Zoek op de site van VVA:  
 Powered by freefind
VVA interactief
 

Op deze webstekbladzijde kan u het VVA een berichtje, een vraag, een beschouwing, een uitspraak enz. sturen. Die boodschap heeft hier dan wel direct betrekking op de Vereniging Vlaamse Academici.

Wij kijken uit naar dat contact!

 
Voornaam en naam:
E-mailadres:
   
Formuleer hieronder uw berichtje, vraag of beschouwing:



 
De VVA-Facebookpagina
 

Wij volgen de relevante en boeiende actualiteit op onze eigen Facebookpagina.
Wij vormen een publieke groep met op het ogenblik 83 leden, die door een van de 4 beheerders na hun aanvraag werden toegelaten.


Dit is het adres: https://www.facebook.com/groups/41301597592/

Bij elk bericht verwijst een hyperlink of elektronische koppeling naar een onderliggend document met uitgebreide informatie. Doorgaans is er een illustrerende foto.

Om lid te worden van de VVA-Facebookgroep moet u beschikken over een facebookaccount.
U kunt dan naar onze pagina navigeren en in de kolom rechts bovenaan onder LEDEN TOEVOEGEN een toetreding tot de groep vragen. Doorgaans wordt uw aanvraag de dag zelf nog door een van de beheerders ingewilligd.

Tot dusver zijn op de pagina bijna dagelijks berichten gepost, die de leden van de facebookgroep en anderen kunnen interesseren.
We verwijzen hier naar de laatste vijftien (15) berichten die van 25 december tot 29 december 2017 zijn geplaatst op de VVA-Facebookpagina.

DE LAATSTE DAGEN
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,    (gedichtje van Anton van Wilderode)
 
ITINERA PUBLICEERT EEN OPMERKELIJKE NIEUWJAARSNIEUWSBRIEF

In de aanloop naar een boekpublicatie die in januari 2018 verwacht mag worden publiceert Itinera een nieuwsbrief met belangwekkende en zinvolle bijdragen, die in diverse domeinen van de economische wereld een beter overheidsbeleid kunnen stimuleren.
Dit zijn dan de tien onderwerpen van de respectieve auteurs in de nieuwsbrief..

KINDEREN NU IN OORLOGSGEBIEDEN
Onnoemelijk vele kinderen zijn slachtoffer van de oorlogen.
Het zijn onvoorstelbare omstandigheden waarin kinderen terecht komen, leven of gedood worden.

DE VERKLARING VAN PARIJS – 7 OKTOBER 2017
EEN EUROPA WAARIN WE KUNNEN GELOVEN

Europa is ons thuis

JAAROVERZICHT VAN DE LITERATUUR IN 2017
Hét overzicht van de Nederlandse literatuur in 2017. Wat bracht het afgelopen jaar ons op literair gebied? Welke auteurs wonnen er literaire prijzen? Bij welke uitgeverij was een leegloop? Wie hadden er ruzie? Welke boeken zijn er afgelopen jaar verschenen? Welke literaire grootheden zijn ons afgelopen jaar ontvallen?

KERSTESSAY 1968. HET JAAR DAT NIET WIL STERVEN
DEEL 4 - DE CONSERVATIEVE VERMINKING VAN DE VERLICHTING

De oorzaak van het kwaad

KERSTESSAY 1968. HET JAAR DAT NIET WIL STERVEN
DEEL 3 - VAN WONDERJAAR TOT ANNUS HORRIBILIS

Vijand van rechts én links

KERSTESSAY DE STANDAARD 1968. HET JAAR DAT NIET WIL STERVEN
DEEL 2 - ONGEWENST KIND MET VELE VADERS

De vlam in de Leuvense pan

KERSTESSAY DE STANDAARD 1968. HET JAAR DAT NIET WIL STERVEN
DEEL 1 - DE GLANS VAN EEN VALLENDE STER

De revolutie die er geen was

KERSTESSAY DE STANDAARD – 1968 HET JAAR DAT NIET WIL STERVEN
EEN LAATSTE KEER OMZIEN

Een halve eeuw geleden maakte een generatie zich op om haar plaats op het podium van de 20ste eeuw in te nemen. Van Berkeley tot Leuven zetten jongeren universiteiten op stelten en deden ze regeringen en dogma’s wankelen. Met branie en bravoure werd de gevestigde orde de wacht aangezegd. In vijf afleveringen wil Paul Goossens dat jaar nog eens tegen het licht houden en op zoek gaan naar de re...

EUROPA VANUIT POLITIEK-ECONOMISCHE KANT UIT BEKEKEN
Een taai continent
Het oude continent is verzwakt en verdeeld. Krijgen de doemdenkers dan eindelijk gelijk en haalt Azië ons in?

TOELICHTING VAN ACHTERGROND EN DOEL VAN DE VERKLARING VAN PARIJS DOOR MATTHIAS STORME
‘Niet dat er niet ook in andere tijden geen gevoel van beschavingscrisis was; op elk moment in de geschiedenis hebben we wel op een keerpunt geleefd. Maar je moet op sommige momenten de zaken helder stellen en de dagelijkse kritiek proberen te overstijgen. Waar willen we naartoe, wat is onze geloofsbelijdenis op cultureel- en politiek-filosofisch vlak?’

DANKBAARHEID:
LA GRATITUDE EST LA MéMOIRE DU COEUR

C'est mon cadeau de Noël, je vous offre des biscuits, sauf que vous devez les manger tout de suite. Combien vous en voulez?
Deux ou trois, peut-être quatre, mais sûrement pas la boîte au complet.

KERSTMIS 2017
Sinds een paar maanden ben ik 80 geworden. Dat betekent voor mij het besef dat ik een oude man ben geworden ondanks een relatief goede gezondheid. Dat betekent dat ik in mijn omgeving vele kennissen en vrienden zie wegvallen.

AFSCHEID VAN MIEP DIEKMANN
Als een goede zoon van mijn moeder kan ik niet nalaten zo af en toe iets schokkends in de groep te gooien
(Matthijs, oudste zoon van de bekende jeugdschrijfster)

 
VVA-leden publiceren
 

Index

- De Nieuwjaarsnieuwsbrief van Itinera met een bijdrage van VVA-voorzitter Paul Becue over faillissementen 29-12-2017
- De paradox binnen de Vlaamse Beweging: vernieuwing dringt zich op - Paul Becue 20 juli 2017
-Van grootgrutter tot mecenas - VVA On-Tour naar de Kunstcollectie Hugo Voeten 26 mei 2016
- Alfons Kerkhofs - Een Limburgse blik op het IJzerfront
- Noël Geirnaert en het Gruuthusehandschrift - augustus 2013
- Het rijke Roomse leven in mijn dorp - Terugblik van een oude zondaar - Jos Journée - juni 2013
-Tussen God en Caesar? Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society - Matthias E. Storme - boekpublicatie sept. 2011
- "'Om niet te delen in haar zonden' (Op. 18,4)", Matthias Storme
-Schrijven en pentekenen als hobby, de literaire persoonlijkheid van Jos Journée
-Van professor tot houthandelaar - biografie Antoon Verboven
-De worsteling met de moderniteit. Pleidooi voor een esthetische levensbeschouwing, Jaak Peeters
-"'Om niet te delen in haar zonden' (Op. 18,4)", Matthias Storme
-Bruno Comer, schrijver van historische romans en jeugddetectiveschrijver
-Frank Fleerackers, voormalig VVA-voorzitter, rechtsgeleerde en rechtsfilosoof




De Nieuwjaarsnieuwsbrief van Itinera met een bijdrage van VVA-voorzitter Paul Becue over faillissementen 29-12-2017

In de aanloop naar een boekpublicatie die in januari 2018 verwacht mag worden publiceert Itinera een opmerkelijke nieuwsbrief met belangwekkende en zinvolle bijdragen, die in diverse domeinen van de economische wereld een beter overheidsbeleid kunnen stimuleren.

Dit zijn dan de tien onderwerpen van de respectieve auteurs in de nieuwsbrief.
1. Het publiek debat – Leo Neels
2. Het jaar van techno-optimisme – Marc De Vos
3. Na de adhoc-ingrepen: nu hervormen om te vereenvoudigen – Ivan Van de Cloot
4. Een fijne stad; minder stof, meer geluk – Johan Albrecht
5. Efficiënt onderwijs – Jean Hindriks en Kristof De Witte
6. Falen te goeder trouw – Paul Becue
7. Een mooie toekomst in de maak … (…indrustrie) – Stijn Ronsse
8. Stuur op langetermijndoelstellingen voor efficiëntere overheid - Ivan Van de Cloot
9. Investeren in de kansen van morgen – Simon Ghiotto
10. De pensioenhervorming in de ban van de financiering van de vergijzing – Jean Hindriks (lid van de Academische Pensioenraad)

Naar de Nieuwjaarsnieuwsbrief

Wat is Itinera? – Over Itinera

6. Falen te goeder trouw - Paul Becue
 


De ondernemer die integer en bekwaam is, verdient een tweede kans

17 www.itinerainstitute.org
Expertise - Impact - Pathways
NY-LETTER 2018
_________________________________

Faillissementen hebben veel  negatieve gevolgen op lokaal vlak:  jobverlies, oninbare schuldvorderingen enz. Toch blijkt dat vaak veel jobs gehandhaafd blijven door overname van het bedrijf of een deel ervan met het personeel. Ook vinden veel ontslagen personeelsleden relatief snel ander werk.  

Faillissementen relativeren
Macro-economisch zijn faillissementen in de economie een normaal verschijnsel. Het economisch weefsel vervelt en verandert voortdurend, denk aan de steenkoolmijnen die verdwenen of de forse inkrimping van de staal- en textielsector. En bestel- of e-commercebedrijven kwamen erbij. De gemiddelde levensduur van een bedrijf daalt sterk daalt: van 75 jaar in de jaren 1930, tot gemiddeld 15 jaar nu. Niet alle stopzettingen zijn faillissementen: er zijn ontbindingen en vereffeningen, overnames of fusies. In België is slechts 15 % van al de bedrijfsstopzettingen veroorzaakt door faillissementen, en twee derde van de failliet verklaarde ondernemingen had geen personeel in dienst. (Cijfers van het Fonds Sluiting Ondernemingen).

Turbulentie leidt tot innovatie
Een gezonde economie kent tamelijk veel stopzettingen en starters. Dit is nieuw bloed dat aan de economie een nieuwe dynamiek kan geven met creatieve ideeën en innovaties. De optelsom van de stopzettings- en oprichtingsgraad van bedrijven in een land, wordt “turbulentie” genoemd: een dynamische economie kent een hoge turbulentiegraad. Stijgt het aantal stopzettingen in een periode, dan mag je normaal nadien een toename van het aantal starters verwachten. Vervangende creativiteit heet dat. Joseph Schumpeter spreekt, zoals we allen weten, van “creatieve destructie”. België doet het op dit vlak niet goed: het heeft in Europa practisch de laagste turbulentie. Dat houdt verband met een te zwakke ondernemerscultuur in België. 

Stigmatisering faillissement
De ondernemerscultuur laat in België inderdaad te wensen over. Een van de redenen is de vrees voor faillissement, en die vrees heeft rechtstreeks te maken met de stigmatisering van gefailleerden. Zij worden nog vaak als mislukkeling aangemerkt, en soms zelfs als criminelen die hun leveranciers in de steek lieten. In de USA is de visie op een faillissement anders. Men neemt aan dat iemand die failliet ging daar veel uit leert en dat die ervaring tot meer succes zal leiden bij een nieuwe start. Falen is er geen “failure”, maar een “lesson learned”. In die context is het zgn. Chapter 11 heel efficiënt, en laat het ondernemers en bedrijven toe een tweede adem te vinden na een moeilijke periode. 

De tweede kans
België staat langzaam maar zeker ook open voor een tweede kans. De tegenpool van Chapter 11 is de gerechtelijke reorganisatie die bedrijven in moeilijkheden een tweede kans biedt vóór het faillissement. De nieuwe insolventiewet van 11 augustus 2017 voert nu ook na faillissement een tweede kans in: de gefailleerde zou als natuurlijke persoon zijn schulden kwijtgescholden moeten zien binnen het jaar, zodat hij met een schone lei opnieuw kan starten, zelfs wanneer de faillissementsprocedure nog loopt. 

Maatschappelijk verantwoord ondernemen
Toch moeten de principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen  gerespecteerd worden. Oplichters en fraudeurs verdienen geen kwijtschelding of tweede kans. Ook de ondernemer die onbekwaam is moet geremd worden om opnieuw te starten, alhoewel hij, onder voorwaarden, wel kwijtschelding mag krijgen.
Veel faillissementen zijn echter het gevolg van pech of niet goed in te schatten externe factoren, de ondernemers die daarbij betrokken zijn verdienen een tweede kans. De overgrote meerderheid van de ondernemers handelt immers correct en is integer.

Nieuwe insolventiewet
De nieuwe insolventiewet van 11 augustus 2017, die in werking treedt op 1 mei 2018, breidt het ondernemersbegrip uit naar alle economische activiteiten  met winstoogmerk. Daardoor worden vrije beroepers en verenigingen ook ondernemingen die kunnen failliet gaan. Een nominale stijging van het aantal faillissementen is mogelijk, maar relatief gezien verwacht men eerder een daling. Immers, vrije beroepers zijn met hun persoonlijk vermogen aansprakelijk bij faling, en dat is, mutatis mutandis, ook het geval met eenmanszaken. Die aansprakelijkheid met het persoonlijk vermogen leidt tot een lage falingsgraad voor zulke ondernemers.
De nieuwe insolventiewet inspireert dus een positiever kader voor het ondernemerschap. Nu kan en  moet de mentaliteit van de mensen nog veranderen. Dit is in de realiteit de moeilijkste stap.
  
Zombies
9% van onze vennootschappen zijn, volgens de OESO, slapende vennootschappen of spookbedrijven. België behoort daarmee tot de top. Ze worden vaak gebruikt voor fraude, en zouden 37 miljard euro aan activa vasthouden in activiteiten zonder toekomst. Ze dragen zo bij tot de negatieve perceptie van ondernemerschap en leiden uiteindelijk vaak tot een faillissement. In het kader van een preventieve aanpak zouden deze spookvennootschappen veel sneller moeten aangepakt worden, en met een snelle procedure failliet verklaard.

Top


De paradox binnen de Vlaamse Beweging: vernieuwing dringt zich op

Binnen de Vlaamse Beweging bestaat er een merkwaardige paradox. De Vlaamse nationalistische partijen maken sinds jaren furore bij de verkiezingen in Vlaanderen, terwijl de verenigingen van de Vlaamse Beweging zelf  hoe langer hoe meer geconfronteerd worden met een sterk vergrijzingsproces en minder leden.


Toenemende politieke macht

De Vlaamse nationalistische partijen slaagden erin gestaag hun stemmenpercentage omhoog te drijven. Tijdens de laatste verkiezingen in juni 2014 sleepten N-VA (ca. 32 %) en Vlaams Belang (ca. 6 %) bijna 38 % van de stemmen in de wacht. Die trend werd reeds decennia geleden ingezet. Aanvankelijk was de Volksunie de grote trekker, vervolgens het Vlaams Belang en nu is dat de N-VA. Het had tot gevolg dat de N-VA ‘incontournable’ was bij de vorming van de huidige federale regering. Dat kan eigenaardig lijken, omdat de Vlaamse autonomie meer en meer een realiteit werd als gevolg van de diverse staatshervormingen. Maar ook andere factoren speelden mee. Vele Vlamingen waren de drie traditionele partijen wat moe. Vooral CD&V boette aan belang in, wat voor een groot stuk te wijten is aan de laïcisering van de samenleving, ondanks het feit dat die partij toch de architect was van de staatshervormingen. Hieraan gekoppeld kregen de nationalisten als klassieke oppositiepartijen tal van proteststemmen in de schoot geworpen. Voorts is er de laatste jaren ook een trend naar verrechtsing in Europa. Ook de invloed van enkele sterke charismatische figuren speelde een rol.


Vergrijzing

Het is dan ook enigszins verrassend dat dezelfde positieve beweging niet te merken is bij het merendeel van de verenigingen die behoren tot de klassieke Vlaamse Beweging. De leden krijgen allemaal hoe langer hoe meer grijze haren en er is een onvoldoende instroom van nieuw jong talent dat zich voor de zaak wil inzetten. Ook hier kunnen we diverse redenen aanhalen. Door de opeenvolgende staatshervormingen sinds 1970 heeft Vlaanderen praktisch gezien voor een groot deel zijn autonomie verkregen. De Vlaamse ontvoogding is voor ca. 90-95 % gerealiseerd. De Vlaamse welvaart is er sinds WO II gestaag op vooruit gegaan en in het zuiden van het land wordt hier nu met meer respect naar opgekeken. Vroeger moesten de Vlamingen Frans kennen, nu is de motivatie in het zuiden van het land om Nederlands te leren veel groter geworden. Er zijn natuurlijk nog discussiepunten, waarvan de belangrijkste de transfers naar het zuiden zijn (die waarschijnlijk zullen dalen door de grotere Vlaamse vergrijzing: meer ziekteverzekering en pensioenen) en de grendelmechanismen in de Belgische staatsstructuur. Die is trouwens heel inefficiënt: het is een gevolg van een omgekeerde beweging van delegatie der bevoegdheden van het centrale gezag naar de regio’s. Meestal gebeurt dat in omgekeerde zin (Cf. EU, USA, Duitsland, …). Het zou beter zijn hier tabula rasa van te maken en een confederale structuur uit te werken, waarbij de centrale overheid nog enkele precies gedefinieerde bevoegdheden krijgt. Het grootste probleem daarbij is Brussel. Op het ogenblik bestaat er geen meerderheid voor, maar het is een feit dat de regio’s steeds verder van elkaar weggroeien. Door de scheiding van de media, de gesplitste politieke partijen, de verschillende cultuur weten de meesten niet meer wat er juist in de andere regio gebeurt.
  
De klassieke Vlaamse Beweging is eigenlijk niet veel geëvolueerd. Ze heeft de laatste honderd jaar wezenlijke successen behaald en wordt daar terecht alom voor geprezen. Maar de Beweging heeft niet aangevoeld dat daardoor bij de jongere Vlamingen die geboren zijn na 1990 (de Sint-Michielsakkoorden) minder behoefte bestaat aan zulke beweging. De meeste communautaire discussies zijn trouwens verstard geraakt in erg technische discussies die mensen nog amper kunnen volgen en begeesteren. Er wordt ook nog te veel kritiek gespuid op allerlei aspecten in de verhoudingen tussen noord en zuid, wat overkomt als een erg negatieve houding. De oude slogans spreken minder aan. Jongeren willen een meer positieve opbouwende boodschap horen. Ook het verenigingsleven gaat erop achteruit: in de moderne tijden van online communicatie zijn er veel meer alternatieven waar men vrijblijvend naartoe kan gaan.


Enkele pistes voor vernieuwing

En zo komen we tot enkele pistes voor een ‘vernieuwde’ Vlaamse Beweging. Communicatie en perceptie zijn erg belangrijk. Men moet dus meer en extensief gebruik maken van de sociale media (facebook, twitter) en een goede website. Doorbraak is daarbij een mooi voorbeeld. Maar jongeren kunnen daar veel creatiever mee omspringen. Men mag niet vergeten dat het ‘posten’ van boodschappen een multiplicatoreffect heeft, waardoor je meer mensen kunt bereiken. Daarvoor is een nauwere samenwerking tussen diverse bewegingen aangeraden, maar dat is niet steeds evident. Vele staan op hun verdiensten uit het verleden en willen ‘stand alone’ verder gaan. Maar op een gegeven ogenblik zal men toch met zijn hoofd tegen de muur botsen. In het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) schijnt men zich daar wel van bewust te zijn. Wat de communicatie betreft kan het de moeite lonen dat de Vlaamse Verenigingen duidelijk kort aangeven wat hun visie, missie en waarden zijn. Men moet dat dan wel op een meer eigentijdse leest schoeien.

Misschien moet de Vlaamse Beweging dus ook andere thema’s aanhalen. De klassieke tegenstelling noord-zuid is achterhaald, alhoewel dit voor de oudere mensen die nog schrijnende discriminerende toestanden hebben meegemaakt moeilijk te aanvaarden is. Het wil niet zeggen dat we nu in Vlaanderen alles blindelings moeten aanvaarden. Andere uitdagingen dienen zich aan. De wereld is namelijk snel aan het veranderen en we evolueren als gevolg van de globalisering naar een multiculturele samenleving. In die context is het belangrijk te achterhalen wat de Vlaamse identiteit juist inhoudt.

Paul Becue

20 juli 2017

Top


 

Van grootgrutter tot mecenas

                        (V.V.A. On-Tour naar de Kunstcollectie Hugo Voeten op 26 mei 2016)

                                          “ Het  was in eenen tsinxendage
                                             dat beede bosch ende haghe
                                             met groenen loveren waren bevaen “

                                                    (uit “Van den Vos Reynaerde" verzen 41-43)
                                            

In de “stille” Kempen ligt nabij de afrit van de E-40 het Art Center van Hugo Voeten, in een vorig leven de grote baas van de voedingsketen “Cash Fresh”.  Het is een oude graanfabriek die door handige bouwmeesters werd omgetoverd in een kunstpaleis met negen verdiepingen.

We werden onthaald door twee vrouwelijke gidsen die beide goed van de tongriem gesneden waren en uitvoerig vertelden over de droom verwezenlijkt door de stichter van de tempel en zijn collectie.

Op de bovenverdieping werden we verrast door een serie portretten van oude mensen geschilderd door Bulgaarse kunstenaars. Het waren blijkbaar mannen en vrouwen die getekend waren door de jarenlange communistische onderdrukking, een somber “smoelenboek“ dat indruk maakte op de kijkers.

Er werd verteld dat het de grootste Bulgaarse kunstcollectie was buiten de landgrenzen van Bulgarije, het resultaat van vele reizen van Hugo Voeten naar dit voormalige Oostblokland. Hij is er nu ook honorair consul.

Er was ook een verzameling litho’s o.m. van Frans Masereel en een mooi bustebeeld van de hand van de Mechelse kunstenaar Rik Wouters, dat zijn vrouw Nel voorstelde.

Op het middaguur gingen we lunchen op de bovenverdieping van het restaurant Link 21 bij de autoweg, vanwaar wij een mooi uitzicht kregen op de file auto’s en vrachtwagens die zich als een harmonica voortsleepte richting Antwerpen. Ondertussen was de temperatuur flink opgelopen tot 24° en meer.

Na 14 uur vertrokken we naar de Beeldentuin in Geel waar we ook door onze gidsen werden opgewacht aan de woning van Voeten, de voormalige tiendenschuur van de Norbertijnen van Tongerlo,. Het werd een lange wandeling in de brandende zon doorheen het park van 15 ha. langs allerhande bronzen dieren en “nudes“ van sterke mannen en fors uitgebouwde vrouwen in allerlei vormen. Het merendeel ook beelden van Bulgaarse kunstenaars met namen die eindigden op –ov of –ev zoals  Damianov, Koichev, Popov, Roussev of Solakov. Vooral het beeldhouwwerk van de Duitse kunstenaar Arno Breker, beïnvloed door Auguste Rodin, trok de aandacht.

Fragment van het monumentaal beeld
van de Evangelist Mattheus door Arno Breker
in de Beeldentuin

Er waren ook werken van Willy Van Parijs, Ronald  De Winter, Panamarenko, Wim Delvoie en Bea Van Dorpe

Er stonden voor sommigen jammer genoeg te weinig banken en er was te weinig schaduw in de tuin, ontworpen door de bekende tuinarchitect Jacques Wirtz (°1924) en dan sloeg ook de vermoeidheid toe. Het was een lange dag en meer dan voldaan keerden we terug naar het bronsgroen eikenhout.

Joris Luyckx
VVA-lid Afdeling Limburg,
rechtskundige en ere-rechter bij het Hof van Beroep Antwerpen

http://artcenter.hugovoeten.org/nl

Top


Alfons Kerkhofs - Een Limburgse blik op het IJzerfront

Stichter Salvatorziekenhuis was dokter én fotograaf in Eerste Wereldoorlog

Luk Van de Sijpe – Uitgave Limburgse Studies 2013

Woensdag 22 oktober 2014 organiseerde het VVA-Limburg zijn avond rond WO-I. Voor een tachtigtal VVA-leden presenteerde Luk Van de Sijpe het boek Alfons Kerkhofs – Een Limburgse blik op het IJzerfront. Dat boek ontsluit op een prachtige wijze het ruime archief dat dochter Anny Cleeren-Kerkhofs jarenlang zorgvuldig thuis bewaart.
Geschiedenisdocent Luk Van de Sijpe stelde het boek samen, schreef het woord Vooraf en boeide de aanwezigen met de toelichting bij zijn boek.


______________________

Vooraf

'Mevrouw Anny Cleeren-Kerkhofs koesterde jarenlang de oorlogscollectie van haar vader, dokter Alfons Kerkhofs. Naar Limburgse normen is deze uniek. Naast zijn persoonlijke voorwerpen: een grote kist, helm, sabel, medische voorwerpen, briefwisseling en beknopte dagboeken verdient vooral de grote verzameling van meer dan 1.000 frontfoto’s de volle aandacht. Dankzij haar medewerking kan een Limburgs accent toegevoegd worden aan de stortvloed van historische bronnen en erfgoed met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog. Haar eigen emotionele betrokkenheid en zorg blijken duidelijk uit de herinneringen die zij bij de aanvang evoceert.
Voor deze publicatie werd een duidelijke keuze gemaakt tussen de documenten en archieven bewaard door Anny Cleeren-Kerkhofs. Het lag niet in de bedoeling om een intieme oorlogsbiografie van dokter Alfons Kerkhofs te maken, wel een breed publiek een indruk te geven van het dagelijkse leven aan het front dat zo veel meer was dan de oorlogsgruwelen, die zo grondig gedocumenteerd zijn en waarop zo vaak de nadruk gelegd wordt. Tussen alle veldslagen en schermutselingen in moesten honderdduizenden jonge mannen gedurende vier lang jaren een leven proberen op te bouwen, ver van familie en gezin, onzeker over wat morgen zou brengen. Daarom werden voor deze publicatie twee elementen uit de veel omvangrijker nalatenschap gekozen: de beknopte agendanotities en een honderdtal foto’s die per grote thema’s geordend werden. Het geheel wordt voorafgegaan door een biografische schets.
Bij de keuze van de foto’s werd zowel uitgegaan van een aantal formele kenmerken als van de relevantie en de visuele kwaliteiten. De selectie bevat alle foto’s die op de achterzijde door een notitie op de een of ander manier geïdentificeerd zijn, aangevuld door enkele foto’s zonder verdere duiding maar van uitstekende technische en visuele kwaliteit. De voorkeur werd gegeven aan foto’s met een emotionele waarde. De geselecteerde foto’s worden thematisch gepresenteerd.
Mijn bijzondere dank gaat uit naar Anny Cleeren-Kerkhofs. Zonder haar voorbereidend werk en medewerking zou deze publicatie onmogelijk geweest zijn. Zij en haar familie deelden in mijn enthousiame om deze uitzonderlijke bron voor het grote publiek te ontsluiten en op die manier aandacht te besteden aan een Limburgse getuige van het zware frontleven in het verre West-Vlaanderen.'

Luk Van de Sijpe

_____________________________

Anny is al vele jaren lid van de Limburgse VVA-afdeling. Zij was zelf getrouwd met een geneesheer die nog als jonge dokter gewerkt heeft bij dokter Alfons Kerkhofs zelf. Acht kinderen kregen ze samen. Zij is bijzonder kunstzinnig en leidde lang in Hasselt de kunstkring Arcade. Op dit ogenblik is zij 87 jaar en nog heel gezond en flink. Na de samensteller van het boek over haar ‘papa’ kwam zij zelf vertellen over de vele herinneringen die zij heeft door de verhalen over de oorlogsbelevenissen die haar vader vanaf toen zij kind was vertelde tot hij in 1957 overleed.

Beluister haarzelf hoe zij vertelt over haar vader 3'56"

Het werd een fijne verhelderende en boeiende VVA-avond in Rapertingen.

Top


Noël Geirnaert en het Gruuthusehandschrift - augustus 2013






Noël Geirnaert
(Eeklo, 25 december 1951),
dr. Geschiedenis, is archivaris en historicus.



 



Sinds mei 2008 is hij hoofdarchivaris in het stadsarchief te Brugge.
Het artikel over hem in Wikipedia geeft zijn grote staat van verdiensten weer.
Voor de neerlandicus is zijn opzienbarende en revelerende publicatie over de identiteit van Edigius uit het Egidiuslied dat voorkomt in het Gruuthusehandschrift, van grote betekenis.
Ze is vervat in “Op zoek naar Egidius. Het laatmiddeleeuwse Brugge in het Gruuthusehandschrift, in: Frank WILLAERT (red.), Het Gruuthusehandschrift in woord en klank. Nieuwe inzichten, nieuwe vragen, 2010, Leuven”.
Zijn bevindingen zijn ook opgenomen in de tekst “Het Gruuthusehandschrift in de cultureel-maatschappelijke context van Brugge rond 1400” blz. 81-88 in “Liefde & Devotie” Het Gruuthusehandschrift: kunst en cultuur omstreeks 1400 – red. Jos Koldeweij, Inge Geysen, Eva Tahon bij LUDION gepubliceerd n.a.v. de tentoonstelling in het Gruuthusemuseum, Brugge van 22 maart tot 23 juni 2013.

Noël Geirnaert is langdurig lid van de VVA-afdeling Brugge en heeft zich ook geruime tijd ingezet als hoofdbestuurslid van het VVA.

We publiceren hier zijn samenvattend besluit.

“De teksten in het zogenoemde Gruuthusehandschrift zijn rond 1400 ontstaan, en ze hebben gefunctioneerd in de Brugse stedelijke samenleving, meer bepaald in het kosmopolitische milieu van de Brugse hogere burgerij. De liederen, gebeden en gedichten bevatten verwijzingen naar de Brugse bontwerkers, makelaars en hosteliers van die tijd. Dit milieu was nauw verbonden met de Bourgondische machthebbers, maar (nog) niet beïnvloed door de Bourgondische hofcultuur. De dichters getuigen in hun werk van een diepe religieuze spiritualiteit, onder meer gekleurd door een innige Mariadevotie. Ze waren dan ook nauw betrokken bij het lokale religieuze leven in gilden en parochies. Dit weerhield ze niet om tegenover geestelijken een kritische houding aan te nemen, zich te amuseren in luidruchtige drinkgelagen en hun geliefde te bezingen in hoofse poëzie en lyrische balladen. Jan Moritoen, Jan van Hulst en Gillis Honin, de betreurde vriend Egidius, kunnen in dit milieu worden gesitueerd. Daarmee krijgen de teksten van het handschrift naast een literaire ook een maatschappelijke dimensie.”

Het Gruuthusehandschrift behoort samen met het Van Hulthemhandschrift en het Comburgse handschrift tot de belangrijkste verzamelhandschriften uit de Middelnederlandse literatuur.

Ere aan Noël Geirnaert voor zijn belangrijk opzoekingswerk en zijn onthulling over de figuur van Egidius.

Het Egidiuslied (folio 28r)

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn


Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat.

Nu bestu in den troon verheven
Claerre dan der zonnen scijn
Alle vruecht es di ghegheven

Nu ben je in 't hemelrijk verheven,
helderder dan de zonneschijn,
alle vreugd is jou gegeven.


Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.


Nu bidt vor mi ic moet noch sneven
Ende in de weerelt liden pijn
Verware mijn stede di beneven
Ic moet noch zinghen een liedekijn
Nochtan moet emmer ghestorven sijn

Bid nu voor mij, ik ben verweven
met deze wereld en zijn kwaad.
Bewaar mijn plaats naast jou nog even,
ik moet nog zingen, in de maat,
tot de dood, die elk te wachten staat.


Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat.
(vertaling Willem Wilmink)

Top



Het rijke Roomse leven in mijn dorp - Terugblik van een oude zondaar - Jos Journée - juni 2013

Misschien is er een snuifje nostalgie aanwezig in mijn teksten, niet echt dominant. een zweem van nostalgie lijkt mij … een tere ochtendnevel in de velden van mijn herinnering, in de velden van mijn dorp, nevel die het ‘hoekige’  landschap van het verleden, even versluiert en verzacht ...
        Misschien is het mijn cursieve vorm van achting voor een verleden, verleden dat zeker  niet helemaal onder de mat geveegd dient te worden ... laten we blij zijn met de positieve zijde van de evolutie. Het negende gebod heeft zijn beste tijd gehad ….
Wie zou er tegen minirokjes zijn, vooral als de daardoor vrijgegeven ruimte esthetisch verantwoord  is.

                                                                                                           Jos Journée, juni  2013

De thematiek van ‘The power and the  glory’ van Graham Greene gaat over een man die overspel pleegt, met zijn vrouw dan ‘s zondags in de kerk zit, maar beseft dat, als hij niet te communie gaat, zijn vrouw daardoor weet dat hij is vreemd gegaan. Dus gaat hij toch te communie en weet daarmee een verdoemelijke zonde op zich te laden en een niet te vergeven heiligschennis … a pathological fear of taking communion, while suffering the stain of mortel sin (sin =zonde). Het boek werd door ‘Time-magazine’ uitgeroepen tot een van de honderd beste in het Engelse taalgebied, sinds 1923.  Wij kennen Graham Greene als de scenarioschrijver van ‘The third man’, door mij en door velen ervaren als een der beste films aller tijden, mede door de citer van Anton Karas. Maar dit even ter zijde. Het merkwaardige is dat de  thematiek destijds gebruikt door een der grootste schrijvers van vorige eeuw, vandaag de dag nog weinig relevantie heeft.

Toen wij klein waren hing er een soort religieuze angst in de lucht. Echt vervelend was die angst, te kruideniersachtig om existentieel te zijn, maar vervelend genoeg om behoorlijk wat roet in het eten te gooien. Er werd dagelijks boek gehouden over de dagelijkse en mogelijk de doodzonden. Een doodzonde was een ernstige zaak en je had ermee te maken voor je het besefte, want het hele veld van de seksualiteit was een mijnenveld met zware zondigheid. De kerk voelde zich geroepen om zich intensief met de zaak te bemoeien. Ze trokken de wacht op bij het huwelijksbed en ook bij andere bedden. De hele doening rond biecht en communie kreeg daardoor een bijzondere plaats. Het kwam vaak neer op het bijhouden van een soort zondentelraam, waarbij de bollen zes en negen zwaar doorwogen. De pekelzonden waren de cijfers na de komma. Waar het eigenlijk vaak om ging, stond voor de komma, het prikkeldraadgebied tussen kuis en onkuis. Gelukkig waren er wijze, letterlijk of figuurlijk dove biechtvaders die, ver van de moraalcodexen in een breed en absolverend gebaar, in eindeloze herhaling, zonder enige vraag of verwijt begrip opbrachten voor de menselijke natuur. Eén ervan was een oude bruine pater, die iedere zaterdag met de trein vanuit Leuven met groot succes ‘zitting’ kwam houden in het halfdonker in de biechtstoel, rechts achter in onze kerk. Maar op het fornuis van het leven bleven de appetijtelijke gerechten sudderen. Alleen had het wat sappiger gekund.

‘Boer Bavo’, de keurige heer, zit gebeiteld in  het collectieve geheugen van de Vlamingen. Bert Broes schreef  de tekst  en de intussen overleden Vlaamse kleinkunstenaar Miel Cools zong: … hij kneep de katjes in het donker … hij kneep ze bij nevel, bij sterrengefonkel … hij kneep ze zacht …. hij was lid van de kerkfabriek … hij ging iedere zondag naar de mis …‘Boer Bavo’ van Miel Cools, ‘Mieke  Maaike’ van Louis Paul Boon, ‘Mira van de Waterhoek’ van Streuvels …  het waren geen uitzonderingen in onze wereld.
Professor Kerkelijk Recht aan de Universiteit Leuven en intussen rector Rik Torfs, tussendoor ook een beetje kleinkunstenaar, poneerde in het kader van een reeks conferenties ingericht door ‘Universiteit van de vrije Tijd’  in het Cultuurcentrum te Sint-Truiden: ‘de grote fout van de kerk was: zij had uit het bed van de mensen moeten blijven’.                                                                                  
enerzijds, anderzijds.      
Bij zijn viering onlangs in Tessenderlo vertelde  Louis Verbeeck, de man die ‘de kleinkunst’ in Vlaanderen tot leven bracht, in een interview: ‘Toen ik mijn lief heb leren kennen heb ik vier jaar gevrijd, zonder te vrijen … dat was toen zo’. 
De Nederlandse grootmeester van de ‘kleinkunst’ Godfried Bomans vroeg zich af in zijn boek ‘In de kou’ (zesde druk in 1979)  ‘of iemand die een paar jaar theologie heeft gestudeerd, de adolescentie kan begeleiden … ik geloof dat je voor psychiater negen jaar moet studeren … ik heb eens een meisje gesproken, dat deed aan masturbatie, en toen vroeg de priester: was daar een zaaduitstorting bij?   Bomans.   Als de ‘heilig makende genade’ en ook de ‘dadelijke genade’ dreigden het te moeten afleggen tegen de aanstormende natuur dan bleef er alleen nog …            het boek van: Tot Tihamer, ‘Reine Jeugdrijpheid’. Hongaarse bisschop, overleden in 1938.

De biecht heeft, meer dan gelijk welk ander sacrament - er waren er toen zeven - gezorgd voor zeer veel mooie houtsculptuur, voor groot vakmanschap bij het bouwen van de nodige accommodatie. Behalve in Compostella staan de biechtstoelen er nu een beetje werkeloos en troosteloos bij. Rooms antiquariaat.
Een grote troost bood de religie in de vorm van aflaten, een methode om boete af te kopen. Er bestonden verschillende tarieven. Een schietgebedje kon je al ‘zeven dagen en zeven quadragenen’ opleveren. Wat die quadragenen betekenden heb ik nooit kunnen achterhalen. En nu is het niet meer nodig. Er was, lang geleden, ook een tijd dat je aflaten kon kopen – de mercantiele kant van de Roomse religie. Maar Luther, toen nog katholiek, trapte daar niet in, en dus werd er hij er uit getrapt. Dat heette: in de ban geslagen. En zo is dan het protestantisme ontstaan met intussen, meer religie dan de katholieken! Er waren ook de ‘persuncula’, persunkelen  zeiden de mensen. En dat kostte niets. Het kwam er op neer, in en uit de kerk te lopen en binnen en buiten een bepaald gebedje te zeggen. Je moest dan wel telkens weer die trappen op en af, maar dat kon dan een volle aflaat opbrengen, hoe erg en hoe dikwijls je de zaak ook verknoeid had - en ik geloof dat het ook overdraagbaar was. Na de doodzonde was dat wel een goede zaak voor de mensen. Wonende tegenover de kerk hadden wij dus een goed zicht op de zondeproblematiek van onze dorpsgenotenzondaars.

Jarenlang was Paul Raymaekers met succes de man aan het grote orgel. Af en toe werd hij vervangen door student Ivo, de latere dokter Borgers uit de Grootveldstraat. Nooit zal ik de Witte Donderdagen vergeten. De plechtige morgendienst begon met uitzonderlijk veel decibels: de beide klokken in de toren, de bellen van de misdienaars en bovenop met alle orgelpijpen open, het majestueuze ‘Gloria in Excelsis’ … En dan werd het plots indrukwekkend stil op de wereld.
Het altaar werd helemaal ontmanteld, een volkomen kaalslag, het tabernakel leeggehaald en achtergelaten met open gapende deurtjes.
De klokken waren vertrokken naar Rome om eitjes te gaan halen voor de kinderen.
‘s Anderendaags, ‘Goede Vrijdag’ was het een en al treurigheid. Celebrerende geestelijken in zwarte of paarse paramenten gingen zich plat ter aarde neerleggen, het gezicht tegen de grond. Een dag vol rouw. Maar ’s zaterdags kwamen de klokken onder luid gelui terug uit Rome. Van ’s morgens vroeg stond ik, samen met mijn broers Henri (+) en Urbain (+) te kijken naar de kerktoren om een blik op te vangen van de terugkeer van onze zwevende klokken. Het lukte nooit – maar de eitjes lagen wel lichtjes verstopt in de tuin.  Roomse religie uit mijn jeugd.

Een stukje eenvoudige authenticiteit, zonder franjes, maakten we mee op de ‘kruisdagen’, de drie dagen voor de donderdag van Hemelvaart als we door de velden trokken: Paul Raymaekers voorop gevolgd door misdienaar ‘Jos van den doktoor’, de onderpastoor en een aantal mensen van het dorp, afhankelijk van het gekozen veldtracé. Mooi achter mekaar op de modderige veldwegen van ons dorp, de litanie van alle heiligen prevelend en dan samen repetitatief: ‘Ora pro nobis’. Het veld lag er meestal nog koud bij. De lente hing dan al in de lucht, maar de winter zat nog in de grond. Gewassen probeerden zich pril aan te kondigen. Breed gespannen stond de hemel boven de vertrouwde velden. Aan de hemel werd gevraagd dat het genoeg zou regenen, maar ook niet te veel, dat de zon mild zou stralen dat er liefst geen hagel zou vallen op de vruchten, dat de oogst goed zou zijn. Zo’n  vroege ochtend was kalm en vredig. Het enige wat je van de elementen merkte was dat de wind zacht speelde in de lichtopwaaiende witte superplies en paarse stolen van Paul Van Schaubroeck, de legendarische onderpastoor. Religie van de zuivere soort, religie zonder show.

Op het raakvlak tussen religie en volksgeloof staat de ‘boeteprocessie’ naar de kapel van Sin-Rochus, later uitgegroeid tot een grote openbare ‘Hosanna in den hoge’ gebeuren. Er was destijds een verschrikkelijke pestplaag, zodat het dorp op enkele inwoners na was uitgestorven. De toenmalige pastoor en enkele overlevenden zouden besloten hebben een kapel op te richten ter ere van Sint-Rochus en jaarlijks een openbare boeteprocessie te houden naar deze kapel. Volgens de legende heeft de pest dan nog een laatste slachtoffer geëist: de pastoor! En dan hield de kwaal op!    Slechts dertien personen ontsnapten aan de ‘zwarte dood’  Deze hebben dan wat hogerop het nieuwe gehucht ‘Nieuwdorp’ gebouwd.

[De iconische oude kapel, religieus erfgoed en de opnieuw opgebouwde ‘constructie’
Foto R. Deneef]

Volgens Frans Borgers, auteur van ‘De Geschiedenis van Geetbets’, is dan vanaf 1641 jaarlijks een boeteprocessie gehouden naar deze kapel, daags na het feest van O-L-Vrouw Hemelvaart. De oude kapel had ongetwijfeld een stuk mystieke uitstraling mede door de oude lindeboom. De intussen bouwvallig geworden kapel werd vervangen. De verhoudingen werden gewijzigd. Er kwam een nieuwe ‘moderne’ deur  en er is geen opening meer om te offeren – toch essentieel in het christelijke gebeuren en in de authentieke kapelarchitectuur. De mystieke uitstraling is totaal verdwenen. Het wordt wachten op een mirakel van de toenmalige pastoor, voor een deur die de mystiek enigszins herstelt.

Bets kon qua indrukwekkende religieuze infrastructuur bogen op twee functionele, monumentale, uitzonderlijk mooie ‘accommodaties’: het orgel en het altaar. Er is geen Roomse Religie denkbaar zonder Gregoriaanse orgelmuziek, er is geen Mozart denkbaar zonder orgel. In het kader van een reeks festivals speelde Bruno Bruyninckx op  9 juni 2013 Mozart op ons Clerincxorgel uit 1863: ‘Laat ons juichen Batavieren’ in KV24.
Om stil van  te worden

[Pauluskerk Geetbets
het Clerincx orgel
1863 ]

Dat haalt herinneringen naar boven. Iedere zondag na de hoogmis van 10 uur werd op het orgel met veel decibels ‘het lied voor de koning‘ gespeeld’: ‘Baldewinum ...’
Soms liet Paul Raymaekers het orgel over aan  Ivo Borgers, toen student geneeskunde in Leuven. Dit ook in de periode van ‘Walen buiten’.   Suenens, de kardinaal wilde de Franstaligen in Leuven houden en liet dat via een ‘herderlijke brief’ weten aan de ‘beminde gelovigen’: ‘Mandement Suenens’ ... niet akkoord … ophoepelen!  Niet onmiddellijk een houding van christelijke naastenliefde. ‘Walen buiten’ en ‘We shall overcome’ waren de wapens van de Vlamingen. Verbaal en muzikaal!
Ivo Borgers speelde na de hoogmis met veel decibels niet ‘Baldewinum …’ maar ‘We shall overcome. Toeval of niet, ’s anderendaags werd het ‘Mandement Suenens’ ingetrokken!

En dan … het grandioze altaar. Boven het tabernakel was er een vernuftig  systeem waarbij in een draaiende beweging een rijkelijk versierd kapelletje vrij kwam, voor de gouden remonstrants van de parochie, een soort retabel in torenvorm, met een krans van zonnevlammen, gemonteerd op een sierlijke kunstig gedreven voet. Centrum van het kunstwerk, geelwit glanzend van gouden en zilveren, vergulde of verzilverde substantie, was een kleine ronde glazen huls waarin een hostie stond te stralen.  Die hostie was fascinerend, hoewel we ze al vaak hadden gezien in de heffende handen van de priester en met open mond  neergelegd kregen op de tong … dun, blank, broos, licht doorschijnend en nagenoeg smakeloos.  
De remonstrants met hostie werd  getoond bij grote feestelijkheden en heel speciaal bij ‘de gedurige aanbidding’ Vierentwintig uur aan een stuk moest er gebeden worden met altijd minstens één gelovige in de kerk. De monstrans werd ook onder een baldakijn gedragen in de grote processie.
In zijn verhaal over ‘een veranderde aanwezigheid ‘ schrijft prof. Jacques Claes :
‘Het is vreemd, maar vele ogen van toen - er waren er ook andere - stuiterden niet af op de blankheid van de hostie, vielen niet stil op de witte uitzichtloosheid van de schijf. Gefascineerd kon ik kijken en blijven kijken. In haar afsluitende en ontoegankelijke witheid werd die hostie in zekere mate doorschijnend. In een soort sacrale difanie werd het kleinood epifanie van een werkelijkheid, die in haar onverdraaglijke onbetreedbaarheid uitnodigend en zelfs aantrekkelijk werd. Er opende zich een ruimte waarin het licht evenredig was aan haar onkenbaarheid. Het was een ruimte van stralende helderheid, maar opaak tevens in verre onbetreedbaarheid’
Prof. Claes was een cultuurfilosoof, dat is wel duidelijk.

Een hoogdag in het rijke Roomse leven van mijn dorp, werkelijk ‘un jour de gloire’ was de processie op de dag van de kermis in augustus. Na de hoogmis ging het met de priesters in vol ornaat, vanuit de kerk langs de Dorpsstraat, Steenstraat en Drinkteil naar Sint -Rochuskapel. Daar werd de zegen gegeven met de hostie in de gouden remontrans. De straten waren versierd, voor het vensterraam van de huizen een heilig hart en brandende kaarsen – af en toe een vuurvattend gordijn. De zware gouden remonstrans met hostie werd om beurten door de pastoor en de onderpastoor gedragen. Zij liepen onder een feestelijk baldakijn, dat werd gedragen door de beste katholieken van het dorp. Het was een grote eer dit te mogen doen.

Achter het baldakijn op de eerste rij de kerkmeesters met ondermeer ‘Lowie van de Motte’ en Jefke Schuermans uit Hulsbeek, in de hand een stok met bovenop een brandende kaars in een glazen houder. Kinderen als engeltjes in het wit met vleugeltjes, een rits nonnen van ‘de christelijke scholen’ in het zwart, soms een fanfare en heel veel mensen liepen mee. Het was een manifestatie van grandeur: een zingende zegevierende kerk.

[een juweel, historisch en iconisch
bestaat niet meer, jammer]

Een sacrament dat de geschiedenis overleeft, een mooie illustratie van de buitengewone religie in het leven van de aankomende jeugd was het vormsel. Dat was heel belangrijk, want Josephus Ernestus de aartsbisschop uit Mechelen kwam dan naar ons dorp. Als voorbereiding moesten wij een lied aanleren: ‘Veni creator Spiritus …’  heel mooi.  De onderpastoor mocht van vader het lied komen aanleren in de school, en in zijn klas. Dat telde dan zowel voor godsdienstles als voor zangles. Voor beiden meegenomen. Monseigneur  was niet alleen een titel, maar een stijl. Alles aan hem had seigneuriale allure. Zijn gebaren waren als gegoten in de plooien van de plechtige paramenten die hij sierlijk droeg. En dan die mijter op het hoofd! Wat hij verteld heeft, die morgen in Bets, daar weet ik niets meer van. De vraag is of die man überhaupt iets te zeggen had. Eigenlijk moest hij niet veel zeggen. Zijn sacrale aanwezigheid volstond. Men zou zich nauwelijks kunnen voorstellen met zo’n man een conversatie te hebben. Maar de ‘Veni Creator’ is voor mij nog steeds muzikaal zeer mooi. En het paramantiek is een indrukwekkende en kunstzinnige expressie van de rijke Roomse religie.

Heel traumatisch was de idee te sterven in ‘staat van doodzonde’. Dat betekende voor eeuwig in de hel ! Dat was zo wat in een paar woorden de thematiek en de dialectiek van drie bruine paters, die regelmatig een driedaagse missie kwamen opvoeren in ons dorp. Dan hing Sodoma en Gommora in de lucht. Die paters waren  gespecialiseerd in de zware zonden, en de bijhorende donderpreken. Zij zorgden voor een regelmatige revisie van de zondige zielen van ons dorp. Iedere avond kregen we dan een ‘opvoering’, in een bewust donker gehouden, angstaanjagende kerk met weinig kaarslicht. Van op de preekstoel, hoog boven de mensen, nu eens schreeuwend en huilend, dan weer seconden muisstil  lieten ze de tragiek van de zonde nederdalen over een paar honderd ineengekrompen, voorovergebogen, weerloze zondaars.
Maar de laatste dag, dan was er feest, de paters werden bedankt en Maria Stockx, de mooiste maagd van het dorp, zong  in een lang wit kleed op het hoogkoor de Ave Maria … van Schubert.

Uit het ‘rooms-katholiek Mis- en Versperboek’, terloops nog even in het kort melding doen van de toenmalige ‘geheimen’: De blijde geheimen / De droevige geheimen/ De glorievolle geheimen, telkens vijf ! …Even opzoeken indien gewenst!    

Onze parochie had destijds twee ‘full time’ priesters, een pastoor en een onderpastoor in zwarte toga met witte Romeinse boord, een kosterorgelist en ’s zondags in de hoogmis van tien uur een ’Suisse’, een Zwitserse wacht in originele ‘outfit’ met steek op het hoofd en hellebard in de hand om de orde te verzekeren in de kerk en de militaire groet te brengen bij de consecratie.  Maar ook dat was religie! In de week waren er twee missen en ‘s zondags vier plus een lof om drie uur.

De trappen van de kerk zijn dus niet alleen uitgesleten door de persunculazondaars!

‘Het rijke Roomse leven’!
Wij begonnen onze tekst met  Graham Greene.
Meer dan een eeuw later, op 17 juni 2013 lazen we in de Standaard  Erwin Mortier, titel: ‘Roze Rome - ‘Opinie en Analyse’, ondertitel ’Morele Bijziendheid’. Mortier concludeert: ‘De kerk heeft nood aan een theologie, die de mens, zijn lijf en hunker naar de ander erkent en eert’.
Cirkel rond … of toch niet ?

De ‘cast’ van het ‘Rijke Roomse Leven’ in Bets bestond ondermeer uit: pastoor Jozef Deswert(+), onderpastoor Paul Van Schaubroeck(+), de kosterorgelist Paul Raymaekers(+), de  ‘Suisse(+)  de nonnen van de meisjesschool(+), de misdienaars: Jos Buvens, Marcel Dewijngaert, René Vannerem, Hugo Raymaekers(+) Valère Poortmans, Maurice Smolders(+) e/a., de kerkmeesters Louis Foriers(+), Jefke Schuermans(+) …de bruine biechtpater uit Leuven, de misssiepaters.

[Tekening op de ‘cover’
Bron: tekening naar een  foto ‘Nels’ uit het boek:‘ Het is niet meer zoals het was’ van Louis Ruytinx. Het pleintje had nog geen houten palen met openbare verlichting! De huizen hadden nog geen elektriciteit!  Kraaien hebben wij toegevoegd.]

‘Het rijke Roomse leven’ in ons dorp vond ook een beetje neerslag in de poëzie:

Mijn dorp, mijn land

Kassei van mijn land
Hageland
land van kasseien en doornhagen
land van God... sommige dagen
van nonnen met kappen
pastoors, schoolmeesters en Naarke de garde
braconiers, stokers en lorejassen
land van socialisten, katholieken en liberalen
en van doodzonden... alle dagen

Land van herbergen, bier en mooie maagden
van kermissen, velokoersen en hanen
vechtend op de Molenkouter en in Bergen
maar ook
land van processies en mystieke stoomtreinen
van Gete, Melsterbeek en Kromme Maas
en van vele canada's
mijn land...
land van God... sommige dagen

Mijn toren

't Is geen Sint-Rombouts
en geen Sint Michiel
geen Saint Pauls
of geen Notre Dame..

Maar dat hoeft ook niet
't is de toren van mijn straat,
't is dus de mooiste die d'er bestaat

Mijn Big Ben, en
mijn Klokke Roeland
en bovenaan, mijn gouden haan
glinsterend in de zilveren maan

En Petrus en Paulus
de heiligen van ons dorp
in witte steen gehouden
rotsvast op wacht, onderaan

Misschien is er een snuifje nostalgie aanwezig in mijn teksten, niet echt dominant. een zweem van nostalgie lijkt mij … een tere ochtendnevel in de velden van mijn herinnering, in de velden van mijn dorp, nevel die het ‘hoekige’  landschap van het verleden, even versluiert en verzacht ...
Misschien is het mijn cursieve vorm van achting voor een verleden, verleden dat zeker  niet  helemaal onder de mat geveegd dient te worden ... laten we blij zijn met de positieve zijde van de evolutie. Het negende gebod heeft zijn beste tijd gehad ….
Wie zou er tegen minirokjes zijn, vooral als de daardoor vrijgegeven ruimte esthetisch verantwoord  is.

                                                                                                           Jos Journée, juni  2013

Bibliografie: 
Geschiedenis van Geetbets - Frans Borgers
Mijn dorp aan de Gete – Jos Journée
Mijmeringen over de twintigste eeuw – Jacques Claes         
Rooms-Katholiek Mis- en Vesperboek - uitgever Proost                                                                                
In de kou – Godfried Bomans en Michel van der Plas           

Top


“De ijzersjeiks van de prehistorie“ - “Over de Etrusken en hun bijzondere geschiedenis“(1)
Joris Luyckx - maart 2013

De auteur is voormalig rechter bij het Hof van Beroep in Antwerpen. Hij woont in Tongeren en is lid van
de VVA-afdeling Limburg. Hij schreef deze tekst naar aanleiding van het VVA-bezoek van de afdeling Limburg aan
de tentoonstelling in het Gallo-Romeins museum in Tongeren over "De Etrusken - Una storia paricolare", die loopt van 16 maart tot 28 augustus 2013.

De Etrusken bevolkten in het oude Italië de streek tussen de Tyrreense zee, de Tiber, de Arno en de Apenijnen (Toscane, Lazio, Umbrië). Het kerngebied was Toscane dat verwijst naar Tuscië, Tusci , Etruria, Etrusken. De namen van vele restaurants en pizzeria’s verwijzen nog naar dit mysterieuze volk. Hun taal is nog altijd niet helemaal ontcijferd. Hun eerste sporen vanaf de 11de eeuw v.Chr. zijn bescheiden: toen woonden ze in hutten van hout, stro en klei.

In het zuidelijke Etrurië (Caere, Vezji, Volsinii, Orvieto) meer bepaald in Sorano is er veel tufsteen in de bodem geschikt voor verdediging, bewoning en rotsgraven. Op de tuf-plateaus zijn er wijnbergen. In de streek van Viecare veel holle wegen.
Verder zijn er diep ingesneden valleien zoals in Viterbo. De rotsgraven van Norchia zijn de bekendste. De streek van de meren Bolsenna en Bracciano was rijk aan landbouw en visvangst. Aan de kust
(Brosseto) was het meer moerassig en werd aan graanbouw gedaan. Latium (Lazio) was het drukke kernland.

De geschiedenis van de Etrusken kan worden opgesplitst in twee perioden: voor en na 700 v.Chr.
Er was de Villanovaperiode (ca.1100-700 v.Chr.) gevolgd door de zg. 0riëntaliserende periode (ca. 700 v.Chr.-600 v.Chr.), de Archaïsche periode (ca. 600-480 v.Chr.) en tenslotte de Klassieke of Hellenistische periode (480-30 v.Chr.).

Over de oorsprong van de Etrusken bestonden lange tijd drie hypothesen:

Volgens sommigen zoals de Griekse geschiedschrijver Herodotos kwamen ze in de 5e eeuw v.Chr. na de Trojaanse oorlog uit Lydië in Klein-Azië. Een volk dat zich bezig hield met dobbelspelen en achttien jaar door een voedselcrisis getroffen werd. Ze zouden naar Smyrna zijn uitgeweken, schepen gebouwd hebben en zo in Umbrië zijn terechtgekomen. De conclusie zou zijn dat Etrusken uit Turkije kwamen. Piraten die langs de Adriatische zee Italië bevolkten. 

Anderen zoals de historicus Dionysius van Halicarnassos (2), die leefde in de tijd van keizer Augustus, zien hen als autochtonen die inzake taal en gewoonten totaal van de andere volkeren verschilden. Ze vereerden trouwens ook andere goden dan de Lydiërs.

Livius (3) denkt dat ze afkomstig waren uit het Noorden en in verband stonden met de Raetiërs uit de Alpen.

Men heeft ook DNA-onderzoek gedaan op inwoners van Murlo en men vond meer Syrisch-Palestijns DNA dan Etruskisch. Ook werden resten van koeien gevonden met een Turks DNA. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat hongerige Lydiers hun koeien geëxporteerd zouden hebben over zee, temeer dat de Etruskische schepen daartoe niet waren uitgerust.

Hoe dan ook vandaag en vooral sedert 1947 is men zoals de befaamde Etruscoloog Massimo Pallottino (4) meer de mening toegedaan dat er geen breuk is tussen de Italische prehistorie en de Etrusken en dat de Etruskische beschaving plaatselijk ontstaan is onder invloed van etnische en culturele inbreng van buitenaf, alleszins lijkt een massale transmigratie uit Anatolië (Turkije) onwaarschijnlijk, omdat die niet over zee kon plaatsvinden.

De Etruskische beschaving vertoont wel zekere affiniteiten met oosterse vormen uit het Egeïsch-Anatolische gebied in de ruimste zin van het woord. Dat zou dus wijzen op een beperkte immigratie door vermenging van bevolking, autochtone bevolkingsgroepen en nieuwkomers uit het oostelijke Middellandse zeegebied. Het Etruskische volk is het prehistorische Italië gedurende eeuwen.(4)

In de bouwkunst waren er zgn. tholos-graven, koepelgraven die men kon bereiken via een gang en die gelijkenis vertoonden met de Mycene-graven. Ook was er een verband met Oosterse religies zoals bv. de zg. hepascopie, het onderzoeken van de lever van heilige dieren om voorspellingen te doen, wat verwijst naar rituele processen uit de Babylonische wereld.
De Etrusken hadden de kennis om de toekomst te voorspellen “disciplina etrusca“. Seneca zegt: “ Bij de Romeinen denkt men dat de bliksem ontstaan is omdat de wolken botsen. Bij de Etrusken is het omgekeerde: de wolken botsen om de bliksem te doen ontstaan omdat de goden iets willen vertellen.

Aan de basis van de discipline lag de opdeling van het hemelgewelf in 16 door de godheden bewoonde gebieden. In het Oosten waren de menslievende godheden thuis. In het Westen de goden die de mens niet goedgunstig gezind waren. (Zie op de expo “De lever van Piacenza “, verbeeldende een schapenlever). De vakken waren toegewijd aan diverse goden “Libri fulgularis“. De waarzegger of haruspex genoot een groot gezag. De Etruskische priester haalde de lever uit het dier en voorspelde zo de toekomst (Zie op de expo de spiegel). De “Libri Haruspecini“ en “Libri rituales“.

Er was ook een vruchtbaarheidscultus. De priester moest de gebieden en/of steden ritueel afbakenen (cfr. Beeldje van de “Bronzen ploeger“ met twee dieren). Er werden grenspalen geplaatst ((zie expo).

“Perita ut volgo Etrusci caelestium prodigiorum“ (onderlegd in de hemelse voortekens zoals de Etrusken in het algemeen), zo noemden de Romeinse geschiedschrijver Livius Taraquil de vrouw van de Romeinse koning Tarquinius Priscus. Reeds in de oudheid sprak men met ontzag over de Etruskische religie.

In de negentiende eeuw heeft men bv. sporen gevonden op het eiland Lemnos die verwijzen naar Etruskisch geschrift.

De Etruskische beschaving is het resultaat van een langzame evolutie van een hellenisering van de Villanova-cultuur. (5)

De Etrusken waren meesters in artistiek, soms religieus geïnspireerd, vakmanschap dat tot uiting kwam in schitterend gevormde scarabeeën, gouden kettingen, oorhangers, sierlijke haarspangen, bronzen spiegels en vazen maar ook in vernuftige bronzen wapens, gereedschap, schepen, grafmonumenten, paardenkarren, aquaducten, theaterarena’s en winkelstraten.

Op de tentoonstelling ziet men urnen afgesloten met een helm en bronzen biconische urnen. Voor meer eenvoudige mensen bekleed met impasto klei (6). Fibulae en haarspelden daterend uit de Villanovacultuur. De zgn. “Hut-urnen “geven een beeld van de bewoning in de Villanovatijd.

De ontdekking van ijzererts maakte van de Etrusken de “ ijzersjeiks van de oudheid “. Het ruwe ijzererts dat van het eiland Elba werd aangevoerd in de baai van Barati (thans verdwenen door vervuiling, gevolg van slakken ijzer) en kreeg via de havenstad Populonia een vaste bewerking in Piombino (loodstad). Er zijn nog graven en enorme steenblokken uit de Etruskische tijd. Ook het oude Porto Ercole ten zuiden van de lagune van Orbetello, bij Nederlanders bekend als buitenverblijf van de Nederlandse koninklijke familie, is een Etruskische havenstad.

De ertsrijkdom van Elba en de omgeving van Campiglia en het Tolfa-gebergte trokken de Griekse kooplui aan uit Chalkis en Eretria en bracht een levendige handel op gang met andere volkeren in steden zoals Marseille, Carthago en Athene. In het hele Middellandse zeegebied zijn voorwerpen van de Etrusken gevonden. Ook hun wijn en olijfolie viel in de smaak.

Kennis van de landbouw werd vooral door oosterse groepen geïntroduceerd - in een wereld waar reeds duizenden jaren landbouw werd bedreven was dat basiskennis. De Etrusken hadden een grondige kennis van de hydraulica - wat blijkt uit de irrigatiewerken en droogleggingen, bepalend voor de uitgestrekte velden en weiden. Op de Etruskische velden werd graan geproduceerd en  men vond werktuigen voor graanteelt en voor kleinschalige veeteelt.

Er waren belangrijke sociale verschillen. In de 6e tot 5e eeuw was er een aristocratie die zich economisch en cultureel duidelijk onderscheidde van het andere deel van de bevolking, de zgn. principes. Ze leefden in palazzi versierd met sierlijke mozaïeken, zuilen en vloerverwarming en zwembaden. Er was een aristocratie met uitgebreide wijngaarden en een ganse hofhouding van koks en schoonmaaksters. De Etrusken kenden slaven. Het woord servus komt trouwens van het Etruskisch. Zij bewerkten landbouwgronden van de adel en vervulden militaire dienst. De opperlaag van aristocraten waren mijn-, marmer-, houwerij- en hoogovenbezitters die veel personeel tewerkstelden, reders, handelaars, goudsmeden, beeldhouwers, architecten, dichters, toneelspelers, regisseurs en zangers.

De Etrusken leefden in een feodale maatschappij van machtige families met een grote aanhang van ondergeschikten en sodales.

In Etrurië was een overvloed aan metaal, koper, tin en ijzer en er was land in overvloed, werk genoeg voor goud- en fortuinzoekers. Dat heeft in de 8ste eeuw v.Chr. tot de opkomst van de Etruskische beschaving geleid. In de tijd dat Egeïsch-Myceense zeelieden het avontuur zochten langs de westelijke route van de Middellandse Zee, landden groepen Anatoliërs, brengers van een zinderende beschaving in het Midden-Oosten, steeds vaker op de Toscaanse kusten.

Uit drie samenwerkende etnische componenten, namelijk de autochtonen met hun Apenijnse beschaving, het Villanova-volk en de migranten uit de Egeïsch-Anatonlische wereld, dus uit een plaatselijke formatie, werd de Etruskische beschaving gevormd.

De belangrijkste stad was Capua (destijds Volturnum genoemd) maar ook andere steden hadden zich ontwikkeld zoals Nola, Acerra, Nocera en de nederzetting in ontdekt Pontecagnano. Het is de fase waarin de bekendste steden, die de oorspronkelijke Dodekapoli (twaalf steden) van Etrurië hadden gevormd, werden verdeeld over de steden vlak bij de kust. Caere en drie zeehavens Pyrgi, Punicum en Alsium, Tarquinia, Rusellae en Velutonia, Populonia, Veii, Vulci, Volsinii, Volterra en de steden meer in het binnenland zoals Velzana, Clusium, Perugia, Cortona, Aretium en Faesulae.       

Uit de mengeling van grote minerale reserves en geëvolueerde technische kennis op metallurgisch gebied, de aanwezigheid van vruchtbare  gronden met een overvloed van producten, actieve landbouwstanden groeide het Etruskisch mirakel.

Op de tentoonstelling ziet met kunstwerken uit goud en kostbare materialen ( fibula, kommetjes, ringen enz..). In het “ Regolini-Gallassigraf “ vond men versieringen die aan het Oosten deden denken (griffioenen, sfinxen en mythologische wezens). Ook in de rijke graven en paleizen van Murlo ontdekte men de zgn. “cowboy van Murlo“, getuige van een strakke archaïsche beeldhouwkunst, een urnedeksel in hoofdvorm of ontbloot bovenlijf dat oprijst als een held. Zijn naaktheid roept hem uit tot held en onttrekt hem aan de wereld der levenden. Ook ziet men een aantal canopen.

Uit de stammaatschappij van Villanova evolueerde men tot  een meer gesplitste maatschappij zoals in de tijd van Odysseus: burchten van de rijken tegenover het platteland.

De Etrusken stonden bekend als levensgenieters. De zgn. “Banketscène uit Acquarossa“ (een plaat met feestende Etrusken) en schilderingen uit de graven van Tarquinia tonen de Etrusken  als restauranttycoons. Soms werden ze overdreven voorgesteld als “Obesus“, “Pinguis Etruscus“ (de vette Etrusk). Catullus sprak van de lachende Ignatius, de dikke vette Umbriër of Etrusk met vette randjes.

In de ”Tomba dei Leopardi “ vond men de muurschildering van een banketscène met mannen en vrouwen die samen aanliggen. Ze werden voorgesteld als naakt, dronken en losbandig, lieden zonder seksuele moraal maar dat is ook wellicht toe te schrijven aan de jaloersheid van een Griek.

De Etruskische vrouw staat geboekstaafd als de eerste feministe: op grafschilderingen ziet men mannen en vrouwen naast elkaar liggen en samen eten, feesten en dansen.
Dat betekent nog niet dat elke Etruskische vrouw evenwaardig was en mee aan tafel zat of op jacht ging. Dat bleef voorbehouden aan de middenklasse en de aristocratie.

Maar de Romeinen vonden de positie van de Etruskische vrouw toch nogal exotisch met de strikte rolverdeling tussen man en vrouw die ze zelf kenden.
Bij de Romeinen zat de vrouw thuis wol te spinnen “Domiseda lanifica“.

De Etrusken namen na 700 v. Chr. het Griekse alfabet over onder Griekse invloeden. Maar ze legden de basis van ons schrift. Er werden 12.000 teksten in het Etruskisch teruggevonden. Dat we veel kennen danken we aan de grafinscripties. Toch heeft de interpretatie lang op zich laten wachten omdat de teksten inhoudelijk niet diepgaand zijn en de taal niet tot de Indo-Germaanse familie behoort. Ondertussen kunnen we de teksten perfect lezen en kan gesteld worden dat de Etruskische taal een belangrijke rol speelde in onze taalontwikkeling. De Etruskische aanpassingen werden overgenomen door de Romeinen. Ons alfabet en de corresponderende letterwaarde ontlenen we dus grotendeels aan de Etrusken. “De architectura“, het bouwhandboek dat in opdracht van keizer Augustus werd samengesteld door architect Vitruvius en tot in de renaissance gebruikt werd, is gebaseerd op de Etruskische tempelbouw.

De tentoongestelde stukken zijn o.m. afkomstig van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, het Allard-Pierson Museum in Amsterdam, de Vaticaanse en Capitolijnse musea, het museum van de Villa Giulia, de archeologische musea van Firenze en Bologna, het Rheinische Landesmuseum (Trier)  en het Wurtembergisches Landesmuseum in Stuttgart.

Uitzonderlijk worden ook objecten uit het graf van Eigenbilzen tentoongesteld.

De Etruskische cultuur is meer dan een samenraapsel van buitenlandse elementen. Het was een boeiende mix van eigen elementen en externe invloeden. Vrijwel alle objecten komen uit graven van de Etruskische elite: aardewerk in vele stijlen en vormen, zoals een bijna levensgrote waterkruik met oriëntaalse beschilderingen, serviezen met grote bekkens op drie poten voor de rituele consumptie van wijn, ultrafijne sieraden versierd met gouddraad en bronzen spiegels met mythologische scènes, ranke beelden van krijgers, goden en leuke fabeldieren. Tot de topstukken behoren objecten uit het befaamde Regolini-Galassigraf, een uitzonderlijke Etruskische tombe uit d e 7e eeuw v. Chr.  

                                         
                                                                                                                    Joris Luyckx

  1. “Tentoonstelling “ De Etrusken - Una storia particolare“ Gallo-Romeins Museum Tongeren, 2013
  2. Geschiedenis van Rome (I,30,2)
  3. Geschiedenis van Rome (V,33)
  4. Massimo Pallottino (Rome 1909-1995) Etruscoloog en grondlegger van de Etruscologie “ Een laars vol scherven “ – De vroegste geschiedenis van Italië (“Storia della prima Italia“)
  5.  Villanova-cultuur (ca. 900 tot ca. 700 v. C hr.) is een cultuur uit de ijzertijd van het Italische schiereiland. Deze cultuur is genoemd naar de Italische stad Villanova bij Bologna waar de eerste resten van deze cultuur werden ontdekt. Daarmee is het een zgn. typesite. Aanvankelijk werden de dragers van de Villanova-cultuur beschouwd als voorlopers van de Etrusken maar nu is er de communis opinio dat het de vroegste fase van de Etruskische beschaving is. Daarom spreken we van de Villanova-periode. Over deze periode is relatief weinig bekend, de meeste kennis is afkomstig uit graven.
  6. Impasto klei is een term uit de pottenbakkerskunst en betekent onbewerkte gebakken klei. Door impasto wordt de structuur van de oppervlakte van het kunstwerk versterkt.


Top


 

Tussen God en Caesar?
Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society
Matthias E. Storme - boekpublicatie september 2011




DE BELANGRIJKSTE LEVENSBESCHOUWELIJKE VISIES GESCHETST OP DE VERHOUDING TUSSEN RELIGIE, RECHT EN OVERHEID





Hoe kijken de levensbeschouwelijke tradities aan tegen de plaats van de religie in het publieke leven? Hoe denken ze over de positie die de overheid moet innemen tegenover religieuze en andere levensbeschouwelijke uitingen en welke plaats ze daaraan moet geven? Wat is omgekeerd de positie die de levensbeschouwelijke gemeenschap zelf inneemt tegenover de staat of overheid? Welke publieke rol eist een levensbeschouwing op en in hoeverre of voor wie wil zij haar regels laten gelden?
Wat begrijpen de verschillende levensbeschouwingen onder de ‘scheiding van Kerk en Staat’?
Matthias Storme plaatst deze vragen in historisch perspectief; voor elke levensbeschouwing – het oude christendom voor de reformatie, de laicistische vertaling van de verlichting, islam, jodendom en het hedendaagse christendom – wordt kort aangegeven hoe haar visie op deze vragen historisch is gegroeid en hoe zij vandaag kan worden samengevat.

De bekende professor Jacques Claes tekent voor het woord vooraf.

AUTEUR


MATTHIAS E. STORME (1959) is advocaat aan de balie van Brussel en gewoon hoogleraar aan de KU Leuven en buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen.
Hij doceert privaatrecht, internationaal recht en rechtsfilosofie en ook vergelijkende levensbeschouwing. Hij is ook bestuurslid van het pluralistisch reflectiecentrum Pieter Gillis van de Universiteit Antwerpen.

Over Matthias E. Storme, zijn publicaties en zijn activiteiten op zijn thuisblad:
http://www.law.kuleuven.be/web/mstorme/

Een heel uitvoerig artikel over M. Storme vindt u op Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Matthias_Storme

Van 1996 tot 2004 was Storme algemeen voorzitter van het Verbond der Vlaamse Academici

Tussen God en Caesar? RECENSIE

Matthias, Storme
Uitgever: PELCKMANS NV
Verkoopprijs: € 13,50
woe, 14/09/2011
ISBN-nummer: 9789028963450

Matthias E. Storme,  Tussen God en Caesar. Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society, Pelckmans, 2011, 102 blz.

De verhouding tussen staat en godsdienst staat vandaag hoog op de agenda. Dat is grotendeels het gevolg van de steile opkomst van de islam in West-Europa. Deze godsdienst kent vandaag immers nog steeds extreme vormen van theocratie zoals in Iran, maar tracht ook in democratische landen invloed te krijgen op publieke kwesties. Dat staat in pertinent conflict met de westerse opvattingen over scheiding van kerk en staat. Om op deze kwesties beter zicht op te krijgen beschrijft Matthias Storme, hoogleraar aan de KU Leuven en de Universiteit Antwerpen, in korte hoofdstukjes hoe godsdiensten en levensbeschouwingen hier vandaag mee omgaan en hoe hun standpunten historisch gegroeid zijn. Hij beperkt zich tot het christendom (voor en na de reformatie), het secularisme of laïcisme, de joodse visie, de islam, het pluralisme en het hedendaagse christendom. In ieder hoofdstuk volgt hij ongeveer dezelfde structuurelementen: historische sleutelmomenten, bronnen, basisbeginselen van de visie, verhouding met andere levensbeschouwingen, visie op staat, recht en overheid. De opzet van het boek is erg compact, maar geeft veel (objectieve?) informatie over deze erg belangrijke actuele thema’s. Toch komt in dit boek ook een duidelijke stelling naar voren. Storme stelt duidelijk dat de huidige zogenaamd ‘neutrale’ opstelling van de staat helemaal niet neutraal is, maar eerder het opleggen van een bepaalde (seculiere?) levensbeschouwing. Hij beroept zich hiervoor nogal vaag op een stelling van Habermas (de gelijke afstand van de politieke cultuur t.a.v. zowel seculiere als religieuze denkbeelden) zonder haar wat ruimer uit te leggen en toe te passen. Wat het hedendaags christendom betreft kiest Storme uitdrukkelijk voor wat hij de gematigd-conservatieve christelijke stromingen noemt, omdat die zogezegd constrastiever en interessanter zijn voor zijn thema dan de progressieve kerkkritische stromingen. Maar dat lijkt toch wel wat kort door de bocht gaan. Ook de progressieve stromingen brengen over deze thematiek interessante stof aan de orde met  een sterke kritiek op bepaalde standpunten van de traditionele kerk en vernieuwende pogingen tot  dialoog met andere religies. Waarom Storme aan deze kwestie voorbijgaat is mij niet duidelijk. Gaat hij zo ook voorbij aan de feitelijk bestaande verschillen binnen de andere religies? Maar al bij al legt dit boek de stellingen van de hoofdlijnen in de verschillende religies goed naast elkaar. (16/01/12)

Willy Deckers

willydeckers#scarlet.be

***

"'Om niet te delen in haar zonden' (Op. 18,4)", Matthias Storme.

Beschouwingen over de rechtvaardiging van secessie bij aantasting van
de "vrijheit hunder constitutien", Openingsrede plechtige
openingszitting 30 jaar jonge balie Oudenaarde, Stadhuis Oudenaarde
16 november 2007. Voorlopige versie - gepubliceerd in Vivat Academia
nr. 137 okt.-nov.-dec. 2007 pp. 139-165.

Top


Schrijven en pentekenen als hobby, de literaire persoonlijkheid van Jos Journée                                                                                                                                                                                        
Jos Journée - Geetbets °13.06.1931            

Jos Journée is een trouw en langdurig lid van het VVA-Limburg. Hij houdt van de gezellige bijeenkomsten van de Limburgse afdeling en participeert eraan met de Bourgondisch-Brabantse aard van de man die op de grens tussen het Limburgse en Brabantse taalhistorisch gebied geboren en getogen is. Hij is mentaal heel sterk gebonden aan zijn streek, aan de historie van zijn gebied en aan de rondborstige volksaard van zijn landelijke kameraden.

Dat inspireert hem ook in de beoefening van zijn tekenende en schilderende pen.
Met genoegen stellen we deze joviale Limburgs-Brabantse VVA’er hier beknopt voor met de vruchten van zijn schilderende pen en met een vleugje tekst uit zijn gepubliceerde geschriften, die hijzelf voor deze presentatie heeft samengesteld.

Watermolen in Geetbets,
een mooie pentekening van Jos Journée

We leiden deze voorstelling van Jos Journée graag in met wat betrokken personaliteiten over hem hebben geschreven.

Jos Journée is vrijwel vanaf zijn kinderjaren een geïnteresseerde getuige van al wat rond hem gebeurde in zijn geboortedorp.
Hij is geen archievenfreak, maar een gebiologeerd man met grote antennes naar het verdoken surrealisme van het dorp dat hij in zijn hart draagt en sublimeert in teksten, tekeningen en foto’s…
Op sublieme wijze, met een vleugje melancholie, levenswijsheid en humor schetst hij het leven in ons dorp.
 (J.R. Cultuurschepen in Geetbets)

Je kunt naar waarheid en uit het hart schrijven … mooi en vooral gevoelig en goed getypeerd. Jos Journée is een plezante spuiter, maar achter die tintelende ogen en de steeds aanwezige lach steekt … een gevoelige man … een trouwe man. Ironie om de waarheid te zeggen (of soms) enigszins te verdoezelen.
(A.D. Voorzitter Davidsfonds – Voorzitter Cultuurraad Sint-Truiden.)

Een paar tekstfragmenten uit zijn literair werk die hijzelf voor ons heeft uitgekozen.

Cursiverende verhalen uit het eigen dorp
In de week waren er twee missen. ’s Zondags vier. Na de hoogmis van tien uur werd er op het orgel het lied voor de koning gespeeld. Iets van ‘Baldewinum’. Eenmaal klonk daarna met veel decibels:  ‘We shall overcome’. Noch de pastoor, noch de Suisse hadden het in de gaten: het antwoord van mijn dorp op de ‘Herderlijke brief’ voor het behoud van de Franstalige studenten te Leuven … een duidelijke afwijzing van het ‘Mandement Seunens’. Aan het orgel zat ter vervanging van organist Paul een veelbelovende student geneeskunde. Na deze duidelijke terechtwijzing aan het episcopaat werd het mandement ingetrokken. (Mijn dorp aan de Gete- ‘De goede oude tijd’ p. 67-uitgave Geschiedkundige Kring G.Bets)  

… Intussen was cousin Martin gearriveerd, met dochter Angéle, recht uit Luik… Toen ze zich ervan  rekenschap gaven dat ze zich volgens ‘onze  kolonel’  naar het epicentrum van het  beslissende Europese krijgsgebeuren aan de Gete hadden begeven, en van overbuur pastoor vernamen dat de ponteniers de brug hadden ondermijnd, toen  geraakte cousin Martin het noorden kwijt… non de dieu; non de dieu, non de dieu!  Hij zou naar het zuiden rijden, naar Frankrijk. Die hadden de ‘Ligne Maginot’!
‘Adieu cousin, adieu chère cousine, adieu Joseph - ‘Que dieu te protège’. En wie zat intussen vanachter in die auto? Niet cousin, niet cousine, niet Joseph… monsieur le curé …et Marie! – ‘Que Dieu les protège!’ Die avond werd de brug over de Gete opgeblazen. De ‘Golden Geet brug’ van mijn dorp! Twee arme ponteniers zijn mee de lucht ingegaan. De slag aan de Gete had twee jonge levens gekost…twee te veel. (Korenbloemen en klaprozen uit mijn dorp p 22 – Van het Westelijk front, geen nieuws’-uitg. Carlier)

Een paar excerpten uit zijn  
Historische- architectonische bijdragen aan publicaties

De art nouveau, de ultieme vertaling van het vegetatieve in het bouwconcept, heeft Sint-Truiden alleen bereikt via sierdetails – zoals bijvoorbeeld ’de vier seizoenen’ prachtig uitgebeeld op vier tegelmozaïeken in de Leopoldstraat II, huis nr. 36 . Dit in een overigens kloek eclectisch bouwgebeuren … een bewuste keuze, wars van het verfijnde frivole, op deze zware Haspengouwse grond? En na de oorlog begon een nieuwe tijd. De bloem van de art nouveau ontlook erg mooi, maar was vlug verwelkt … het lot van iedere bloem die tot vrucht overgaat (Open monumentendag Sint-Truiden 2004, p.70)

Bewoning en architectuur kregen na de eerste wereldoorlog, gedurende het interbellum, een nieuw elan, een nieuwe dynamiek: ’de belle epoque’. De Volkerenbond werd opgericht, en in ons land werd het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen) ingevoerd. In de schilderkunst, de muziek, de literatuur krijgen we in de hele westerse wereld nieuwe kunststromingen. Hoogst merkwaardig zien we de stijlvernieuwingen doordringen tot in de straten van ons dorp. (Wonen in Geetbets - monumentendag -  Pantheon van de vooroorlogse architectuur in Geetbets - Uitgave gemeentebestuur 2007)

Een ruime greep uit zijn publicaties

Publicaties met uitgever:
° Korenbloemen en klaprozen uit mijn dorp – 1987 – uitgever: Carlier Sint-Truiden (uitgeput)
° Mijn dorp aan de Gete – 2006 en 2010 – uitgever: LIMES GATIA: Geschiedkundige Kring
° Sacerdotium in Sarchinium’ 1999- Abten in Sint-Truiden / Concilie der Geuzen in de
  abdijcrypte -  teksten in samenwerking met historicus Jan Rutten, deken – uitgever Carlier
°  Wonen in Geetbets – Van classicisme tot art deco – 2007 – uitgever: Gemeentebestuur Geetbets
°  APPELlogie – de appel, symbool van liefde in religie en mythologie – 2004 –Keizerlijke Commanderie

De Cahiers van Jos Journée
Een tiental kleinere werkjes in eigen beheer, o.a  ‘Uit de plooien van de Geschiedenis van   Bets en Brabant’ – ‘Meester Journée, de meester van het achtste’ (samen met zus Armande)

Artikels in:
° ARGUS: Literair tijdschrift onder leiding van Jan Van de Weghe
° VIVAT ACADEMIA, tijdschrift van het Verbond van Vlaamse Academici
° WILLEMSFONDS Limburg
° NATUURLIJK EEN MONUMENT – Stad Sint-Truiden – Cultuurdienst
° LIMES GATIA, tijdschrift van de Geschiedkundige Kring Geetbets - regelmatige bijdragen

Met genoegen geven we de auteur het laatste woord

Het is, meer dan gevraagd, een hele pagina geworden en ik heb niet eens alle titels van mijn ‘cahiers’ vermeld !
Ik ben namelijk bedrijvig op tweemaal twee terreinen:
- Geetbets en Sint-Truiden
- Geschiedenis en Bouwkunde-architectuur
Een beperkt totaalbeeld vergt in mijn geval beslist deze volle pagina

Vriendelijke groeten,

Jos Journée

Sint-Truiden, 20 januari 2011

Top


 

Hoofdbestuurslid en redacteur van het VVA-jaarboek Hans Verboven publiceerde een boek over zijn grootvader


Van professor tot houthandelaar

Gelenaar Antoon Verboven krijgt uitvoerige biografie

De Boekenbeurs in Antwerpen biedt zoals elk jaar weer honderden nieuwe titels. Daartussen valt dit streekproduct op. Houthandel Verboven was vele jaren een begrip in de Kempen. Dat lag dan vooral aan zijn bekende stichter Antoon Verboven (1905-1984). 26 jaar na zijn overlijden verschijnt nu een mooi geïllustreerd boek over zijn leven.

Een bewogen leven
De wat oudere Kempenaars kenden Toon vooral als de joviale houthandelaar met de onafscheidelijke sigaar. Hij was de man van de pakhuizen in Oosterlo en later aan het Punt. Als men echter vertelde dat ‘den Toon’ ook doctor in de Klassieke Filologie was en voor de Tweede Wereldoorlog een gevierd leraar en zelfs professor was, stonden velen perplex. Hoe kon iemand wiens boeken over Griekse literatuur nog tot de jaren zeventig in de klassieke humaniora gebruikt werden, aan het hoofd staan van een houthandel? Wie kende er het drama dat Toons leven voorgoed veranderde?
Toon was Vlaams-nationalist. Nu zou daar niemand van opkijken, maar dat lag zeventig jaar geleden wel wat gevoeliger. Op zijn idealisme werd Toon in 1945 afgerekend. De repressie na de Tweede Wereldoorlog beëindigde Toons carrière.
Noodgedwongen verlegde Toon zijn werkterrein van de antieke literatuur naar dat van het modern management. Met een boom begonnen, bouwde hij aan de watermolen van Oosterlo zijn “Houthandel Verboven” uit tot een begrip in de Kempen.

Biografie en tijdskroniek
Kleinzoon Hans Verboven (1978) is dan wel geen houthandelaar, maar weet als professor ook hoe een boek geschreven moet worden. Bijna vijf jaar lang heeft hij archieven en bibliotheken doorzocht, honderden foto’s verzameld en tientallen verloren gewaande documenten opgespoord. Zo werd het boeiende leven van Toon uiteindelijk een zeer mooi boek van 192 pagina’s.
Maar de biografie is meer dan een levensverhaal, het is een verhaal van een verdwenen generatie. Het neemt de lezer mee door de bewogen Vlaamse geschiedenis van voor en tijdens de oorlog, met vele tragedies, maar ook triomfen. Het meest verbaasde ons het hoofdstuk over Toons krijgsgevangenschap in Duitsland, dat naast de briefwisseling met het thuisfront voor de eerste keer het verhaal vertelt van het Belgische officierenkamp in Soest. Ook het verhaal over de onrechtvaardige repressie toont zeer concreet een minder fraai stukje vaderlandse geschiedenis. De meer dan honderd foto’s maken het boek prettig om lezen.

Praktisch
Onze lezers kunnen een exemplaar bestellen tegen de voorkeursprijs van 20 euro (inclusief verzending). Overschrijving kan gebeuren op het rekeningnummer 377-0046751-34 op naam van de auteur Hans Verboven. Het boek wordt u dan thuis bezorgd
Voor meer  informatie kan u zich tot de auteur richten via e-mail: hans.verboven@ua.ac.be of telefonisch op het nummer 0486/805727.

Top


 

De worsteling met de moderniteit
Pleidooi voor een esthetische levensbeschouwing, Jaak Peeters

Een scherpe en confronterende analyse van onze ontwrichte samenleving
Terug naar een echte verlichting!


Was "mei 68" en de transitie van het mentale leven eind jaren 60 een afwijking van de heersende norm, of eerder een hoogtepunt van de verlichting en de moderniteit? En als het het hoogtepunt is, hebben wij dan een verlichting en moderniteit beleefd zoals die oorspronkelijk werd opgevat? Of werd er onderweg een zijpad ingeslagen, dat verantwoordelijk is voor de irrationaliteit, leegheid, ontreddering, onbehagen en stuurloosheid van de westerse mens en samenleving vandaag?
In De worsteling met de moderniteit brengt Jaak Peeters een historisch-filosofische schets van de verlichting en moderniteit die leidden tot de hedendaagse ontwrichte maatschappij. Om tot de vaststelling te komen dat de mens vandaag - hoe "verlicht" en "modern" ook - met trauma's worstelt die wortelen in de grote ideeën van verandering, vernieuwing en vooruitgang van de eerste en tweede verlichting, en haar uitlopers in mei 68. Jaak Peeters brengt een hoogstpersoonlijke en gedurfde analyse van onze tijd en grijpt daarvoor terug naar de wortels van onze "nieuwe" tijd.
Daarbij neemt hij afstand van cultuurpolitieke analyses van "links" en "rechts" en pleit hij voor een meer esthetische levensbeschouwing, opdat we niet langer met onszelf overhoop zouden liggen...

Jaak Peeters (1946) is voorzitter van de VVA-afdeling Campinia.
De auteur is psycholoog en filosoof. Eerder publiceerde hij De cultuur van het simplisme, Waarde landgenoten en De gekwetste mens. Zijn boeken en essays bevinden zich steeds op de grens van cultuurpolitieke analyse en filosofische beschouwingen.

***


Uit een bespreking van het boek:
"Het lijkt een te snel geschreven boek: de taal is niet altijd even verzorgd, de stijl niet homogeen: soms betogend, soms onbezonnen scheldend en veroordelend, soms een wetenschappelijkheid ambiërend of pretenderend die de auteur niet kan waar waken."

Karel D'huyvetters op zijn blog - 26-10-2010

***

*De worsteling met de moderniteit - Pleidooi voor een esthetische levensbeschouwing*
Auteur: Jaak Peeters
Uitgeverij:
Pelckmans
Formaat: 14 x 22 cm
Aantal pagina's: 224 blz. Prijs: ca. 18,95 euro
ISBN: 978-90-289-5080-1




Top


 


Bruno Comer, schrijver van historische romans en jeugddetectiveschrijver

De voorzitter van de VVA-afdeling Brugge is een productief schrijver, die al wat boeken op zijn naam heeft staan.
Voor zijn auteursbiografie kunt u doorklikken op de site van de Stichting Lezen Naast de vijf boeken die er in de bibliografie zijn opgenomen heeft Bruno Comer nog recenter werk gepubliceerd. Bij het Davidsfonds verschenen
'Dubbel gebruik' en 'Mei '40 De onbegrijpelijke nederlaag' Zijn heel toegankelijk essay 'Kapitalisme zonder cijfers' speciaal naar de jeugd toe geschreven, verscheen in 2007 bij Die Keure.


Top

 




Frank Fleerackers, voormalig VVA-voorzitter, rechtsgeleerde en rechtsfilosoof


Hij is auteur en editor van verscheidene meta-juridische boeken, cahiers en tijdschriftpublicaties op het vlak van de rechtstheorie, de juridische ethiek, de rechts- (en politieke) filosofie en met name de geschillenstudie of conflictanalyse. Hij inventariseerde factoren van geschillenstudie en dispute resolution theory voor een evaluatie van rechtseffectiviteit. In samenwerking met het Harvard ADR-project onderzocht hij vormen van geschillenbeslechting in de USA en België.


Zijn publicaties bieden een kritische studie van actuele rechts-theoretische en rechtsfilosofische posities, gedragen door een affectieve conflictanalyse en gericht op een effectieve rechtspraktijk. Hij publiceerde o.a. Het Recht van de Filosoof, Juridisch Glossarium voor Geschillenregeling, De Huid van het Recht, Juristen in Bevraging, Recht en Vorming, Juridisch Onderwijs in de Kering, Het Vel van de Rechter, Van Oordeelsvorming tot Conflictregeling, De Re Ferenda, Meta-juridische analyse van het Referendum, Affective Legal Analysis, On the Resolution of Conflict, Mens en Recht, Essays tussen Rechtstheorie en Rechtspraktijk, Law, Life and the Images of Man en Modes of Thought in modern Legal Theory.

Bij de Uitgeverij Larcier publiceerde hij een negental werken

In 't Pallieterke 2009 nr. 6 verscheen een belangwekkend interview "Eerst beter Nederlands, dan beter Engels" met Frank Fleerackers rond de verhouding met de Islam in Europa, moraal en recht, taalfierheid en pragmatisch 'Heel-Nederlands'.

We voegen hier een boekbespreking toe van

FLEERACKERS, F., Het Vel van de Rechter – Van oordeelsvorming tot conflictregeling, in De Iure Ferenda, Brussel, Larcier, 2002, 274 p.

Bij Larcier – toch een beetje een saaie uitgeverij van wetboeken – verschijnt sinds 2001 een bijzonder boeiende reek, “De Iure Ferenda”. Jaarlijks wordt er een deeltje aan toegevoegd en zo ontstaat langzaam maar zeker een verzameling hand-boeken, gewijd aan rechtsfilosofie en rechtstheorie.

In “Het Vel van de Rechter” schetst Fleerackers de evolutie van het rechtsdenken. Hij tracht aan te tonen dat een nieuwe visie op de rol van de jurist noodzakelijk is. Juristen worden onderworpen aan een publiek oordeel over hun inzet en over de effectiviteit van de rechtspleging. De posities in de samenleving lijken meer en meer tot stand te komen via onderhandelingen. De tussenkomst van juristen wordt hierbij vaak als problematisch ervaren. Niettemin hebben juristen bij die onderhandelingen een centrale rol te spelen. Opdat de jurist deze taak kan vervullen, moet hij beschouwd worden als interactieve spelverdeler in een dynamiek van geschillen en conflicten. De juridische vorming moet juristen deze juridische attitude aanleren. Een bijsturing van het rechtsonderwijs is echter noodzakelijk.

Vanuit een rechtspositivistische opvatting beroepen de rechtbanken zich echter nog steeds op de rede en het sociaal contract. Het individu zou zich moeten neerleggen bij een juridisch oordeel dat tegen het eigen oordeel indruist. Het postmoderne individu is daarentegen niet bereid de eigen overtuiging aan de kant te schuiven en schuift dan maar het verlichte recht aan de kant.

Fleerackers tracht deze paradox te overbruggen, waarbij hij niet alleen de theorie, maar ook de praxis in ogenschouw neemt. De ondertitel geeft de weg aan die hij bewandelt: van oordeelsvorming over gemeenschapsvorming en juridische vorming tot conflictanalyse. De manier waarop mensen tot hun oordelen komen en hoe ze de oordelen van anderen aanvaarden is voor Fleerackers een essentiële vraagstelling. Hierbij beroert hij het hele Westerse denken. Niet alleen Dworkin en Rawls – noblesse oblige – komen aan bod, maar ook bijvoorbeeld Eco, Plato en Wittgenstein worden samen met vele anderen in zijn analyse betrokken.

U hebt het waarschijnlijk al begrepen. Dit monografietje verdient een bedachtzame en aandachtige lezer. Morgenochtend begin ik misschien opnieuw.

Yves Stox

Jura Falconis Jg. 40, 2003-2004, nummer 3


 
Top