwoorden en gallicismen. Zo kan Brabant als taaleigen centrum fungeren voor vormen die uit de cultuurtaal in het taalgebruik van Limburgers en Vlamingen terechtkomen.

Brabant heeft volgens Guido Geerts zeker de praktische kracht van een taalcentrum. Het ontleent die aan de sociale, economische, culturele en politieke omstandigheden in Vlaanderen. Het is de provincie van grote steden als Antwerpen en Brussel, van de universiteit van Leuven, van de zetel van het aartsbisdom, van de belangrijke industriële as Antwerpen-Brussel, van de openbare omroep van radio en televisie, van de grote landelijke dag- en weekbladen.  Volgens Geerts bestaat de kans dat op al die gebieden dat verbrabanst Nederlands het medium is dat gebruikt wordt om de rest van het Vlaamse land deelgenoot te maken van de Brabantse overvloed. Hij stelt duidelijk dat Brabant zich daarnaar met grote vanzelfspekendheid gedraagt. Volgens prof. Van Coetsem echter staat Brabant tegenover de Belgisch-Nederlandse rijksgrens en moet het rekening houden met Nederland. Zijn houding is toch wel heel wat minder zelfverzekerd als men had kunnen aannemen. Ook de sociolinguïst Kas Deprez relativeerde de Brabantse positie. Het is daarom een ‘eigenaardig’ taalcentrum binnen het taalgebied. Die onzekerheid manifesteerde zich eerst door een beweging van het Nederlands weg, later geneutraliseerd door een beweging naar het Nederlands toe door standaardtaalovername. Bij een later verworven taalzekerheid van Brabant zou het wellicht  in staat zijn zijn eigen taalgebruik als een norm te gaan beschouwen. Dat zou dan een institutionalisering betekenen van het Brabantse particularisme.

Situatie nu?

In het eerste decennium van de 21ste eeuw zien we die neiging zich duidelijk manifesteren met een zekere expansiedrang naar het westen en minder naar het oosten en een zekere maar toch wel beperkte expansierealisering. Zo zou Brabant dan wél een centrum zijn van het Vlaamse taalgebied. Het lijkt er wel op dat de spraakmakende gemeenschap zowel in West-Vlaanderen als in Limburg zich niet laat meetronen in die expansie, zodat die taalcentrumpositie zich toch niet zonder meer zou kunnen doorzetten. Gebeurt dat dan toch wel weer, dan zou het Brabantse particularisme voor gevolg hebben dat zich in Vlaanderen meer dan een substandaardtaalvariëteit zou vestigen, zodanig dat de grens tussen noordelijk Nederlands en zuidelijk Nederlands in de richting zou opschuiven naar een grens tussen twee talen. Ook José Cajot stelt dat de landsgrens taalgrens kan worden. Zelf geloven wij in de mogelijkheid tot een verdere standaardisering - hoewel moeizamer dan voor de jaren ’70 - door een toename van de noodzaak om communicatieve situaties spontaan en natuurlijk in het Standaardnederlands te laten plaats grijpen. Standaardnederlands past in het publieke domein, in het bestuur en beslist in het onderwijs. Het is de algemene taalgebruiksvorm die het handigst is voor communicatie in zoveel mogelijke spreekcontexten. Het blijft echter boeiend te zien hoe de evolutie van dialectgebruik, tussentaligheid en standaardtaligheid zich verder voltrekt. Wij blijven ervan overtuigd dat Nederlanders en Vlamingen er alle voordeel bij hebben om het Standaardnederlands zoveel mogelijk te cultiveren in de gewone omgang en het is zeker de aangewezen taalvorm voor het hele onderwijs.

Ghislain Duchâteau

24 oktober 2011


Naar boven

Debat rond de "teleurgang van het Standaardnederlands" in Vlaanderen met de essays van Barnard en de replieken

Neerlandica Janien Benaets in haar blog "The Sausige Machine" schrijft over "De teleurgang van het debat over de teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen":

'Sinds vanmorgen (21-10-2011) is op deBuren.eu het door Benno Barnard heropende debat over de teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen uit de lucht. Barnards column met de lijst van reacties is verwijderd. deBuren publiceerde een Motie van treurnis.
Open debatteren op het internet, dat heeft zo zijn consequenties. Constructief of provocatief, van helder nuancerend en argumenterend over kort impulsief tot schofferend: mag het? Het kan niet. ‘Stoorreageerders’ begonnen het forum van de hoogculturele website te besmeuren met woordverhaspelend gelettertetter. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is maar het liedje moet wel proper blijven. Jammer toch, ik zie een gedroomde mooie kluif taalbeschouwing en meer voor mijn neus weggekaapt door de gevestigde orde! Totaal ontnuchterd blijf ik achter…'

Wij blijven het taalpolitiek gekleurd debat boeiend vinden en willen het graag toch bereikbaar houden.

De beide essays van Benno Barnard met een aantal replieken vindt u hier.

Naar boven

Wat er fout is met de zorgelijkheid van Benno Barnard - Pol Cuvelier UA

Benno Barnard maakt zich grote zorgen over het Nederlands in Vlaanderen. Het niveau holt achteruit. Regionaal gekleurd gewauwel verovert de media.  We verzuipen in het Engels.
Hij vreest het ergste, want niemand lijkt zich te verzetten. In Vlaanderen (en Nederland, en Duitsland, en Spanje, en Frankrijk, en ....) zie je inderdaad steeds meer Engels. Er valt niet naast te kijken. Het is nog net te pruimen dat onze vliegvelden helemaal Engels geworden zijn - handig voor buitenlanders - maar Engels kleurt nu ook de universiteiten, grote winkels en zelfs de affiches van de jeugdvereniging. Dat heeft iets irritants: er is geen directe reden te verzinnen waarom de communicatie zou verbeteren nu er zoveel Engels gebruikt wordt.
Barnard heeft nog meer gelijk: de beheersing van de Nederlandse standaardtaal is vaak huilen met de pet op. Sommige jonge studenten en afgestudeerden hebben grote moeite om zich precies uit te drukken. Ze behelpen zich met rare parafrases of vage benaderingen. Ze rekenen erop dat hun luisteraars en lezers het voor de rest zelf maar uitzoeken. Dat is een zorgelijke ontwikkeling: allerlei interessante inzichten, creatieve ideeën en spannende opmerkingen komen nooit bij het publiek. Barnard heeft ook gelijk over de waarde van standaardtaal. Dialect, regionaal Nederlands en standaardtaal zijn in de dagelijkse omgang inderdaad niet uitwisselbaar. Zo wordt Standaardnederlands door de meeste mensen nog steeds geassocieerd met deskundigheid. Standaardtaal niet regionaal: je kunt er overal mee terecht. En het is een prima middel voor individuele sociale mobiliteit en ontwikkeling. Taalpolitici die jongeren het recht ontzeggen om goed Standaardnederlands te leren beheersen, schieten dus tekort: dat is voor Barnard en voor mij duidelijk.

En toch.

Lees verder...

Naar boven

Een pijnlijke vaststelling, de verdringing van het Nederlands

Arno Schrauwers uit zijn teleurstelling bij zijn afscheid als voorzitter van de
Stichting Nederlands

Ergens tussen 14 april 2002 (sN-nieuwsbrief nr.8) en 16 januari 2003 (sN-nieuwsbrief nr. 9) ben ik voorzitter geworden als opvolger van Wim Jansen, aanvankelijk als a.i., maar dat adjectief is er gaandeweg vanaf gesleten. Nu juli 2011 houd ik het voor gezien. Dat betekent niet dat ik geen hart meer
heb voor de Nederlandse taal, maar dat ik tot de slotsom heb moeten komen dat ik er niet in geslaagd ben het Nederlands als belangrijk thema op de Nederlands(talig)e kaart te zetten. Individueel zeggen Nederlanders dat ze het bezit van de eigen taal op hoge prijs stellen, maar in de praktijk blijkt daar er weinig van. Het Nederlands staat onder druk. Op steeds meer plaatsen moet het Nederlands wijken voor het Engels. Dat gebeurt soms met toestemming van de controlerende macht, maar vaker nog door weg te kijken. Het volk laat zich weinig horen.

Toen minister Ritzen in 1993 voor de tv verklaarde dat Engels een prominentere plaats aan de Nederlandse universiteiten zou moeten krijgen, brak er een storm van protest op. Hoe haalde die malle man het in zijn hoofd? Een Twentse hoogleraar besloot zelfs bij wijze van ongenoegen zijn college in het Frans te geven om de waanzin van Ritzens uitspraak aan te tonen. Er kwam, mede op initiatief van D66-prominent Aad Nuis (De Geweldige, volgens Jan Blokker, die Ritzen bestempelde als kwek) een taalclausule in de wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs, die bepaalde dat Nederlands de voertaal is aan de Nederlandse universiteiten. Ritzen mompelde dat hij verkeerd begrepen was.

Geenszins. Een kleine twintig jaar later is het Nederlands uit grote delen van de academische urriculae
verdreven en bestaat een hoogleraar in Nijmegen het een student te verbieden haar eindscriptie in het Nederlands te schrijven (en daarin gelijk krijgt van de beroepscommissie van de universiteit). Op een brief van de stichting Nederlands aan het ministerie van onderwijs, waarin zij stelt dat zulks in strijd is met de taalclausule, antwoordt de plaatsvervangend secretaris-generaal van onderwijs dat de Radbouduniversiteit zich netjes aan de wet houdt. De wet kent uitzonderingen en de universiteit had keurig opgeschreven dat bij de bewuste eindtermen de eindscriptie in het Engels geschreven diende te worden. Niks aan de hand dus, oftewel hoe het ministerie de uitzondering de regel laat worden. Zonder blikken of blozen. Geen Kamerlid dat zich daar druk om heeft gemaakt.

In het kielzog van de universiteiten rukt ook het Engels op de middelbare scholen en op de basisscholen op. Op honderden middelbare scholen in Nederland wordt in het Engels les gegeven. Een gesubsidieerde organisatie, het Europees Platform, krijgt alle ruimte dat aantal nog verder op te voeren. Aanvankelijk ging het alleen nog om vwo-opleidingen en kwamen alleen 'excellente leerlingen' daarvoor in aanmerking, maar inmiddels zijn daar ook havo's en zelfs enkele vmbo's bij gekomen. Onlangs adviseerde de Onderwijsraad, voor welk adviesorgaan de marginalisering van het Nederlands niet snel genoeg lijkt te kunnen gaan, de minister om basisschoolleerlingen een eindtoets Engels af te nemen. Dat voorstel had de warme 'support' van de minister van onderwijs. Eerder had diezelfde Onderwijsraad aangeraden om al in de eerste groepen van de basisschool leerlingen les in het Engels te geven. Die vreemde raad kwam tot die conclusie na de constatering dat de kennis van vreemde talen in Nederland achteruit is gegaan. Vervolgens rolt daar dan een voorstel uit dat juist die taal voortrekt, die geen enkele moeite heeft zich in alle poriën van de Nederlandse samenleving te vestigen. De voorganger van de huidige minister vond dat een prima idee van de Onderwijsonraad.

Het eerdergenoemde Europees Platform beweert, gesubsidieerd, dat Engels als lestaal de ontwikkeling
van het Nederlands bij de tweetalig opgeleide middelbarescholieren niet in de weg zit. Dat is klinkklare
nonsens. Meer Engels betekent minder Nederlands. Vooral doordat universiteiten steeds meer op het
Engels overschakelen, dreigt er een elite te ontstaan die in het Engels is opgevoed en in het Engels denkt. De vergelijking met de franskiljons, verfranste Vlamingen, in België in de negentiende en twintigste eeuw dringt zich op. De nieuwe klasse van de angelskiljons zal geen bijdrage leveren aan het onderhouden van de eigen moerstaal. Het Nederlands dreigt daardoor intellectueel onthoofd te worden.

De taal is het gemeenschappelijk bezit van een volk en als dat volk de taal bij het grofvuil wenst te
zetten, wie ben ik dan dat volk op de vingers te tikken? Het proces van taalverdringing ziet er echter niet uit als een bewuste beweging van fanatieke angelskiljons. Zelfs grote voorstanders van de verengelsing als D66-er Pechtold zegt het beste voor te hebben met het Nederlands.

Mantra

De overdaad aan Engels op de Nederlandse universiteiten (dan hebben we het niet eens op de volledig Engelstalige university colleges) wordt beargumenteerd met de volslagen domme mantra dat "Engels nu eenmaal de taal van de wetenschap is." Goed 150 jaar is Nederlands de taal geweest waarmee studenten de wetenschap werd bijgebracht. In die periode hebben Nederlandse wetenschappers het er niet slecht van af gebracht, ondanks hun 'handicap' van de Nederlandse taal. De grote Nederlandse wetenschappers als Lorentz, Zeeman, De Vries en Van der Waals schreven hun proefschrift gewoon in het Nederlands. Het taalargument van de universiteitsbestuurders lijkt daarmee op zijn minst wankel. Het lijkt er eerder op dat er meer Engels moest komen om bedrijfseconomische redenen (buitenlandse studenten brengen meer geld op dan Nederlandse). Uit de Kamer is nauwelijks enig protest te horen.

Taaltrots is de Nederlander vreemd. Dat riekt te veel naar nationalisme en bruine bewegingen. Taal is
echter een rijk bezit, waarvan de (ook economische) waarde nauwelijks is te meten. Het is vreemd dat Nederlanders zo achteloos met hun taal omgaan en zich kennelijk nauwelijks bewust zijn van dat rijke bezit. Ik wil Vlaanderen niet idealiseren, daar zijn de eerste angelskiljons ook al opgedoken, maar daar vindt wél een serieuze discussie plaats over meer Engels op de universiteiten. Ook daar is er een sterke pro(-Engels)beweging, maar die moet met de billen bloot, anders dan in Nederland, waar overtreding van de wet wordt gedoogd en er hoegenaamd geen discussie heeft gewoed over de zin en, wat mij betreft vooral, onzin van meer Engels in het Nederlandse onderwijs.

Er is, op instigatie van de ChristenUnie, een proces op gang gezet om Nederlands in de grondwet te
verankeren. Of dat proces nog vaart heeft valt moeilijk waar te nemen, maar het opnemen van een apart regeltje in de grondwet zal de taalverdringing die plaatsvindt niet stuiten. Dat is aan de bezitters van de taal, de Nederlandstaligen. De stichting Nederlands is ooit opgericht om de Nederlanders en Vlamingen bewust te maken van wat er aan de gang is en ze aan te zetten tot verzet. Verzet tegen het marginaliseren van de eigen taal. Ik heb niet de indruk dat de stichting daarin is geslaagd getuige ook de grote stilte in de Kamer en de media na het taalverbod (het verbod van het gebruik van de eigen taal) dat opgelegd werd aan een Nederlandse studente. Daar acht ik mezelf (mede)verantwoordelijk voor, vandaar dat ik aftreed als voorzitter.

De stichting Nederlands was niet mijn idee. Er zijn genoeg organisaties die zich met taal
bemoeien/bezighouden vond ik, maar waar zijn ze? Waar is het genootschap Onze Taal, die zich met trots de grootste taalvereniging ter wereld noemt? Waar is de Taalunie, die constateert dat het Nederlands er nog nooit zo goed heeft voorgestaan als nu? Waar zijn de neerlandici, de professionele 'minnaars' van het Nederlands? Waar zijn al die protestanten als er weer eens met de spelling geknoeid worden (die ze valselijk voor taal verslijten)? Ik hoor ze niet. Zie ik dan spoken? Ik zou het wel willen in dit geval, maar ik vrees dat dat niet waar is. Nederlandstaligen let op uw taal. Het is een te kostbaar bezit om te verkwanselen...

Arno Schrauwers bij zijn afscheid als voorzitter van de stichting Nederlands

http://www.stichtingnederlands.nl/afscheid.pdf

Naar boven

Taal in de klas.
Het Standaardnederlands in onderwijsleersituaties - prof. em. dr. Frans Daems

In de klas zijn er veel raakpunten tussen communicatie en instructie. Uit communicatie-oogpunt doen zich aan de leraar of docent verschillende vragen voor. Normalerwijze is het Standaardnederlands de taalvariëteit voor het onderwijs en we weten ook dat de marges van wat we als standaardtaal opvatten, verbreden. Wanneer we wensen dat leerlingen of studenten kennis van en vaardigheid in de standaardtaal verwerven, moeten we als leraar of docent zorgen voor een behoorlijk taalaanbod en oefenmogelijkheden in die taalvariëteit. Hoe gaan we er dan mee om wanneer leerlingen of studenten in de les spontaan een jongerentaalregister, tussentaal of dialect spreken en zich zo van de standaardtaal distantiëren? Hoe reageren we als anderstalige leerlingen of studenten met elkaar spontaan in een vreemde taal communiceren? Verbieden we dat of gebruiken we het als opstap naar versterking van hun Nederlands? In een bevraging onder 360 studenten lerarenopleiding bleek de grote meerderheid het oneens met de uitspraak “Allochtone leerlingen mogen tijdens groepswerk in hun eigen moedertaal overleggen” (Van den Branden & Verhelst, 2009, p. 113*). De onderzoekers registreerden soortgelijke opvattingen bij kleuterleidsters (o.c., p. 114). In het belang van leerlingen en studenten is het wenselijk dat een onderwijsinstelling een gezamenlijk coherent, consistent en genuanceerd standpunt inneemt. Zo’n genuanceerd standpunt houdt in dat de keuze voor een bepaalde variëteit functioneel bepaald wordt door de aard van de situatie. Dat betekent dat Standaardnederlands de voertaal is in alle onderwijsleersituaties, maar ook dat leerlingen of studenten evenzeer als leraren en docenten weten in welke situaties een andere taalvariëteit of taal functioneel zijn.

Prof. em. dr. Frans Daems

Elke leraar is taalleraar. Een referentiekader voor taalbeleid in de larenopleiding p. 16.
In: Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. BOUWSTENEN VOOR TAALBELEID, Plantyn 2010.


* Van den Branden, K. & Verhelst, M. (2009). Naar een volwaardig talenbeleid. Omgaan met meertaligheid in het Vlaams onderwijs, in Jaspers, J. (red.), De klank van de stad. Stedelijke meertaligheid en interculturele communicatie, Leuven/Den Haag: Acco, 105-137.

Naar boven

 

Taalkundig manifest. Het Multiculturele Voordeel: Meertaligheid als Uitgangspunt

Nu de idee voor 'meertalig onderwijs' heel levendig aanwezig is bij de Vlaamse onderwijsminister Pascal Smet is het goed daarover eens grondig na te denken. Dat kan hier op basis van het Taalkundig Manifest dat terug te vinden is van in augustus 2008 op de website van de Rijksuniversiteit Groningen en dat opgesteld werd door vier eminente taalkundigen
- Hans Bennis, directeur Meertens Instituut, Amsterdam;
- Guus Extra, hoogleraar Taal en Minderheden, directeur van Babylon, Centrum voor Studies van Meertaligheid in de Multiculturele Samenleving, KUB, Tilburg;
- Pieter Muysken, hoogleraar Talen en Culturen van Latijns Amerika, Universiteit Leiden, en winnaar van de Spinozaprijs 1999;
- Jacomine Nortier, Universiteit Utrecht; coördinator van het NWO-onderzoekprogramma Talen en Culturen in het Utrechtse Lombok en Transvaal.

Een kritische benadering van de tekst is wel gewenst.

We lichten vooraf een kernfragment uit de tekst waarin een uitgesproken andere taaldidactiek wordt bepleit in functie van de multiculturele klassen op school.

"Dit alles neemt niet weg dat er op dit moment sprake is van een te geringe beheersing van het Nederlands bij veel allochtone leerlingen. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs moet er structurele aandacht zijn voor het feit dat grote groepen leerlingen niet het standaard Nederlands als eerste taal hebben. Er moet allereerst doelgericht onderwijs zijn voor allochtone leerlingen in de vorm van Nederlands als tweede taal. Dit is een expertise die specifieke scholing vereist. Op het gebied van de didactiek van het vak Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs valt nog veel te verbeteren. Het onderwijs zou daarnaast in brede zin moeten uitgaan van een meertalige situatie. Het onderwijs in zaakvakken als aardrijkskunde en biologie zou zo georganiseerd moeten zijn dat het aansluit bij meertalige en multiculturele klassen, en niet alleen bij leerlingen die een (standaard-) Nederlandstalige achtergrond hebben. Dit vereist een interculturele didactiek voor de zaakvakken; leraren zullen moeten worden bijgeschoold om zich deze nieuwe benadering eigen te maken; de opleiding van docenten moet worden veranderd; nieuwe leermethoden zullen beter moeten worden geïmplementeerd of nog moeten worden ontwikkeld; de toetsing zal moeten worden aangepast. Al deze elementen vragen om een nationaal werkprogramma van de overheid."



Naar boven

 

2011: het jaar van het juiste woord -
pleidooi voor het gebruik van woorden in hun juiste betekenis en context in het Nederlands

Is het onwetendheid, domheid, kwade wil of gewoon gebrek aan zelfrespect? Wanneer je erop begint te letten stoot je bijna voortdurend op ergerlijke staaltjes van semantische verwarring die vrijwel onopgemerkt maar niet zonder gevolg je dag verkleuren. In een interview spreekt een manager over ‘de filosofie van zijn bedrijf’, alsof filosofie ook maar iets met de onderliggende, uiteraard winstgevende doelstellingen van die firma te maken zou hebben. In een bericht over het optreden van jonge vandalen wordt bijna altijd over ‘radicale jongeren’ gesproken, alsof hun ongecontroleerd extremisme en hun gratuite vernielzucht hetzelfde zouden zijn als een radicale opstelling die mensen de moed geeft, naar de wortels, radices, van een probleem te gaan. Radicalen proberen inderdaad het tij ten goede te keren en zullen hun strategie aanpassen aan de mate van repressie die de gevestigde machten uitoefenen om dat te verhinderen, terwijl extremisten, zoals de Israëlische auteur Amoz Oz terecht schreef, altijd wel een voorwendsel zullen vinden om geweld te plegen. Voorts verwart men bijna dagelijks, ook in zogenaamd intellectuele kringen, gelovige moslims met fanatieke islamisten, asielzoekers met profiteurs, en, zwart op wit, overtuigde Vlamingen met egoïstische etnische chauvinisten.

Wanneer studenten in het middelbaar of hoger onderwijs dergelijke blunders begaan, betalen ze daar de prijs voor. Wanneer hun professoren in boeken, artikels en opiniestukken gelijkaardige, ideologisch gekleurde fouten maken, verliezen ze geen punten. Hetzelfde geldt voor politici, opiniemakers, journalisten en tv-lolbroeken waarvan veel te velen zich regelmatig schuldig maken aan de verwaarlozing van de taal, waartegen Confucius al in zijn Analecta streng had gewaarschuwd: wanneer de woorden slordig worden gebruikt, verdwijnt op termijn ook het respect voor de wet en de cultuur en gaat een beschaving ten onder. Natuurlijk is een democratie onvermijdelijk zowat de vruchtbaarste grond voor het opschieten van al dit semantisch onkruid, maar juist omdát we deze vrijheid van meningsuiting, anders gezegd dit recht op het maken van vergissingen en het uitkramen van onzin, inclusief het beledigen van alle medeburgers zonder onderscheid zo hoog in ons vaandel voeren, moeten we meer dan ooit op onze tellen passen. Wat de vrije communicatie in een democratische samenleving betreft, is er geen hoger gezag dat over ons kan of mag waken, ‘ni dieu, ni césar, ni tribun’, en dat is een ongelooflijke vooruitgang op elk vorm van betutteling door om het even welke autoriteit. Ook de Vlaamse emancipatiebeweging heeft bewust daartoe bijgedragen. Wie dat ontkent, kent zijn geschiedenis niet of wil ze niet kennen. Het is echter een privilege dat we kunnen verliezen, indien we deze hard gewonnen vrijheid niet gebruiken om ons vertoog zo zuiver mogelijk te voeren. ‘Vlaenderen, let op u tael’: verdedig ze niet alleen tegen het Frans of Engels, maar op de eerste plaats tegen de semantische delinquenten in eigen huis.

Ludo Abicht* [Sprekershoek]

In Doorbraak, vrijmoedig maandblad – februari 2011 02 blz. 15.

* Ludo Abicht is een Vlaamse filosoof, publicist, dichter en activist

Naar boven

Taalschrift - Archief|Discussie

Tijdschrift over taal en taalbeleid

Wij leiden u via de volgende koppeling rechtstreeks naar de archiefpagina Discussie van Taalschrift.
U bereikt hier via doorverwijzing meer dan 70 discussieteksten vooral rond aspecten van het Nederlands, die in Taalschrift verschenen van 21 mei 2003 tot nu (juli 2010).

http://taalschrift.org/discussie/


Naar boven

Brasschaatse Gouden Erepenning toegekend aan prof. Jozef Devreese

Taal meer is dan een technisch middel tot communicatie

Publicatie: 11 juli 2010

Dr. Johan Ghoos - Voorzitter Davidsfonds Brasschaat

Op de Vlaamse feestdag werd de tweejaarlijkse Brasschaatse Gouden Erepenning toegekend aan prof. Jozef Devreese voor zijn culturele prestaties. De jury waardeerde zijn polyvalentie en belangenloze inzet op verschillende culturele gebieden.

Vooreerst is er zijn belangrijke bijdrage bij de realisatie van het Metzler-orgel in de O.L.V.-kathedraal van Antwerpen. Vervolgens voor het boek "Wonder en is gheen wonder" door J.T. Devreese over Simon Stevin dat hij tezamen met G. Vanden Berghe publiceerde en inmiddels in het Engels en in het Japans is vertaald.
En tenslotte vooral omwille van zijn strijd tot het bevorderen van het Nederlands als basisonderwijstaal voor het hoger onderwijs en het gebruik van het Engels als onmisbare werktaal van de wetenschap. Indien een wetenschapper van zijn formaat dit bepleit, is het gewicht des te groter.

Terecht stelt prof. J. Devreese dat de kwaliteit van de wetenschap primeert en de taal meer is dan een technisch middel tot communicatie, want diep verweven met de identiteit, het denken en de cultuur van de mens.

Prof. em. dr. Jozef Devreese is lid van de Werkgroep Taal en Onderwijs van het VVA.

Naar boven



Leerlijnen in de lerarenopleiding

Leren in het platte vlak: taalonderwijs van punten langs lijnen naar ruimte... Kees de Glopper:
klik hier

Hoe Hilde Van den Bossche in haar lerarenopleiding leerlijnen ontwikkelt voor grammatica als deel van taalbeschouwing e.a.
Haar voordracht op een didactische lenteconferentie: klik hier

 

Naar boven

Spreek Frans, Joëlle

Elio Di Rupo? Het is waar, de man zijn kennis van het Nederlands is belabberd en te vrezen valt dat daar geen verandering in komen zal. Daar steekt geen kwade wil achter, Di Rupo heeft wellicht gewoon het talent niet voor die taal. Uiteraard zou het handiger zijn indien drietaligheid de norm was in dit land, uw en mijn en ieders intellectuele horizont zou er aanzienlijk mee verbreden op de koop toe (al zegt iets me dat zulks de zorg is van weinigen). Maar, en ik hoor dat zo zelden, het hebben van een talenknobbel lijkt mij in de politiek ondergeschikt aan het bezit van politieke inhoud en vakbekwaamheid. Ik waardeer de moeite voor het Nederlands van Joëlle Milquet en Laurette Onkelinx enorm, echt waar, maar eigenlijk heb ik liever dat ze Frans spreken. Omdat ze in die taal nuanceringen weten te leggen. Politiek is een te ernstige aangelegenheid om er zich matig in uit te drukken.

Dimitri Verhulst
31-5-2010

Omhoog

"De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal. Themabijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van maandag 9 mei 1994" boekpublicatie Kon. Ned. Ac. van Wetenschappen op het internet beschikbaar

Een oudere publicatie kan een verbazend gehalte aan inhoud hebben en daardoor actueel blijven.
Met die idee vestigen wij uw aandacht op deze publicatie.

Thijmen Koopmans is de redacteur.

De digitale bibliotheek der Nederlandse letteren (dbnl) maakt het boek in 2009 op het internet toegankelijk. Klik hier

 

Overzicht van de inhoud:

- W.P. Gerritsen Inleiding
- E.H. Kossmann Het probleem in de historische wetenschappen
-
H.W. von der Dunk Het probleem in de historische wetenschappen Commentaar op E.H. Kossmann
-
C.J.M. Schuyt De problematiek in de gamma-wetenschappen
-
J. Breman De problematiek in de gamma-wetenschappen Commentaar op C.J.M. Schuyt
- J.J.M. Beenakker De situatie in de beta-wetenschappen
-
K. Bakker De situatie in de beta-wetenschappen Commentaar op J.J.M. Beenakker
-
M.V. Storme De visie van een Belgisch jurist
- J.M. Polak De visie van een jurist Commentaar op M.V. Storme

- H. Steinmetz Het perspectief vanuit het buitenland
-
H.W. Bodewitz Het perspectief vanuit het buitenland Commentaar op H. Steinmetz
-
T. Koopmans Samenvatting

Omhoog

Taal in de Vlaamse medische wereld - Dr. Karel Seghers in Periodiek juli 2009

Taal in het algemeen

Taal is het belangrijkste communicatiemiddel tussen personen en groepen, b.v. bevolkingsgroepen, zo heeft elk volk of elke groep van volkeren zijn taal, zijn eigen taal, wij Vlamingen, Zuid-Nederlanders, het Nederlands.

Opdat een taal haar rol zou kunnen spelen moet zij in de eerste plaats duidelijk zijn. Dat hangt van verscheidene factoren af: het woord, de zin, de uitspraak/schrijfwijze.

Het woord moet wel omschreven begrippen dekken, zo niet komt men tot misverstanden, denken wij b.v. aan het woord “aardig” in Noord en Zuid.

Daarenboven dienen de woorden te worden geplaatst in begrijpbare, logisch opgebouwde zinnen; dit vraagt zeker voor de gesproken taal gewoonte, oefening beginnend op school, nog beter thuis (met de paplepel !!!!!).

In duidelijk taalgebruik speelt juiste, uniforme terminologie een belangrijke rol ; hier komen wij op terug wanneer wij het hebben over de medische wereld.

Van het grootste belang is de uitspraak; de invloed van het dialect is hier belangrijk en dat is begrijpelijk, kan zelfs verrijkend zijn: luister maar eens naar Maastrichtenaars onder elkaar, zuiver dialect, en de Maastrichtenaars met een “vreemde”, wat een keurig Nederlands. Maar in Vlaanderen speelt de verkavelingstaal, noch vis noch vlees, een belangrijke, ongunstige rol.

Taal moet niet alleen duidelijk zijn maar ook verzorgd. Elke aangesprokene mag dit verwachten, het is een vorm van beleefdheid tegenover de andere. Maar het is ook een natuurlijke vorm van zin voor eigenwaarde. Dit laatste begrip staat de laatste decennia onder druk; een zekere slordigheid uit zich in alle aspecten van de samenleving, ook in de taal: in het zuiden uit dit zich in de slordige, stijlloze verkavelingstaal, in het noorden in de inslag van de gangbare dialecten van de randstad Holland (of gewoon slordige taal).

Stijlvolle taal getuigt van cultuur, meer dan een net pak en gepoetste schoenen. Reeds tussen de twee wereldoorlogen werd gedroomd van en gedacht aan de Vlaamse gentleman, die keurig Nederlands spreekt, voor een gedeelte ingegeven door de gedachte in te gaan tegen de toenmalige en nog bestaande gedachte dat Frans spreken, zelfs Brussels Frans, van stijl getuigt. De Vlaming meent veelal dat hij een verzorgde taal zo maar uit zijn mouw kan schudden, wanneer hij het wil en nodig heeft: dat is een grote vergissing. Beschaafde taal is een dagelijkse opgave en gewoonte, ik zou bijna zeggen oefening, en dat in de meest verschillende omstandigheden en met personen van de verschillende lagen in de maatschappij.

Om dat doel te bereiken is niet alleen wil nodig, maar ook strategie, en heeft men best ook een voorbeeld. Tot het begin van de zestiende eeuw werd het Nederlands gevormd door het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant; illustratief is de grote invloed van deze twee gewesten bij het opstellen van de Dordtse statenbijbel. Met de scheiding der Nederlanden is de invloed van het zuiden teloorgegaan en hebben wij de vroegere plaats nog niet heroverd. Wij dienen te aanvaarden dat sedertdien de evolutie van het Nederlands in het noorden wordt bepaald; door dat in te zien en onze mogelijkheden te gebruiken, kunnen wij langzaamaan weer invloed verwerven; een gebrekkige is geen voorbeeld voor een lange afstandsloper.

Taal in de Vlaamse medische wereld

Om dit punt op de juiste manier te belichten is een korte geschiedkundige uiteenzetting gewenst.

Lees verder

Omhoog

Interview met de taaladviseur van de VRT en hoofdredacteur van Van Dale Ruud Hendrickx


'Stop met klagen! Het gaat prima met onze taal'



© Ivan Put

'Mensen die klagen over taalverloedering, zijn geen echte taalliefhebbers', zegt Ruud Hendrickx ferm. Toch weten de kankeraars hem altijd wel te vinden. Behalve taaladviseur van de VRT is Hendrickx nu ook hoofdredacteur van de Dikke Van Dale.

Ruud Hendrickx laat de woorden verzorgd zijn mond uitglijden. Om zijn lippen hangt een schelmse grijns. 'Ik kan nergens komen of het gaat over taal. Meer zelfs: ik kan mijn kop niet laten zien of er wordt geklaagd over taal. Op den duur is dat vervelend, jazeker wel. Want er is toch meer in het leven dan taal alleen.' Hendrickx leunt diep achterover. Hij zet zijn blik op 'geslagen hond' en hij zucht. Al heeft hij al dat taalgekeuvel wel zelf gezocht natuurlijk.

Al meer dan tien jaar is Ruud Hendrickx taaladviseur bij de VRT. Al meer dan tien jaar spreekt hij journalisten en presentatoren erop aan als ze het Nederlands in de ether geweld aan doen. 'En neen, dat voelt niet aan alsof ik als een schoolmeester met mijn opgeheven vingertje sta te zwaaien. Ik doe aan kwaliteitsbewaking. De VRT heeft aan de overheid beloofd om zijn taal te verzorgen in zijn programma's en ons product moet op peil blijven. (trots) De VRT is trouwens de enige omroep in Europa die een taalbewaker in dienst heeft.'

Het gevolg van Hendrickx' nobele streven is wel dat 'taalliefhebbers' vlot de weg vinden naar zijn e-mailadres. De mailbox van de taalman puilt uit van de berichten van verongelijkte kijkers en luisteraars. Over Engelse leenwoorden in het journaal. Over de 'slordige' uitspraak van de radio- en televisiepresentatoren. Over dialectwoorden en foute zinsconstructies in talkshows. Over de 'botjes' van Peter Van de Veire en de 'straffe madammen' van Yasmine in Zo is er maar één. Kortom: over taalverloedering bij de openbare omroep.

'De mensen die zich daarmee bezighouden, zijn geen echte taalliefhebbers', zegt Hendrickx droog. 'Een echte taalliefhebber bekijkt zijn taal met liefde. Die zegt: “Goh, wat zit dat toch allemaal mooi in elkaar,. Die accepteert dat er verschillende soorten Nederlands zijn en dat die allemaal recht van bestaan hebben. Echte taalliefhebbers focussen niet op wat er misgaat, want er gaat ook zoveel goed met taal. Liefhebbers van schilderijen lopen toch ook niet de hele tijd te sakkeren in het museum. Neen, die gaan rustig voor een schilderij staan en laten het op zich in werken. Ze genieten ervan.'

U lijkt zich op te winden. Ergert u zich aan die klachten?

'Vaak wel, want die klagers hebben het zelden bij het rechte eind. Ze gaan uit van hun eigen idee van hoe een taal moet klinken. Als ze merken dat andere taalgebruikers anders met de taal omgaan, plaatsen ze hun stempel: taalverloedering! Niemand noemt het een verbetering, het is altijd taalverloedering. Maar taal is dynamisch, ze is in beweging en verandert. Wat zouden mensen die honderden jaren geleden Nederlands spraken, vinden van ons Nederlands? Dat is pure verloedering vanuit hun standpunt. Daarom mijn oproep aan al die zogenaamde taalliefhebbers: hou op met al dat geklaag! Het gaat prima met onze taal! We spreken nog altijd Nederlands en dat zal de komende vier-, vijfhonderd jaar niet veranderen. En bovendien: bij de VRT heb ik het voor het zeggen als het over taal gaat.'

Dat klopt, en de nieuwslezers en presentatoren van de openbare omroep moeten de standaardtaal gebruiken. Dat staat zo in het taalcharter van de VRT dat u hebt opgesteld. Waarom bent u zo streng in eigen huis?

'De standaardtaal is het enige register van het Nederlands dat geschikt is om voor een zo groot mogelijk publiek te gebruiken zonder dat je de aandacht naar de taal trekt in plaats van naar de inhoud. Standaardtaal is het neutraalste. Gebruik je iets anders, dan zal eerder je taalgebruik opvallen dan wat je aan het zeggen bent. En dat moet je vermijden. Uit het onderzoek dat wij hier doen, blijkt elke keer dat nieuwslezers en presentatoren pas vertrouwen uitstralen als ze standaardtaal spreken. Als ze dat niet doen, geloven kijkers en luisteraars hen niet.'

Zijn de normen toch niet een beetje aan het verschuiven? Iemand als Peter Van de Veire gebruikt toch woorden uit de tussentaal in zijn programma's?

'Je moet een belangrijk onderscheid maken: gebruikt iemand niet-standaardtalige elementen omdat hij niet beter weet of gebruikt hij die bewust. Als je het eerste doet, is er een probleem. In het tweede zie ik geen graten. Ik weet dat Peter Van de Veire heel intensief met zijn taal bezig is. Als hij vindt dat hij het woord 'botjes' moet gebruiken in plaats van 'laarsjes', heeft hij daar een reden voor. Dan begrijp ik dat. Als hij 'bottekes' zegt omdat hij niet beter weet, is dat iets heel anders. Of neem Yasmine. Als ze Zo is er maar één presenteert, doet ze dat meestal in zeer verzorgde standaardtaal. Maar ze laat soms met een hele vette knipoog, recht in de camera, haar taalniveau zakken. Ze doet dat zeer bewust, ze speelt met de taal. Dat is helemaal wat anders dan dat je alles in tussentaal zou presenteren.'

U hebt deze maand een bijdrage geschreven voor Ons Erfdeel. Daarin lees ik: 'Laat jongeren gerust tussentaal spreken.' Pardon?

'Van mij mogen jongeren zoveel tussentaal gebruiken als ze willen. Als ze maar - en dat is belangrijk - op school ook standaardtaal leren. Het heeft geen zin om tegen tussentaal tekeer te gaan. Tussentaal roei je niet uit, ertegen vechten is pure negatieve energie. Jongeren zijn daar ook veel coulanter in dan ouderen. De generaties komen wat dat betreft meer en meer tegenover elkaar te staan. De oudere Vlamingen, die soms nog hebben moeten vechten om hun taal te mogen spreken, vinden het heel erg dat de standaardtaal verdedigd moet worden. Terwijl jongeren zeggen: “Ach, laat maar waaien,. Voor hen is het Nederlands een vanzelfsprekendheid en dus gaan ze er slordiger mee om. Maar laat jongeren maar tussentaal spreken onder elkaar, laat ze sms'en en chatten in wat voor Nederlands dan ook, als ze ook nog maar standaardtaal kennen. Ik denk trouwens wel dat er ook bij de jongeren weer een tegenbeweging zal komen. Dat zij - of hun kinderen - op een bepaald moment toch weer nood zullen krijgen aan meer standaardtaal.'

Gaat de beheersing van de standaardtaal bij jongeren erop achteruit?

'Het hangt ervan af hoe je dat bekijkt. Het slaagpercentage van onze stemtest bij de VRT zakt nog altijd. Daaraan merken we dat de uitspraak van jongeren erop achteruitgaat. Blijkbaar vinden ze dat zelf niet zo belangrijk en leren ze het ook niet meer op school. Anderzijds schrijven jongeren nu veel beter. Hoe ze dingen verwoorden... dat is stukken beter dan vroeger. Jongeren voelen zich duidelijk meer vertrouwd met standaardtaal. Ze zijn creatiever en minder krampachtig met taal en de meesten schrijven hele prettige stukken. Maar de spreektaal, ja, die wordt heel informeel.'

Als jongeren massaal de uitspraak niet meer zo belangrijk vinden, moet er bij de VRT misschien meer ruimte komen voor verschillende accenten. Taalverandering hou je niet tegen, zegt u zelf.

'Dat zou kunnen. Niemand kan voorspellen hoe het Nederlands over vijftig jaar zal klinken.'

Bent u dan niet bang dat u iedereen zult moeten ondertitelen? Nederlanders krijgen nu al haast standaard ondertiteling op hun buik.

'Misschien net niet, omdat we het dan meer gewend zijn al die accenten te horen. In de ons omringende landen wordt toch ook niet ondertiteld?'

Waarom doet de VRT het dan?

'Dat vraag ik me soms ook af.'

Van u mogen jongeren tussentaal spreken, als ze ook maar de standaardtaal kennen. Uw collega taalexpert Joop van der Horst schreef in 'De Groene Amsterdammer' dat de standaardtaal te moeilijk is en dat we niet van iedereen een goede taalbeheersing kunnen verwachten. Net zoals niet iedereen 'minister, chirurg, laborante of damkampioen' kan worden.

'Dat is zo. Je kunt je ook afvragen of het wel nodig is dat iedereen standaardtaal kent. Zogenaamde taalliefhebbers maken die fout ook altijd. Ze verwachten dat iedereen dat kleine stukje superverzorgd Nederlands beheerst. Maar dat is niet voor iedereen bereikbaar en dat is ook niet nodig, vind ik. Als nooit van jou wordt verwacht dat je een traktaat schrijft, waarom zou je dan die hele woordenschat beheersen om traktaten te schrijven? Veel mensen hebben nooit de kans gekregen om standaardtaal te leren. Ik vind het denigrerend om mensen daarom te veroordelen.'

Verwacht u van de dokter of advocaat dat hij standaardtaal tegen u spreekt?

'Dat is iets anders, dat is een zaak van elementaire beleefdheid. Als ik standaardtaal spreek tegen iemand in de openbare ruimte, verwacht ik een antwoord in correct Nederlands. Misschien is dat een dada van mij en een puur emotionele reactie, maar ik ben de klant. Ik vind niet dat ze altijd standaardtaal moeten spreken, maar wel als ze het tegen mij hebben. Laatst was ik in een winkel in Brugge en de dame aan de overkant weigerde Nederlands tegen mij te praten. Ze bleef doorgaan in het Brugs. Dat kan niet, ik verstond haar gewoon niet.'

Misschien heeft die vrouw geen talent om standaardtaal te leren?

'Ze sprak wel Engels en dus moet ze ook standaardtaal kennen. Als je Engels kunt spreken tegen mij, kun je ook Nederlands spreken. Dat hoeft niet perfect te zijn, maar de beleefdheid vereist dat.'

Sinds deze maand bent u behalve taalbewaker van de VRT ook de Vlaamse hoofdredacteur van Van Dale. Wat gaat u doen bij Van Dale?

(Hendrickx glundert) 'De Van Dale maken! Zo simpel is het.'

En wat houdt dat in?

'Een hoofdredacteur bepaalt wat er in het woordenboek komt: de woorden die worden opgenomen, de woorden die eruit moeten, wat er over die woorden gezegd wordt. Ik heb al een lijstje klaar van Vlaamse woorden die ontbreken. Op den duur ontwikkel je daar een zesde zintuig voor. Ik herken ze meteen. Dan denk ik bij mezelf: “Hmm, ik moet toch eens checken of dat wel in Van Dale staat., En dan zoek ik dat op en meestal staat het er niet in.'

Hendrickx zet zijn computer aan. Hij klikt naar een document waarin een reeks vergeten Vlaamse woorden staat. 'De idiootste woorden ontbreken. Pletwals bijvoorbeeld. In Nederland zeggen ze daar stoomwals tegen, al komt er vandaag niet veel stoom meer aan te pas. Onze strijdplaats bij de verkiezingen staat er niet in. Ook de foertstem ontbreekt. Net zoals de babyborrel, de btw-carrousel, de enkelband van de veroordeelde, de sperperiode, het relanceplan, de schrootpremie... Je ziet, voorbeelden genoeg!'

U gaat dus de Vlaamse belangen verdedigen bij Van Dale. Mooi zo.

'Verdedigen is een verkeerd woord. Onze belangen moeten niet verdedigd worden, want Van Dale is een verklarend woordenboek. Het noteert enkel welke woorden mensen gebruiken en gaat daarbij uit van een gelijkwaardige behandeling van alle soorten Nederlands. Alleen is er door feitelijke omstandigheden een achterstand in het Vlaamse materiaal. De redactie zit in Utrecht en heeft daardoor veel minder toegang tot Vlaamse bronnen. De Standaard kunnen ze boven de Moerdijk bijvoorbeeld wel lezen, maar ons reclameblaadje of lokale gemeenteblad niet. En dus staan woorden waar niets mis mee is er nog niet in, gewoon omdat ze nog niet 'ontdekt' zijn door de redactie van Van Dale. Van Dale beseft dat er een inhaalbeweging nodig is en daarom ben ik er nu.'

Bent u een machtig man, nu u (taal)baas bent van de VRT en van de Dikke Van Dale? U beslist als het ware hoe wij moeten spreken, of niet?

'Neen, want ik ben een beschrijver van de taal. In welke zin zou ik machtig zijn? Denk je dat heel veel mensen ineens hun taalgebruik omgooien omdat er in Van Dale iets staat of omdat de nieuwslezer van het journaal het anders zegt? Neen, ik maak geen wetten. Wat ik zeg, verschijnt niet in het Staatsblad. Je krijgt geen boete als je iets doet wat mij niet aanstaat op taalgebied.'

'Van Dale spreekt geen waardeoordeel uit. Hij zal nooit zeggen: “Dit of dat woord mag je niet gebruiken,. De tijd dat woordenboeken dat konden, is voorbij. Wat Van Dale doet, is zoveel mogelijk informatie aanreiken, zodat een taalgebruiker zelf kan beslissen. De Van Dale vermeldt bijvoorbeeld dat bepaalde woorden enkel in Vlaanderen gebruikt worden. Dan beslist de spreker zelf wat hij met die informatie doet.'

'De VRT is een normverspreider. Wij laten horen dat standaardtaal niet per se stadhuistaal hoeft te zijn, dat je ook een prettige, informele babbel in de standaardtaal kunt voeren. Dat is heel wat anders dan dat ik zou zeggen: “Dit mag je zo niet noemen, Vlaming,. Wat ik wel zeg als taalbewaker, is: 'Wij bij de VRT noemen dat niet zo, VRT'er'. Maar wie ben ik om de taal vast te leggen voor zes miljoen Vlamingen? Dat zou pas hautain zijn.'

D. I.

23 mei 2009

Omhoog

Minderheidstale - verdwynende tale: Die gedagtes van 'n bittereinder - prof. dr. Ampie Coetzee
13-5-2009 (in het Afrikaans)

Prof. dr. Ampie Coetzee

Dit is ons lot dat ons in dié tyd moet leef waarin ons geleidelik die inheemse tale van Suid-Afrika as onderwystale gaan sien sterf. Tale sterf; maar ons het nooit kon dink dat dit by ons sou gebeur nie.

Suid-Afrika is 'n meertalige land; maar meertaligheid beteken nie gelykheid van tale nie. Die Grondwet spesifiseer dat alle tale gelyk sal wees. Dis natuurlik onmoontlik in 'n land met elf tale; en dit moes van die begin af gesê gewees het. Tien van daardie tale is Afrika-tale, met Afrikaans as die taal met verlangs nog 'n Europese verbintenis – die ideale taal vir 'n nasie van Afrika en Europa, en sonder koloniale verbintenis. Maar ek wil nie Afrikaans verheerlik nie. Dis te laat. As tale nie gelyk kan wees nie, sou dit miskien die beste gewees het as die taal van die meerderheid die landstaal word, soos byvoorbeeld Zoeloe of Xhosa. Maar ons is gekoloniseer deur Brittanje, en waar kolonisering vanuit Europa gekom het, word die taal van die koloniseerder die sterkste taal; dan het dit niks met meerderheid of minderheid te doen nie.

Bron: LitNet SeminaarKamer - mei 2009

De beschreven toestand met de verengelsing in Zuid-Afrika van de universiteiten is in zekere mate en tot op zekere hoogte vergelijkbaar met wat zich in Nederland en Vlaanderen kan voordoen in het hoger onderwijs. De druk tot verengelsing van de Vlaamse universiteiten en hogescholen is bijzonder hoog.

Omhoog

Onderzoek "Jongeren & de Nederlandse taal"

N.a.v. dit onderzoek schreef Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de Taalunie de volgende tekst:

AAN DE JONGEREN ZAL HET NIET LIGGEN

Verloedert onze taal omdat jongeren geen moeite zouden willen doen om ze goed te beheersen? Geenszins, vindt LINDE VAN DEN BOSCH. Jongeren vinden 'goed Nederlands' wel belangrijk, maar alleen wanneer het ertoe doet.

Bijna alle jongeren in Nederland en Vlaanderen vinden het belangrijk om goed Nederlands te kunnen spreken en schrijven. Dat blijkt uit onderzoek. Verloedert onze taal omdat jongeren geen moeite zouden willen doen om ze goed te beheersen? Absoluut niet.

De Nederlandse taal is, zoals alle levende talen, voortdurend in beweging. En het gaat soms snel! Nogal wat volwassenen hebben de indruk dat het 'correct gebruik van de taal' dat ze twintig of meer jaar geleden hebben meegekregen op de lagere en middelbare school, stilzwijgend is afgeschaft. Destijds met veel moeite geleerde regeltjes over het gebruik van woorden en uitdrukkingen, lijken te zijn vervallen. Woorden die de leerkracht met rood onderstreepte, staan nu zonder gêne in het woordenboek.

Nogal gauw stelt men dat 'tegenwoordig alles mag' en dat je met deze mentaliteit geen taalbewuste jongeren kweekt. En intussen staat het Engels te dringen, zo is de algehele indruk, om het over te nemen op vrijwel elk gebied: dat van de wetenschap, het bedrijfsleven, maar net zo goed de ontspanning en de populaire cultuur. Daar moet de taal toch wel aan onderdoor gaan…

Heeft deze sombere visie enige grond onder de voeten? Om dat te weten hebben de Nationale Jeugdraad en het Vlaamse onderwijsblad Maks! samen met de Nederlandse Taalunie onderzocht of er bij jongeren inderdaad signalen zijn die wijzen op desinteresse, nonchalance, onkunde of op een negatieve houding tegenover correct taalgebruik. Daarvoor hebben ze een enquête uitgevoerd onder bijna tweeduizend Nederlandse en Vlaamse scholieren. De resultaten daarvan zijn op z'n zachtst gezegd belangwekkend.

Een overgrote meerderheid van de ondervraagden gaf aan het 'belangrijk' of 'heel belangrijk' te vinden om goed Nederlands te schrijven, zowel in een sollicitatiebrief, als in een tekst voor school of werk of een brief aan een bedrijf. Bijna iedereen vindt het even belangrijk om goed Nederlands te spreken tijdens een sollicitatiegesprek.

Onlogisch is dat niet. Dit soort geschriften en gesprekken dient om jezelf te verkopen en daarvoor zet je je beste beentje voor. Maar dat jongeren zich dit goed realiseren, is een signaal dat ze zich wel degelijk bewust zijn van de functies van taal. Ze tonen, misschien meer dan vorige generaties, het vermogen of op z'n minst de wil om hun taalgebruik aan te passen aan de omstandigheden. Dat wijst op een gevoel voor 'taalregisters'; verschillende stijlen of niveaus in het taalgebruik. Die kies je als je beseft dat een taal niet alleen dient om een boodschap over te brengen, maar ook om iets prijs te geven van jezelf als spreker.

Dat ze minder op hun taal letten tijdens een discussie op school of in een gesprek in een winkel, zou nog kunnen wijzen op gemakzucht. Maar vrijwel iedereen antwoordt dat er in het algemeen met volwassenen op een andere manier wordt gesproken dan met vrienden. Als het noodzakelijk is, willen jongeren dus goed spreken en schrijven, maar als het er minder toe doet, gaan ze soepeler om met taal.

Jongeren geven ook massaal aan dat ze wel degelijk goed Nederlands willen leren. Ze vertrouwen daarvoor op hun leraren, ze gebruiken woordenboeken en de spellingcontrole op hun computer, ze lezen om hun taal beter te leren beheersen en ze vinden het zelfs niet erg als ze door klasgenoten worden gecorrigeerd als ze iets verkeerd uitspreken.

Dat is een gezonde houding. Jongeren vinden taal belangrijk voor de manier waarop ze functioneren in de samenleving. Leerkrachten met een moderne visie zien het als hun taak daarop in te spelen en leerlingen te helpen die de verschillende taalregisters willen leren bespelen. Het opdringen van één vaststaand normbesef volstaat niet meer. De taalleerkracht moet de leerlingen helpen hun taalgehoor en taalgevoel te scherpen en ze leren om hun taal aan te passen, niet alleen aan de regels uit de boekjes, maar vooral aan de mensen en de omstandigheden waarin ze hun taal willen hanteren.

Linde van den Bosch - Nederlandse Taalunie

Dinsdag 28 april 2009


Omhoog

De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen - Benno Barnard 15-10-2008


Tweewekelijks schrijft Benno Barnard over de wereld die hem dierbaar is, in de wetenschap dat het lijk van de moderniteit ons dreigt te verpletteren.

 

De teleurgang van het Nederlands in Vlaanderen
opgedragen aan Herman Jacobs

In Vlaanderen was de toestand vroeger deze: de burgerij sprak Frans, met wisselende hoeveelheden haar op ; flamingantische intellectuelen, schrijvers allereerst, drukten zich in een ietwat plechtstatig, met bladgoud overtogen Nederlands uit; en volksmensen spraken een diep dialect, dat voor bezettende troepen en de inwoners van een dorp drie boogscheuten verderop geheel abstruus bleef.

Na meer dan honderd jaar van Vlaamse emancipatie is de situatie als volgt geëvolueerd: bijna iedereen spreekt slecht Nederlands, zelfs menige schrijver; de kennis van het Frans is naar een haast Hollands niveau afgezakt; en de meeste dialecten zijn zieltogend, zo niet morsdood. De televisie moet iedere tweede Vlaming ondertitelen, wat niet echt op een massaal succes van de Vlaamse Beweging wijst, en al even verschrikkelijk is de ondertiteling van Nederlanders, ook als ze zeer beschaafd spreken.

De drie rampzaligste jaartallen in de Vlaamse geschiedenis zijn 1585, de Val van Antwerpen, 1830, het verjagen der Hollanders, en 1989, de stichting van de Vlaamse Televisiemaatschappij. Geert van Istendael zei dit onlangs en die heeft altijd gelijk. VTM is de doodsteek voor het beschaafde Nederlands; die louter op winstbejag gestoelde onderneming heeft de Vlaamse volksmens van ieder contact met het noorden beroofd, hem opgesloten in zijn parociale benepenheid en hem gestijfd in de gedachte dat wat hij zelf spreekt ook in de grote wereld een geschikte vorm van communicatie is. Die gewetenloze schoften van VTM hebben de Vlaamse emancipatie gesmoord in een drab van domheid en wantaal, waar ik aan toe moet voegen dat tegenwoordig ook een deel van de VRT zijn uiterste best doet om het volk zo achterlijk mogelijk te houden.

In de oude toestand, die ik als kind nog heb meegemaakt, leefden de meeste mensen in een creatief spanningsveld tussen een gaaf dialect - een taal zonder een leger en een vloot dus - en het algemeen Nederlands, de taal die als vehikel van de beschaving, de traditie en de wetenschap diende, en als dusdanig bezig was het Frans te vervangen; daarnaast leerde men de taal van Jacques Brel nog altijd op een peil dat vanuit het heden beschouwd niet goed meer valt voor te stellen.

Vlaanderen is dus alles kwijtgeraakt.

In die omstandigheden is het mogelijk geworden dat ook vertegenwoordigers van de elite met het dialect dwepen, een fenomeen dat nog wordt versterkt door de pandemische, uit frustratie en luiheid voortvloeiende afkeer van Nederland, die mij meer dan wat ook in dit land met droefheid vervult. Weliswaar moet dat dialect als Lazarus uit de dood herrijzen, maar het is volkseigen, nietwaar, het borrelt in de darmen van de Vlaming, het is zijn boer, zijn scheet, zijn lichaamseigen akoestiek. En zo komt het dat mensen links en rechts dialectlessen volgen. Daar zou ik niets op tegen hebben, gesteld dat iedereen goed Nederlands kende, maar op dit punt in de geschiedenis is het een rampzalige ontwikkeling.

En dus moeten anderstaligen in Brugge in het kader van hun integratie maar Brugse dialectlessen volgen; geen hond in die stad praat immers uit eigen beweging Nederlands. Het is inmiddels een beruchte casus, die de totale ineenstorting van de Vlaamse emancipatiebeweging symboliseert: een au fond reactionaire verheerlijking van de volkstaal, die uiteindelijk zal verhinderen dat mensen ooit nog tot de elite toetreden. Aldus zinkt dit gewest geheel in zijn eigen provinciale taalprut weg.

De slotsom is een paradox: vroeger onderdrukten de Franstaligen het Nederlands, wat een heilzaam effect bleek te hebben op het Nederlands; thans onderdrukken de Vlamingen zelf het Nederlands, wat fatale gevolgen blijkt te hebben. Nu nog een eigen republiek met Bokrijk als hoofdstad.

Benno Barnard
Bron: Knack blogt – 15 oktober 2008

Tijdelik kunt u de reacties lezen op Benno Barnards stukje: klik hier .

Uw webmaster kon het toch niet nalaten hier zijn eigen reactie aan toe te voegen.

Benno Bernard vergeet daarbij nog te vermelden dat de leiding van de universiteiten en hogescholen omwille van ongeldige en onaannemelijke redenen het Nederlands willen verkwanselen als instructietaal in het hoger onderwijs en het systematisch willen vervangen door een bepaalde soort Engels en dat tegen de wens van de grote meerderheid van de Vlaamse studenten in.

Het stukje van Benno Bernard is een diverterend stukje dat met veel snedigheid de reële taalsituatie in Vlaanderen aan de kaak stelt. Uiteraard overdrijft de schrijver schromelijk en dat ook in de titel. Het Nederlands in Vlaanderen wordt inderdaad aangetast van diverse kanten, maar het is springlevend als algemene gebruikstaal in het onderwijs en in het openbare leven. De degelijke kwaliteit van het Nederlands van de nieuwslezers op de officiële radio en televisie zijn daar een goed voorbeeld van. Het talenbeleid van de onderwijsminister moet sterk de beheersing van het Standaardnederlands in de scholen van laag tot hoog in de hand werken.  Het nagenoeg veralgemeend gebruik van het Standaardnederlands in de dagelijkse omgang in het Oosten des lands in steden en gemeenten spreekt de tendens van Benno Bernard in zijn stukje tegen.

Laten we optimistisch blijven. Onze standaardtaal is hét communicatiemiddel bij uitstek om in heel Vlaanderen en op alle niveaus op een verfijnde en adequate manier met elkaar om te gaan.

G.D.

Omhoog

Haagse snor

'Ik verzet mij tegen de irrationele anglofilie. Men laat het uitschijnen alsof men zonder het Engels nergens meer komt.' (Alex Vanneste in De Standaard, 13 maart 2008)

Een oer-Hollands stel, de zestig ruim voorbij. Hij, rijzig en graatmager, draagt een zorgvuldig geborstelde snor met omhoogreikende punten. Dat moet ooit indruk hebben gemaakt. Vandaag lopen zulke snorren alleen nog met carnaval op straat, maar dat heeft hij nog niet in de gaten. Zij is klein en behulpzaam. Met een servetje springt ze overeind wanneer hij met een beverige hand een lepeltje ei naar zijn mond brengt. 'Kijk nou toch uit', fluistert ze en kijkt schielijk achterom naar het tafeltje waar de enige andere gast zit, ik.

Het Haagse pension probeert net zo gezellig te zijn als thuis. En dat lukt aardig, al hangen er aquarelletjes met paarden die galopperen door schuimende golven. De dame die het ontbijt verzorgt, is moederlijk. Ze kwakkelt naar de gasten en vraagt met een Hollands accent:

- Everything oké?

- Fine, thank you. But could we have some more toast? Not too hardly roastered, please.

- Sure.

Pension-Engels. Als er Britten aan het ontbijt hadden gezeten, met krullende tenen, dan zou je ze kunnen troosten met de gedachte dat hun taal allang niet meer van hen alleen was. Dat er buiten het Britse, het Amerikaanse en het Australische Engels ook nog een wereld-Engels is ontstaan. Of preciezer: duizenden uitheemse Engelsen. Zoals hier de versie van Den Haag.

Wat fijn dat onze taal dat geweld niet wordt aangedaan, kun je denken. Als al die buitenlanders niet alleen de uitspraak van onze moedertaal, maar ook onze grammatica en onze woordenschat nog eens naar hun hand en mond gaan zetten, dat kan ons kwetsbaar Nederlands niet hebben. Maar je kunt ook denken: het wordt dan wel een bastaardtaal, en bastaarden zijn sterk.

Waar ik me meer zorgen over maak: het gemak waarmee middenstanders in Nederland ervan uitgaan dat hun klanten Engelstalig zijn. In horecazaken zal het meer gebeuren dan bij slagers en bakkers, maar je krijgt vaak de indruk dat het Nederlands stilaan buiten de norm valt. En al helemaal als ze horen dat je een Belg bent. Dan durven ze je in 't Frans aanspreken. Of wat ze voor Frans houden.

Als het Nederlands ergens niet meer gebruikelijk is, is het er straks misschien niet meer welkom. Dat lijkt me voor de toekomst van onze taal een kwalijker evolutie dan de gewoonte om met Engelse woorden te strooien in een of ander jargon. Want het idee dat je in het Nederlands je brood niet meer kunt verdienen, dat is een zware hypotheek.

Zo ver zijn we nog niet, maar de signalen zijn al zichtbaar. Als zelfs een keurig krullende Haagse snor de verengelsing van pensionnetjes niet meer tegenhoudt.

Ludo Permentier
is verbonden aan de UGent en aan de Nederlandse Taalunie.

28-4-2008

Omhoog

Ongelooflijk leuk, zeg maar ... naar arm Nederlands

Is de Nederlandse taal aan het verloederen?
Er is genoeg reden om te mopperen, dat zeker.


DOOR ROB VAN ERKELENS

Van de Nederlandse taal wordt meer gebruik gemaakt dan ooit, maar de kwaliteit neemt gestaag af. Mensen praten en praten en praten alsof hun leven ervan afhangt. Wat ze zeggen en hoe ze dat zeggen lijkt een stuk minder van belang dan het feit dat ze iets zeggen. Praten om het praten is niet goed voor de taal. Die wordt gebruikt als een wegwerpartikel, en niet als het prachtige, veelzijdige instrument dat ze is.

Foto Chris van Houts

Te oordelen naar de nieuwe woorden die de laatste jaren in het Nederlands zijn opgedoken gaat het niet heel erg goed met onze taal. In 2007 werd ‘Bokitoproof’ uitgeroepen tot woord van het jaar. Dat is pure armoede. Kwam Marten Toonder ooit met ‘denkraam’, en voegden Van Kooten en De Bie onder veel meer ‘doemdenken’ aan onze woordenschat toe – uitdrukkingen die staan voor een begrip dat tijdloos is en door iedereen wordt herkend – nu is dus ‘Bokitoproof’ de grootste aanwinst van vorig jaar. Treurig.

‘Bokitoproof’ slaat op een verblijfplaats van een aap in een dierentuin die tegen Bokito kan. Zoals een waterdicht horloge waterproof is, is een hok, of een kooi, waar Bokito niet uit kan ontsnappen Bokitoproof. Bokito is een grote aap die negatief in het nieuws kwam toen hij na aanhoudend getreiter van een infantiele bezoekster terecht over zijn hek klom en een ravage aanrichtte in de dierentuin waar hij woonde.

Dit is een nieuw woord dat we nooit meer zullen horen, aangezien het verbonden is aan één specifieke gebeurtenis, die zich niet meer zal herhalen. Dat ooit nog een aap iets dergelijks uithaalt is onwaarschijnlijk, en dat die dan ook nog Bokito heet nog meer. Een woord dat dus helemaal niets toevoegt aan de Nederlandse taal.

Zoals er maar weinig lijkt te worden toegevoegd aan de Nederlandse taal. Nieuwe woorden kunnen een verrijking zijn, maar in deze tijd bespeuren we vooral verarming van het Nederlands. Verschraling. Vermagering. Verloedering, wordt ook wel gezegd.

Er zijn redenen genoeg om te vrezen voor de kwaliteit van het Nederlands. Ga maar eens in de tram zitten. Met open oren. Of in een winkelstraat lopen. In de Hema. Je krijgt rillingen over je rug van wat je allemaal hoort.

‘Chantal, moet je kijken, wat leuk!’
‘O kind, dat is leuk!’
‘Ja, leuk zeg. Ongelooflijk leuk.’
‘Die vind ik eigenlijk minder leuk. Bij die heb ik zoiets van dat ik hem minder leuk vind, zeg maar.’

Communicatie heet dat. Er wordt veel gecommuniceerd, tegenwoordig. We hebben de middelen, en die zullen we gebruiken ook. Met de toename van het aantal mobiele telefoons is er een woekering van redundante communicatie ontstaan, die veelal meta-communicatie is. Telefoneren over het telefoneren. ‘Waar ben je nu? Je valt weg. Nee, jij.’

‘Hé met mij. Hoewissut? Oké. Ik dacht ik bel even dacht ik om te zeggen dat ik er bijna ben. Nog een minuutje of vijf zes fietsen. Ik had zoiets van dat ik me afvroeg hoe het nu met je was. Ik dacht aan je, zeg maar. Eigenlijk vond ik het wel te gek hoe we gisteren konden praten, weet je. Heel te gek. Dus daarom had ik iets van waarom heeft ze toch dat sombere gezicht op haar gezicht? Maar oké, daar moeten we maar over praten, denk ik persoonlijk. Ik heb je nog veel meer te vertellen, ook spannende dingen, zeg maar. Dat doe ik wel als ik bij je ben. Dat is over twee minuten maar ik dacht ik bel even dat ik eraan kom.’

Communiceren vindt heden ten dage plaats onder enorme druk. Tijdsdruk, aangezien de communicerende partijen altijd op weg zijn naar het een of ander, iets belangrijks dat gedaan of gezegd moet worden. Alle communicatie is vluchtige communicatie.

Op verschillende gebieden nemen we een verschraling van het Nederlands waar. In het dagelijkse taalgebruik is het overduidelijk dat er steeds minder woorden worden gebruikt om mededelingen te doen of vragen te stellen. Het gaat niet om hoe je het zegt, maar om wat je zegt. Zodat de ander je direct begrijpt.

Maar ook het geschreven Nederlands is aan het verarmen. Er zijn een paar gratis kranten bij gekomen, die door met name veel jongeren worden gelezen. Het niveau van die dagbladen is abominabel. Eén enorme opeenstapeling van clichés, stoplappen en platitudes. Verschrikkelijk lelijk Nederlands. Fantasieloos. En barstensvol fouten.

In Metro zegt een badmintonspeelster: ‘Ik neem behalve mijn raket ook mijn bikini mee naar het toernooi.’ In Spits sterft het van afgesleten woordcombinaties als ‘administratieve rompslomp’ en ‘nieuwe uitdaging’.

Maar ook NRC Handelsblad, toch altijd een ‘kwaliteitskrant’ genoemd, is steeds slordiger en nonchalanter aan het worden. In een stuk over Ajax en Johan Cruijff vinden we: ‘een geldige mandaat’, ‘hij vindt dat hij en een assistent van de hoofdcoach de verantwoording moeten krijgen voor de jeugdopleiding’. En: ‘Dit percentage neemt pas bij de A-junioren toe tot 85 procent.’

Er is genoeg om ons aan te storen. Je hoort het goed als je een oud Polygoon-journaal ziet, of een voetbalwedstrijd in zwart-wit. Het commentaar is een openbaring. Soms vallen er zelfs stiltes, wat een weelde. Of draai een sprookjesplaat van ‘vroeger’, dat is dertig jaar geleden, met de stemmen van Hetty Blok, Ton van Duijnhoven en Ina van Faassen. Je weet niet wat je hoort. Het is spannend, grappig en eng, alleen door de manier waarop de tekst wordt gelezen. Elke zin heeft een ziel.

In een Polygoon-journaal uit 1954 verschilt het Nederlands dat wordt gesproken zo van het hedendaagse dat het een andere cultuur lijkt. Niet alleen de uitspraak van de woorden, maar ook de zinsbouw en de zwierigheid van de tekst komen we tegenwoordig niet meer tegen. Dit is de tijd dat nieuwslezeressen op de commerciële televisie zeggen: ‘Er zijn zes gewonden gevallen’, met de nadruk dus op het laatste woord.

De Polygoon-stem zegt: ‘De bosbouw is het belangrijkste middel van bestaan van deze eilanden. De machine heeft er nog geen grijper aan de grond gekregen. Hier bloeit nog het eeuwenoude slurfwerk.’ Wat een dictie.

Dit is de tijd dat mensen zeggen: ‘Ik besefte me...’ en: ‘Ik bedacht me dat...’ Beseffen en bedenken worden steevast wederkerend gemaakt. Typisch een verschijnsel van deze tijd, de tijd waarin het ego groter en groter wordt en de taalschat kleiner en kleiner.

Misschien was het inderdaad een andere cultuur, die van mooie sprookjesplaten, Kees Schilperoort en de jonge Willem (O.) Duys. Misschien is de cultuur van nu niet meer te vergelijken met de tijd dat de Nederlandse taal gekoesterd werd als was ze iets dierbaars. Want het is alsof in onze tijd niemand de taal nog dierbaar is.

Het is niet definitief zeker dat oudere mensen beter Nederlands spreken, maar wel bijna. Ze hebben in elk geval een grotere woordenschat dan de gemiddelde jongere van tegenwoordig. Oude mensen hebben meer termen of uitdrukkingen tot hun beschikking voor hetzelfde begrip. Dat betekent dat ze zich genuanceerder kunnen uitdrukken. Jongeren lijken de wereld in te delen in grofweg twee categorieën: vet en a-relaxt. Vet betekent goed en a-relaxt betekent niet-vet. Het hele spectrum tussen die twee uitersten bestrijken ze niet of nauwelijks in hun taalgebruik. Ouderen kunnen nuances aanbrengen – met ouderwetse woorden – en zodoende de werkelijkheid subtieler en veelzijdiger beschrijven, en ervaren.

Ondertussen horen we jongens en meisjes praten.

‘Hé mattie, fawaka?’
‘Ik ga loesoe, man. Naar Lidorro. Bling bling scoren. Kan ik lekker chillen met die chickies, weet je. Beetje choken, beetje skappa worden, gewoon lekker chillen. Niet dat gefokte.’

Verloedert het Nederlands? En is dat erg? Ja, dat is erg. In tegenstelling tot wat geruchten beweren is het Nederlands een mooie taal. Waar je veel mee kunt doen. Wat dat betreft kunnen we er niet omheen dat de jeugd van tegenwoordig niet alleen maar het Nederlands verziekt. Er gebeuren ook goede dingen.

Zo maakt de groep De Jeugd van Tegenwoordig liedjes in het Nederlands die barsten van het inventieve, sprankelende taalgebruik. Een van de rappers van De Jeugd is Willie Wartaal. Hij maakte het prachtige nummer Konijntje (‘Wiebelen! Wiebelen!’). Hij houdt van de Nederlandse taal, zoals meer rappers. Def P, bijvoorbeeld, de koning van de Nederlandse rap:

Mijn rijms zijn een cryptisch vers als Rice Crispies
Van wijze inscripties maak ik verse scripties
Eerst was het Egyptisch of apostolistisch,
maar nou apodictisch en apocalyptisch
Mijn rijms zijn een cryptisch vers als Rice Crispies
Van wijze inscripties maak ik verse scripties
Apodictisch en zeer adictisch
De interpretatie kent geen restricties


Zoals Willie Wartaal heeft gezegd: ‘Mensen zeggen toch al niets de hele dag, zeg dan gewoon in stijl niks.’

ROB VAN ERKELENS / De Groene Amsterdammer 14-03-2008

Omhoog

De Stichting Nederlands in verzet tegen de opmars van het Engels


De Stichting Nederlands over zichzelf:

"In Nederland voltrekt zich stilletjes een taalrevolutie: als voertaal wordt het Nederlands steeds vaker vervangen door het Engels, zowel op universiteiten, bij bedrijven en elders in de samenleving. Hierdoor kun je op steeds minder plekken met het Nederlands uit de voeten, en dat is verkeerd. Onze doelstelling is daarom de devaluatie van het Nederlands tegen te gaan. Ook proberen wij waar gewenst onvertaald Engels te vernederlandsen."

Zij voert met grote hardnekkigheid strijd tegen de overspoelende golf van verengelsing in Nederland - met humor maar ook met een zeker cynisme. Er is heel wat belangwekkend nieuws over het gebeuren te lezen op haar site.

De Stichting Nederlands

Omhoog

Brusselaars bewuster van hun Nederlands

07/01/2008 14:00

Er zijn steeds minder Nederlandstaligen in Brussel, maar die willen steeds meer hun eigen taal spreken.

Het taalgebruik in Brussel is een delicaat vraagstuk, want er staan fundamentele rechten en culturele identiteitskwesties op het spel die de gemoederen kunnen verhitten. Rudi Janssens, verantwoordelijke voor het taalsociologische onderzoeksluik van het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (Brio), nam in opdracht van de VUB de temperatuur op in Brussel. Het aandeel eentalig Nederlandstalige gezinnen daalt er, maar de band met het Nederlands wordt steviger, zo blijkt.

Welke taalverschuivingen deden zich voor in Brussel tussen 2000 en 2006?

RUDI JANSSENS: Voor het Nederlands valt op dat steeds minder gezinnen zich als eentalig Nederlandstalig profileren. Brusselaars die van huis uit Nederlands spreken, doen dit meestal in combinatie met een andere taal. Maar tegelijk getuigen ze van een sterkere band met hun moedertaal: Nederlandstaligen willen hun taal meer gebruiken. Ze spreken veel meer Nederlands dan vroeger en kunnen ook in hun eigen taal terecht in openbare ruimtes zoals het ziekenhuis of het gemeentehuis.

Op straat blijft Frans dominant, net als op de schoolspeelplaatsen. Ook in het Nederlandstalige onderwijs gaat het gebruik van het Nederlands buiten de lesuren achteruit. Franstalige leerlingen spreken dan zelden of nooit Nederlands. Bij anderstalige jongeren is de trend wel om iets vaker dan vroeger in het Nederlands te communiceren.

Wat is de motivatie van Nederlandstalige Brusselaars om meerdere talen te spreken?

JANSSENS: Vlamingen die naar Brussel verhuizen, voelen zich vaak aangetrokken tot de culturele diversiteit die de hoofdstad uitstraalt. Die diversiteit willen ze doortrekken in hun taalgebruik. Tegelijk zijn ze zich bewust van hun moedertaal en blijven ze haar ook gebruiken. Meertaligheid doet zich overigens vaak voor in fases. Na een gemengd huwelijk kiezen beide partners één taal om met elkaar te spreken, maar wanneer er kinderen komen, wordt het gezin meertalig.

Hoe ziet de taaltoekomst van de hoofdstad eruit?

JANSSENS: Dat is moeilijk te voorspellen, maar waarschijnlijk treedt in migrantengezinnen nog meer dan vandaag een verschuiving op van de eigen taal naar het Frans als voertaal. Het Nederlands zien we op dezelfde manier evolueren als nu: minder eentaligheid, maar een groter bewustzijn van de eigen taalidentiteit. Verder zullen nog meer Brusselaars het Engels verkiezen boven het Nederlands als tweede taal.

Meer info op de website van Brio Brusselse thema's

Eline Vanuytrecht

Omhoog

 

Overeind in Babel. Verslag Symposium over taal en talen - Egmontpaleis Brussel n.a.v. 50 jaar Ons Erfdeel 14 sept. 2007

Overeind in Babel. Talen in Europa: onder dat motto heeft het tijdschrift Ons Erfdeel op 14 september 2007 zijn vijftigste verjaardag gevierd met een groots opgezet symposium in het Brusselse Egmontpaleis. Taal als vaderland, de spanning tussen standaardtaal en dialect, moedertaal en schrijftaal; de vertaling als enige, echte taal van Europa, de verhouding tussen taal en territorium, de rol en de plaats van taal in het onderwijs, lingua franca als noodzaak en dreiging, taal als sociale hefboom: dat waren de onderwerpen die die dag aan de orde kwamen.

Vlaams minister van Buitenlands Beleid Geert Bourgeois hield de openingstoespraak.
Hij pleitte beslist voor het behoud van alle officiële talen in de Europese Unie,
ook waar dat moeilijk is, bijvoorbeeld in het octrooibureau. Voor de verdediging van
het Nederlands zouden Vlaanderen en Nederland het best samen front moeten
maken. De minister hield een pleidooi voor goed Nederlands, tegen tussentalen, tegen
gemakzucht. Hij maakte zich zorgen over het uiteengroeien van het Nederlands in
Noord en Zuid. Aan onze universiteiten, ten slotte, dient het Nederlands de voertaal te zijn. Vlamingen weten uit hun geschiedenis wat het betekent als dat niet zo is.


Omhoog

◊Gelukkig in mijn taal

Het is moeite waard om eens rond te kijken op een ouderavond in een middelbare school. Je ziet er heel wat bezorgde ouders die te weten willen komen hoe hun kinderen het daar doen en ook wel de leerkrachten komen ‘monsteren’.

Traditiegetrouw is er veel bezoek voor de wiskundeleerkrachten, net als voor die van fysica of economie en - vanuit de Belgische situatie - ook die van Frans. Vakken die extreem moeilijk worden geacht of/en belangrijk voor de toekomst. Wat die ouders willen weten, is of de betrokken leerkrachten competent zijn, hun kind op de juiste manier aanpakken en de lat voldoende hoog leggen of juist niet te hoog.

Minder ‘klanten’ ziet de leerkracht die geschiedenis geeft, godsdienstleer of moraal. Die zit op een ouderavond nogal eens voor zich uit te staren en eigenlijk is dat vreemd. Is kennis van het verleden dan niet belangrijk voor de toekomst? Zijn het op school niet vooral de mensen die godsdienst- en zedenleer geven die onze kinderen confronteren met  fundamentele waarden en die wegwijzers aanbieden voor het leven? Belangrijke dingen voor hun huidig en toekomstig geluk!  Is het niet belangrijk om te weten hoe mijn kind het bij die mensen doet, of zij competent zijn en het op de juiste manier benaderen? Dat voor hen maar zelden iemand zakt, verklaart misschien de beperktere belangstelling.

Ook de leerkrachten Nederlands krijgen veelal minder bezoek. Pakken die de kinderen goed aan, zijn zij competent, stellen zij voldoende hoge eisen? Blijkbaar zijn er niet zo veel Vlaamse ouders die zich daar het hoofd over breken.

Dat kan vreemd lijken want is het Nederlands voor onze kinderen niet het eerste venster op de wereld? Is het niet het instrument waarmee andere kennis verworven moet worden en waarmee de meesten later in onze maatschappij zullen moeten functioneren zowel op zakelijk als op persoonlijk gebied?

Bij nader toezien is de bij velen beperkte belangstelling voor het moedertaalonderwijs niet zo vreemd. Ze heeft onder meer te maken met onze geschiedenis. De moedertaal speelde veelal niet mee aan de top, ze werd verwaarloosd en was dus ook verwaarloosbaar. Zulke dingen blijven lang doorwerken.

En ook het heden werkt niet altijd motiverend. Zo spreken veel van onze politici – toch mensen met een voorbeeldfunctie – onverzorgd, uit onmacht of omdat ze menen daarmee sympathiek te worden gevonden. Het is al zo vaak gezegd. En de media gaan evenmin vrij uit. Vooral de televisie, en niet alleen de commerciële, presenteert in veel programma’s een slordig taalgebruik, een mengeling van dialect, standaard- en tussentaal. Opmerkelijk in dit verband is dat dit beeld vaak niet overeenkomt met de taalwerkelijkheid buiten de mediacontext. In winkels, restaurants en kantoren krijg je vaak een veel positiever beeld. Dat is althans mijn ervaring, in alle Vlaamse provincies.   

Maar terug naar het onderwijs en meer bepaald naar de leerkracht die Nederlands geeft. Zeer terecht heeft de minister van onderwijs – zelf iemand met een goed taalgebruik – er onlangs  op aangedrongen dat alle leerkrachten hun taal verzorgen, maar de moedertaalleraar neemt uiteraard een sleutelpositie in. Velen zullen net als ik kunnen getuigen dat zij aan die vrouw of man bijzonder veel te danken hebben, dat die in hoge mate heeft bijgedragen aan hun taalbeheersing en de vorming van hun persoonlijkheid.

Die leerkracht wordt echter, zoals gezegd, nogal eens geconfronteerd met een gebrek aan interesse voor zijn vak, bij ouders en soms ook bij directies. Dat houdt ongetwijfeld verband wat in de eerste alinea’s van dit artikel is gesignaleerd maar misschien ook wel met het feit dat onze moedertaal te weinig wordt ervaren en gepresenteerd als iets om ook gelukkig mee te zijn, nu en later.

Dat heeft met verschillende factoren te maken. Een daarvan is in Vlaanderen de moeilijke relatie tussen de Nederlandse standaard-  en de eigenlijke moedertaal. Mijn eigenlijke moedertaal is de taal die mijn moeder mij geleerd heeft, voor mij een dialect, voor anderen wellicht de een of andere lokale tussentaal. Mijn eigenlijke moedertaal verschilt nogal wat van de standaardtaal, zeker qua uitspraak, qua woordenschat en zinsbouw echter heel wat minder.

Een fundamentele fout nu die vaak werd en wordt gemaakt, is de standaard- en de eigenlijke moedertaal tegenover elkaar plaatsen en niet naast elkaar. Of nog erger: de ene – de eigenlijke, de meest eigene – als minderwaardig voorstellen en afwijzen in plaats van ze te bewonderen en te genieten van haar charme en rijkdom naast de charme en rijkdom van de standaardtaal.

Het dialect is iets van de eigen (kleine) groep, iets van mijn stad of dorp. In het onderwijs moet het dan ook niet worden ‘verstopt’ of ‘verstikt’, integendeel, er kan mee worden gespeeld en spelen maakt gelukkig. Het kan worden gepresenteerd als een compleet en rijk taalsysteem met zijn eigen charme en creativiteit. Tegelijkertijd moet gewezen worden op zijn beperkt bereik: ruimtelijk, sociaal en intellectueel. Kom ik buiten mijn streek, dan word ik er een ‘vreemde’ mee, iemand die er niet bij hoort. In sommige omstandigheden en milieus word ik er niet mee aanvaard. Ik sluit er ook anderen die het niet beheersen, mee uit. Het kan mij geen toegang verschaffen tot de wereld van de wetenschap en Cultuur met grote C.

De standaard- en de eigenlijke moedertaal naast elkaar plaatsen leidt onder meer tot de constatering dat ze heel dicht bij elkaar liggen en in de meeste gevallen hetzelfde zijn: een stoel heet overal stoel, een brug een brug. Die constatering kan ons verlossen van de zogenaamde negatieve reflex: het is vertrouwd en dus waarschijnlijk verkeerd …

Aandacht besteden aan de verschillen, kan ook heel prettig zijn. Wie kent beeldende uitdrukkingen in de standaardtaal, de dialecten, andere talen voor ‘beter iets hebben dan niets’? Ook allochtone leerlingen kunnen hierin op hetzelfde niveau meespelen door uitdrukkingen uit hun eigenlijke moedertaal te vertalen.Wie kent andere woorden voor ‘vlinder’, wie voor ‘schommel’, wat zeggen de mensen bij ons soms ook in plaats van ‘groter dan’ of ‘groter als’, voor ‘ik vraag mij af of hij zal komen’? Het spel maakt meteen ook duidelijk hoe nodig de standaardtaal is: woorden en constructies die door iedereen in het hele taalgebied begrepen worden én aanvaard.

Dat ‘taalspel’ kunnen spelen, vergt echter veel van de leerkrachten. Die moeten openstaan voor variatie in taal, vertrouwd zijn met verschillende registers en zelf de standaardtaal zo goed beheersen dat zij ze vloeiend en met charme kunnen hanteren. Dat veronderstelt uiteraard dat zij ze ook veel gebruiken in hun leven buiten de school want anders klinkt ze veelal stroef en onnatuurlijk. In elke ontwikkelde maatschappij tref je trouwens groepen aan bij wie de standaard- en de eigenlijke moedertaal in hoge mate samenvallen en het is een beetje normaal  dat nogal wat leerkrachten daartoe behoren.

Goed moedertaalonderwijs kan ook bijdragen aan het geluk doordat het (de woorden voor) ervaringen aanreikt die de emotionele horizon verruimen. Zo wijst Alain de Botton er in ‘De architectuur van het Geluk’ op dat het vaak ‘boeken, gedichten en schilderijen (zijn) die ons het zelfvertrouwen geven om gevoelens serieus te nemen die we anders nooit zouden hebben onderkend’.

Waardevolle gedichten, romans en essays kunnen de smaak verfijnen, de gevoeligheid en het vermogen om te nuanceren versterken, wat van onschatbare waarde is voor later. Het is daarbij belangrijk alternatieven aan te bieden voor het vele banale en vulgaire waarmee de jonge mensen zo veel worden geconfronteerd.

Met zorg gekozen teksten die eerlijk worden besproken niet door maar met een leerkracht die niets opdringt maar zelf bezield is, verrijken de persoonlijkheid en het taalvermogen. Dat geldt uiteraard ook voor literatuur in andere talen maar het zal maar zelden zo diep kunnen doorwerken als in de eigen taal.

En nog iets: als jonge mensen gedichten uit het hoofd moeten leren, wat blijkbaar amper nog gebeurt, wordt niet alleen hun geheugen geoefend maar ook een schat meegegeven waaraan zij ook en vooral later vreugde kunnen beleven. Dat kunnen veel volwassenen getuigen die het geluk hebben gehad dat te moeten doen.

Goed moedertaalonderwijs kan bijdragen aan het geluk. Het vergt echter een grote inzet en competentie van de leerkracht. Die moet taalvaardig en belezen zijn, een tekst tot leven kunnen brengen en dat alles naast de andere kwaliteiten waarover onderwijsmensen moeten beschikken.

Gelukkig zijn in mijn taal. Misschien op de volgende ouderavond toch ook eens naar de leerkracht Nederlands gaan, voor het geluk van de leerling.

Stijn Verrept

Stijn Verrept is emeritus gewoon hoogleraar taalvaardigheid/zakelijke communicatie
Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen Universiteit Antwerpen.
Hij is ook lid van de Werkgroep Taal en Onderwijs van het VVA.

Omhoog

Natuurlijk geen Engels als voertaal aan onze universiteiten

“Art. 91 § 1. De onderwijstaal in hogescholen en universiteiten is het Nederlands.   …”

(Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs – B.S., 14 juni 2003)

In De Standaard van dinsdag 18 september 2007 verschenen een paar artikels rond de positie van het Engels aan de Nederlandse en de Vlaamse universiteiten. Ze verwijzen naar een rapport daarover vanwege dr. Albert Oosterhof, een Nederlandse onderzoeker verbonden aan de Universiteit Gent in opdracht van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland. Dr. Oosterhof maakt een vergelijking van de situatie nu met die van 2001 en constateert in welke mate het gebruik van het Engels als instructietaal is toegenomen of niet aan de universiteiten zowel in het Noorden als in het Zuiden van het Nederlandse taalgebied.

Van dat rapport wordt nu in de Nieuwsbrief nr. 3 van juli-augustus – september 2007 een substantiële neerslag gepubliceerd die zich objectief beperkt tot de geconstateerde feiten. Enige opiniëring in de Nieuwsbrief blijft volkomen achterwege. In de krantenartikels in De Standaard daartegenover waarschuwt de Algemene secretaris van de Commissie Wilfried Vandaele voor verdergaande verengelsing aan de Nederlandse universiteiten waar de initiële mastersopleidingen volop aan het verengelsen zijn en hij roept op tot grote waakzaamheid voor de Vlaamse universiteiten, die zich aan de beregeling van taalartikel 91 van het structuurdecreet van 4 april 2003 moeten houden. De Nederlandse universiteiten zijn ook gebonden aan een wettelijke regeling, maar leggen die gewoon naast zich neer.

Het VVA heeft zich samen met het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen in de aanloop tot dat structuurdecreet ten volle ingezet voor een regeling waarbij de positie van het Nederlands als onderwijstaal aan onze universiteiten zoveel mogelijk gevrijwaard kon worden.

Argumenten voor verengelsing van het hoger onderwijs zijn de internationalisering en de bereidwilligheid tegenover buitenlandse studenten die aan onze universiteiten in het Engels tegemoet gekomen zouden moeten worden. Als argument wordt ook de vanzelfsprekendheid van verengelsing van het hoger onderwijs bijna onuitgesproken maar daadwerkelijk ingeroepen.

Het VVA blijft op zijn standpunt dat een verdergaande verengelsing ten allen prijze voorkomen moet kunnen worden. Het gaat toch niet op dat steeds meer Engels als instructietaal wordt geïnstitutionaliseerd in verscheidene opleidingen in het hoger onderwijs, waarbij Nederlandstalige docenten aan Nederlandstalige studenten hun onderwijsinhouden in het Engels overmaken. Uit onderzoek blijkt dat dan de kwaliteit van dat hoger onderwijs met vele percentages naar beneden gaat. Sociaal gezien is Engelstalig onderwijs ook een drempel voor vele kandidaten, die zich in extreme mate zouden moeten inspannen om die leerinhouden te kunnen assimileren. Studieactiviteiten die schriftelijk worden volbracht geven de nodige ruimte om zich op vreemdtalig studiemateriaal te concentreren en dat lijkt een meer haalbare aangelegenheid te zijn. Studieactiviteiten die mondeling worden ondernomen als hoorcolleges en seminariesessies vergen een zo hoge graad van abstractie bij de wetenschapsoverdracht of het probleemoplossend denken, dat het niveau bij gebruik van het Engels verre van hoogstaand kan zijn. Het denken berust immers op het effectief hanteren van taal en dat kan slechts op optimale wijze als dat in de eigen taal gebeurt, waarmee men van kindsbeen af vergroeid is en die toelaat hoge toppen van abstractie nodig voor probleemoplossend redeneren te bereiken. Daartegenin werken is een aantasting van de identiteit mogelijk van de onderwijsverstrekkers tot op zekere hoogte, maar zeker van de studerenden die vanuit een vervreemdingssituatie van de eigen taal verplicht worden hoge performaties te bereiken via een denkvermogen in een in wezen vreemde taal.

Het VVA was hogelijk tevreden met het vast uitgesproken voornemen van de vorige onderwijsminister Frank Vandenbroucke om aan de bestaande wettelijke regeling niets te veranderen in tegenstelling tot de aandrang en de aspiraties tot verengelsing van de verantwoordelijke onderwijsinstanties van het Vlaamse hoger onderwijs.
Nu blijkt al dat de aandrang van rectoren en decanen van faculteiten om het wetenschappelijk personeel van de universiteiten en hogescholen in het Engels te doen publiceren al te excessief is en herhaaldelijk blijkt dan ook de inferieure kwaliteit van publicaties die toch de pretentie hebben wetenschappelijk te zijn.

Wij blijven vanuit het VVA de stelling poneren dat elke Vlaamse intellectueel en zeker de Vlaamse academicus in staat moet zijn om naast een volwaardige beheersing van zijn eigen taal, het Nederlands, zich ook volwaardig uit te drukken  in het Engels, het Frans en het Duits in vele communicatieve situaties. Vreemde talen leren is omwille van de eigen weerbaarheid een absolute noodzaak. Maar elke Vlaamse kandidaat-intellectueel of aspirant-academicus moet steeds de gelegenheid krijgen zichzelf te blijven in het Vlaamse hoger onderwijs en zijn studies te doen in zijn eigen taal, het Nederlands.

Ghislain Duchâteau
VVA-verantwoordelijke Werkgroep Taal en Onderwijs

'Het Engels als voertaal aan onze universiteiten?' CVN-Nieuwsbrief nr. 3 2007: http://www.cvn.be/algemeen/nieuwsbrieven/2007/NR_03_cor.pdf

Taaluniedebat 2007
De opmars van het Engels in ons taalgebied: uitdaging, fait accompli, of blessing?
Dit is het thema van de debatdag die de Taalunie op maandag 12 november 2007 in het huis DeBuren in Brussel organiseerde.

Over het Taaluniedebat 2007:

Het verslag

Een selectie van reacties en artikelen over de onderwerpen die tijdens het debat aan de orde kwamen: Programma - Knipsels - Terugblik - Deelnemers - Filmpjes


Taaluniedebat 2008

Omhoog

Taal is meer dan taal
Rede en dankwoord van prof. dr. Jozef T. Devreese bij de uitreiking van de André Demedtsprijs 2005 - Stadhuis Kortrijk - zondag 27 november 2005

Omhoog

◊De spelling 2005 - NDN-bestuur - visie van het Netwerk Didactiek Nederlands over de huidige spelling van het Nederlands

Omhoog

 
 
Thuispagina | Omhoog