Zoek op de site van VVA:  
 Powered by freefind
KVOHV-tijdingen
 

Index

- O Quae Mutatio Rerum? Het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogestudentenverbond
- Voordracht van dr. med. Piet Carpentier over de geschiedenis van het VVA (Afdeling Antwerpen)

- Tijdingen van het K.V.OUD-HOOGSTUDENTENVERBOND (K.V.O.H.V.)
Driemaandelijksch Tijdschrift nrs 1, 2, 3

- Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 1 - november 1937 - 16 bladzijden
- Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 3 - juni 1938 - 12 bladzijden
- Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 2 - april 1939 - 10 bladzijden (2e jaargang nr. 2)

- De Tijdingen en het blad Nieuw Vlaanderen

- Eerste proefnummer Nieuw Vlaanderen – 16 december 1934 – 16 bladzijden

- Tweede proefnummer Nieuw Vlaanderen – 22 december 1934 – 16 bladzijden

- De Tijdingen opgenomen in Nieuw Vlaanderen

- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
3 juli 1937 tot 25 december 1937

- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
1 januari 1938 tot 31 december 1938

- Tijdingen K.V.O.H.V.  opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
7 januari 1939 tot 30 december 1939

- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
6 januari 1940 tot 13 april 1940


 
 

O Quae Mutatio Rerum!
Het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond

Het artikel geeft kort de voorgeschiedenis van het VVA weer. Het is afkomstig uit de ADVN-Mededelingen en werd ons overgemaakt door Tom Cobbaert. Het ADVN is het Archief, Documentatie en Onderzoekscentrum voor het Vlaams-Nationalisme. Website: http://advn.be/.

De voordracht van Piet Carpentier over de VVA-geschiedenis (Vivat Academia nr. 70) sluit daarop aan.

***

Het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV) behoort tot de traditie van oud-hoogstudentenbonden waarvan de eerste in 1886 van start ging. Zo werd onder de impuls van Emiel De Visschere in december 1886 de Oud-Hoogstudentenbond van West-Vlaanderen opgericht. In navolging van West-Vlaanderen werden er ook oud-hoogstudentenbonden opgericht in de vier andere Vlaamse provincies. Samen bliezen ze in 1907 de voormalige Vlaamse Katholieke Landsbond nieuw leven in onder de naam Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL). Het voornaamste strijdpunt van de oud-hoogstudentenbonden was de vernederlandsing van het onderwijs en van de Gentse Universiteit. Wegens de oorlog en de deelname aan het activisme van tal van vooraanstaanden hielden de meeste bonden na 1918 op te bestaan. Reeds vanaf 1924-1925 werden naar aanleiding van de Leuvense studentenrevolte, nieuwe oud-hoogstudentenbonden opgericht in Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen. Zij kwamen evenwel nooit tot een krachtenbundeling, terwijl de naoorlogse KVL onder de leiding van Frans Van Cauwelaert een veel bredere beweging was geworden.

De afwezigheid van een actieve oud-hoogstudentenbond bleef niet onopgemerkt voor het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV). Voorzitter Piet Meuwissen richtte in 1933 de Oud-Studentenbond Leuven (OSB) op. In Antwerpen werd twee jaar later een Katholieke Vlaamsche Oud-Hoogstudentenbond (KVOHB) gesticht. De twee verenigingen vonden elkaar al snel en smolten op 8 maart 1936 samen tot het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV). Het KVOHV werd van meet af aan georganiseerd als een landelijke federatie met een centrale raad en vijf gouwbonden. Het secretariaat was in handen van de Brusselse advocaat Andreas Van Houwe, die het in september 1938 aan algemeen secretaris Jozef Custers overdroeg. Van 1936 tot 1940 was Hendrik Van de Wijer voorzitter van het KVOHV. Als drijvende kracht achter Nieuw Vlaanderen, een onafhankelijk Leuvens initiatief met rechtse intellectuele inslag, zorgde hij ervoor dat dit weekblad de spreekbuis werd van het KVOHV. Hoewel het tijdschrift pas vanaf 1937 officieel het orgaan van het KVOHV werd, leunden zowel de oud-hoogstudentenbond als het tijdschrift inhoudelijk meteen dicht bij elkaar aan. Beide streefden naar federalisme en een concentratie van rechts Vlaamse en katholieke krachten. In de zomer van 1936 organiseerden ze trouwens, samen met KVL, een succesvol Congres van de Vlaamsche Concentratie. Een daaropvolgend gepland congres over federalisme ging uiteindelijk niet door. Het KVOHV organiseerde verder politieke diners met vooraanstaande tafelsprekers, centrale voordrachten over actuele thema’s en publiceerde brochures over het taalstatuut in het leger en de ‘kolonisatie’ van Vlaanderen. Daarnaast bleef het KVOHV contact houden met het KVHV, onder meer op de jaarlijkse Vlierbeekfeesten, waar in 1938 een overkoepelend Vlaams Academisch Verbond werd opgericht.

De Tweede Wereldoorlog betekende het einde voor de actieve werking van het KVOHV. In 1950 werd in Antwerpen opnieuw een Vlaams Oud-Hoogstudenverbond opgericht, ofschoon er onder voorzitterschap van Corneel Heymans in maart 1951 een algemene vergadering van het KVOHV werd georganiseerd. Beide verenigingen versmolten in mei 1951 tot het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond (AVOHV), dat vanaf 1960 Het Verbond der Vlaamse Academici (VVA) zou heten.

Het archief van het KVOHV (BE ADVN AC 819) werd onlangs (her)ontdenkt en door het ADVN (Archief, Documentatie en Onderzoekscentrum voor het Vlaams-Nationalisme) ontsloten. Gevormd door secretaris Jozef Custers, omvat het archief voornamelijk de periode 1938-1940. Via Jozef De Troyer kwam het archief in de jaren 1970 bij VVA-voorzitter Pieter Carpentier terecht. Na zijn overlijden werd het samen met zijn persoonlijk archief (BE ADVN AC 817) het archief van VVA Antwerpen (BE ADVN AC 818) aan het ADVN overgedragen. Het archief van het KVOHV bevat uitgebreide briefwisseling betreffende de algemene werking en de centrale raad. Dossiers over de bestuursvergaderingen, de afdelingen, ledenwerving en activiteiten vervolledigen samen met knipsels over standpunten en andere katholieke studentenbewegingen dit boeiende archief.

Naschrift

Eind november 2016 heeft Paul Becue ook het archief van VVA-Antwerpen dat in zijn bezit was overgedragen. Het betreft al de verslagen van het Algemeen Bestuur in Antwerpen sinds de jaren ’80, die de voormalige secretaris Vera Vercruysse hem een paar jaar geleden overhandigd had. Ook alle stukken van Becues voorzitterschap in Afdeling Antwerpen (2008-2014) werden overhandigd.

We raden alle VVA-Afdelingen hetzelfde te doen. Enkel zo kan het erg interessante erfgoed van het VVA als vereniging op duurzame wijze bewaard blijven voor het nageslacht.  

 

Omhoog
 

Voordracht dr. med. Piet Carpentier over de geschiedenis van het VVA (Afdeling Antwerpen)

Hieronder publiceren we opnieuw de voordracht die dr. med. gynaecoloog Piet Carpentier in 1989 gehouden heeft naar aanleiding van de duizendste V.V.A-activiteit te Antwerpen. Hij spreekt er over de geschiedenis van het V.V.A. na eerst enkele algemene beschouwingen. Piet Carpentier heeft zich steeds sterk ingezet voor het V.V.A.. Hij was eerst voorzitter van de V.V.A.-Afdeling Antwerpen en werd daarna Algemene Voorzitter. Hij was ook jarenlang Algemene Voorzitter van het V.V.A. Hij was lang een van de drijvende krachten van het V.V.A.. Op 20 december 2016 vond de 1.500ste activiteit plaats in de Afdeling Antwerpen. Gelet op het thema van dit E-Zine vinden we het de moeite waard om deze tekst opnieuw ‘integraal’ te publiceren (verschijnt in het E-Zine nr. 9 februari 2017)

Speciaal aangeboden aan onze jongere leden.

Naar aanleiding van de 1000ste bijeenkomst van V.V.A. Antwerpen: Dr. Carpentier op zijn best.

 Dat ik hier vandaag op deze duizendste verjaardag van het V.V.A.-Antwerpen mag aantreden om U een overzicht te geven van onze jarenlange geschiedenis, die als een firmament met de sterren van zoveel honderden vergaderingen is bezaaid, vervult mij met trots, maar ook met huiver. Het is immers onmogelijk binnen een kort tijdsbestek U de volledige kronijke te brengen van zovele jaren.

Het probleem is niet nieuw, zoals voldoende blijkt uit de proloog van Henry V, waar Shakespeare door hetzelfde gevoel van onmacht wordt overvallen en daarom een beroep doet op de “imaginary forces”, de verbeelding van het auditorium “turning the accomplishments of many years into an hour glass”, om als het ware de verrichtingen van zovele jaren te dwingen in een vernauwende zandlloper. Edoch, de geschiedenis laat niet toe, de teugels van Uw verbeelding al te zeer te vieren en dus wil ik een poging doen om U het ontstaan, het wezen en het doel van het V.V.A evenals zijn plaats in de context van de recente, Vlaamse geschiedenis te schetsen zonder uw academisch geduld op de proef te stellen door het voorlezen van een lijst namen en feiten. Ik zal U deze laatste slechts vermelden in zover ze dienstig zijn om mijn opzet te stofferen. Ook met het gebruik van wierook wil ik zuinig omspringen – quid hoc ad aeternitatem- al zal ik er, begrijpelijk, meer aanwenden voor de doden dan voor de levenden en meer voor de ouderen, die allengs tot de geschiedenis gaan behoren dan voor de jongeren. Tevens zal U mijn schroom aanvoelen bij het behandelen van mijn eigen mandaten. “Le moi est haïssable” leerde ik van niemand minder dan van Jozef Van Overstraeten, al heb ik me nadien wel vaak afgevraagd, wie de euvele moed had opgebracht hém dat te vertellen!

Wanneer we vandaag omzien en de “faits et gestes” overschouwen van de afdeling Antwerpen van het Verbond der Vlaamse Acdemici, kunnen we niet ontkomen aan een gevoel van fierheid en ontroering. Fierheid om wat het V.V.A., om wat wij allen samen hebben tot stand gebracht, ontroering om hen, die ons daarbij aanvoerden of ter zijde stonden, doch reeds van ons zijn heengegaan. Voor deze laatsten en voor de ouderen onder ons was het V.V.A een belangrijk stuk van hun leven. Zij werden volwassen in een tijd, dat er om de meest elementaire rechten van onze Vlaamse volksgemeenschap in het stiefmoederlijke België hard en vooral vasthoudend moest worden gestreden. Gelooft U me, het was een goede strijd en hij bracht vele vruchten voort, in die mate zelfs, dat onze kinderen het onrecht praktisch niet meer hebben ervaren en er soms aan twijfelen, of het wel ooit heeft bestaan, in die mate ook, dat de Vlaamse strijd, thans sterk verdund gemeengoed is geworden en dreigt te verflauwen … Hier, precies hier, ligt nog altijd een taak voor het V.V.A., om op te roepen, om aan te sporen, om, als Cassandra, te waarschuwen voor het houten paard van de listige tegenstanders. Timeo Danaos et dona ferentes!

Hier dan raken we aan het wezen én de oorsprong én de ratio van onze vereniging. Ze dankt haar ontstaan, evenals trouwens vele van haar kenmerken en erfelijkheden aan de studentenbeweging. De student is jong, vurig, idealistisch, denkt dat hij alles weet en kan en gaat derhalve in een handomdraai de wereld veranderen. De oud-student is rijper, wijzer, bedachtzamer en beseft om zich heen kijkend, welk voorrecht hij heeft genoten te kunnen studeren en wat dit aan zijn gemeenschap heeft gekost. Hij beseft dat deze gemeenschap voor het grootste deel bestaat uit werkende mensen, die wel zijn studies hielpen mogelijk maken, maar zelf niet hebben gestudeerd, soms zelfs amper geletterd zijn en mede daardoor telkens weer gewillige slachtoffers worden van de Belgische biefstukpolitiek. Hoe kan hij beter wederdienst bewijzen aan zijn volk, dan door zijn kennis, vorming en intellect ten dienste te stellen van de strijd voor de rechten van dit volk, door publicaties, moties, manifestaties, door met een blik gericht op de toekomst initiatieven te nemen of te eisen, door bovenal als een wacht op de kantelen, te waken en te waarschuwen. Dit vraagt studie, bezinning, overleg en vorming.

Welnu, alles wat ik zoëven aan de rechtgeaarde oud-student heb toegeschreven, heeft het V.V.A. in zijn doelstellingen opgenomen en binnen de eigen gelederen georganiseerd. De interdisciplinaire wederzijdse vorming werd in de hand gewerkt door voordrachten en ontmoetingen, uitstappen, bezoeken en reizen. Dat bij dit alles levensblijheid, jouissantie en feestelijkheden allerhande niet achterwege bleven, was slechts het natuurlijk gevolg van de hoger uiteengezette studentikoze erfelijkheid. Een echt V.V.A-er blijft gans zijn leven student en kan nooit tot bourgeois ontaarden.

Ziedaar dan onze psychologische afstamming, maar ook objectief-geschiedkundig wortelt het V.V.A in de studentenbeweging. Reeds voor ’14 bestonden er Vlaamse studentenbonden, waarin ook de oud-studenten een plaats hadden en die deel uitmaakten van gouwbonden, gegroepeerd in een overkoepelende landsbond, die onder leiding stond van Adelfonds Hendrickx en ook van de U, beter bekende, Ernest Claes.

De wereldramp van 14-18 kwam dit alles tragisch onderbreken. Gelukkig, ook al is ons gezichtsveld vaak te beperkt om het waar te nemen, niets van wat men voor Vlaanderen doet, gaat verloren. Vele studenten en oud-studenten hebben aan de IJzer een cruciale rol gespeeld in de organisatie van de
frontbeweging, die de betonnen grondvest is geworden van onze Vlaamse strijd. "Hier ons bloed, wanneer ons recht! Wat een hartenkreet en wat een vraag. Het antwoord van de geschiedenis, dat niemand toen kon horen, luidde eigenlijk: "nooit... of misschien met veel geluk en moeite min of meer
op het eind van deze eeuw ..." En... de grote oorlog liep ten einde, maar de boer, hij ploegde voort ...en zijn zonen, die gingen studeren, ditmaal wederkerig impuls ontvangend van de fronters, hervatten ook de studentenbeweging. En omdat ze nu met veel meer waren, ontstond het K.V.H.V.(Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond) en het K.V.O.H.V. (Katholiek Vlaams Oud-Hoogstudenten Verbond), dit laatste onder de leiding van prof. dr. Jozef van de Weijer en mr. Jo Custers. Het gezaghebbende tijdschrift "Nieuw Vlaanderen" in dezelfde kringen van start gegaan, werd zowat het lijfblad van het K.V.O.H.V.

Dit alles speelde zich hoofdzakelijk af te Leuven, dé hogeschool van Vlaanderen. De mensen waren toen nog erg katholiek en zelfs, ik zou bijna zeggen, vooràl voor de West-Vlamingen, was Gent slechts een tweede optie. Brussel en Luik kwamen helemaal niet in aanmerking, behalve dan voor Paul Beeckman,
die te Luik zijn rechtenstudies ging beëindigen na het consilium abeundi, tegen hem door het Leuvense rectoraat uitgevaardigd.

En dergelijke consilia zijn er heel wat gevallen tegen onze studentenleiders, ook zelfs in de colleges, waar veel overtuigde Vlaamse jongens, behorend tot het bezielde en bezielende A.K.V.S. (Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond) eveneens werden weggestuurd. Was het bestuur van dit land altijd al gekenmerkt door vijandige bekrompenheid en kortzichtigheid, het bestuur van de Kerk was het toen niet minder en de primaten van Mechelen uit die tijd, leken af en toe meer de biologische term dan de kerkelijke titel te verdienen. Gelukkig voor Vlaanderen, was er de trouw van de meer onafhankelijke abten en kloosterlingen en van de geheel ambitieloze "petits vicaires". Ondanks alle tegenkanting kwam de Vlaamse studentenbeweging sterker dan ooit op gang, organiseerde glansrijke Groot-Nederlandse congressen, groeide en bloeide en toen kwam, in 40-45, de tweede wereldramp over ons land.
Het was weer hetzelfde en toch heel anders: er kwam ditmaal geen IJzerfront, er kwam een Oostfront, een groot verschil. Het bewijs van de Vlaamsvijandigheid van België werd geleverd, klaar als kristal. Het had na '18 geen enkele dankbaarheid betoond tegenover de IJzerjongens, die voor het land hun bloed hadden vergoten en de koninklijke belofte van "gelijkheid in rechte en in feite" werd nooit nagekomen. Na '45 vervolgde België met de meest onverbiddelijke genadeloosheid de Oostfrontsoldaten, die nota bene, niet eens een bondgenoot van het land hadden bekampt, maar wel de wapens hadden opgenomen tegen een bedreiging voor onze Westerse beschavinq, welke bedreiging ten andere nog in onze dagen tot een nooit geziene wapenwedloop heeft aanleiding gegeven!

Waar België na '18 schoorvoetend amnestie had toegestaan voor de activisten, blijven we daar nu nog steeds op wachten voor de veroordeelden van na '45, nu nog steeds, 44 jaar later! En nog altijd gaan de franskiljons, de Franstalige Brusselaars en de Walen daar prat op, zonder blijkbaar een ogenblik te beseffen wat ze zouden zijn zonder ons.

De repressie of beter het schrikbewind na '45 was van een ongekende brutaliteit en onrechtvaardigheid, men wilde en men zou de Vlaamse strijd, eens en voor goed, de grond instampen. Toen dat na een paar jaar ei zo na gelukt scheen te zijn, brak de dag aan dat men voorzichtig, en van mond tot mond, toch weer met Rodenbach kon zeggen: "Daar roert entwat in Vlaanderen ..." en inderdaad, daar begint dan ook onze recente geschiedenis, het heropstarten van onze oudstudentenstrijd, zoals de ouderen onder ons, die volop hebben beleefd en meegestreden. Haec - hodie - meminisse juvabit! Ja, laten wij het ons vandaag herinneren en daarin vreugde scheppen!

De eersten om na de oorlog, zoals dat toen heette "het gevallen vaandel" van de oud-hoogstudentenbeweging opnieuw op te nemen waren als voorzitter, onze Vlaamse Nobelprijswinnaar, prof. dr. Corneel Heymans en als secretaris, meester Frans van der Elst (nvdr.: Van der Elst werd later voorzitter van de Volksunie). Er werd druk vergaderd en overleg gepleegd en men besloot met een zuiver Vlaams onverzuild imago en vrij van alle partijpolitiek naar buiten te treden en daarom werd in de reeks initialen, de K. van katholiek vervangen door de A van algemeen, zodus het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudenten Verbond, A.V.O.H.V. Niet iedereen was met die A erg gelukkig en de Leuvense NIA (nos jungit amicitia), wat katholieker zeker dan de rest, haakte af. A.V.O.H.V., het was een hele mondvol natuurlijk en dus werd vanaf 1960, vooral onder invloed van de volgende algemene voorzitter, prof. dr. Walter Opsomer, de beweging omgedoopt tot Verbond der Vlaamse Academici, kort V.V.A. De hem opvolgende algemene voorzitters, willen we hier volledigheidshalve enkel vermelden. Het waren in de loop der jaren respectievelijk dr. med. Karel Goddeeris, dr. jur. Paul Beeckman, Uw dienaar, dr. med. André van Lerberghe, prof. dr. med. Piet de Somer, rector van Leuven en dr. jur. Roger Devriendt, de huidige algemene voorzitter.

Van meet af aan in 1952, was onze afdeling Antwerpen de sterkste en de meest actieve. Haar eerste voorzitter was dr. jur. meester Jozef de Smet, een overtuigd en moedig maar onbesproken Vlaming, onbesproken in zake repressie natuurlijk - dat behoorden alle vooraanstaanden toen nog te zijn. Helaas werd zijn voorzitterschap weldra afgebroken door zijn al te vroegtijdig overlijden. Hij werd in '53 opgevolgd door Walter Opsomer, zoon van de geadelde schilder Isidoor baron Opsomer, wiens titel hij later erfde. Walter werd zonder enige twijfel onze meest verdienstelijke voorzitter en hield dat volle tien jaar uit, van 1953 tot 1963, en hoe! Hij was terzelfdertijd algemene voorzitter, gaf een blad uit voor het V.V.A., een werkelijk tijdschrift, waar het latere Vivat Academia maar schamel tegen was, en dat hij zelf grotendeels volschreef, kloeg zonder verpozen in de felste bewoordingen het onrecht aan en hield niet op te ijveren voor amnestie, voor een universiteit Antwerpen en voor federalisme. Hij wist zich bovendien te omringen met uitstekende medewerkers, waarvan wij er twee meer bijzonder willen vermelden. De eerste was dr. jur. Walter Bouchery, een onstuimige natuur, een Vlaamse vechter, die als secretaris de andere bestuursleden in allerlei acties en initiatieven als een slavendrijver voortjoeg en terroriseerde, maar ipso facto de afdeling stevig uitbouwde. Ook hij werd ons, ingevolge een tragisch verkeersongeval, door de dood al te vroeg ontrukt. Na hem kwam als secretaris dr. jur. Jef Heinz, aan wie, naast burgemeester Craeybeckx, een enorme verdienste toekomt in de strijd voor de Antwerpse Universiteit. Zonder hem was ze er wellicht niet of slechts veel later gekomen. Merkwaardig genoeg, heeft hij daarna in alle bescheidenheid het strijdgewoel verlaten. Vlaanderen, ook de stillen werken aan u!

Walter Opsomer werd in '63 als voorzitter opgevolgd door dr. med. Mon van Thillo, een telg uit een familie van bijzonder uitgeslapen Kempenaren! Hij verspreidde vreugde, goed humeur en jouissantie om zich heen, als een immer aanwezig fluïdum. Aldus was hij, reeds in de eerste jaren van deze afdeling, na bepaalde vergaderingen de animator geweest van menig onvergetelijke studentikoze nacht! Zijn dynamisme, diplomatische gaven en invloed op vrienden én andersdenkenden vervingen met positief resultaat nauwkeurigheid en stiptheid. Hij was de levende weerlegging van de bekende Amerikaanse bestseller "How to win friends and influence people", waar als allereerste stelregel wordt voorgehouden zich de namen van de mensen nauwkeurig in het geheugen te prenten. Welnu Mon had dat helemaal niet nodig "to influence people" en zeker niet "to win friends". What's in a name? Van den Boeynants was voor Mon steevast Boeynaems en Theillard de Chardin zowaar één keer Gérard Dujardin. Ook na zijn mandaat bleef hij nog lange jaren een onmisbare vezel in het hart van de afdeling, een vriend en een vader en hij kreeg van ons de titel van erevoorzitter. Nu nog voelen we, als we aan hem denken, de treurnis van het afscheid, toen hij ons in 1976 is ontvallen. Mon werd in '65 als voorzitter opgevolgd door drs. Joris Denis, die jarenlang secretaris en ook een bijzonder nauwgezette penningmeester was geweest. Hij was dus een heel ander type én van beroep een hoog ambtenaar op een ministerie in Brussel, waar hij er zich, met zijn typische vasthoudendheid, liet op voorstaan, steeds onberispelijk Nederlands te spreken, hoewel hij het Frans beheerste op een wijze, waar iedereen van opkeek. Onberispelijk waren ook zijn voorkomen en zijn vestimentaire attributen, kortom, hij was het type van de Vlaamse gentleman en deed aldus onze afdeling alle eer aan. Het was volop in de "happy sixties" en onze afdeling was, door ledenaantal en activiteit, op een hoogtepunt van bloei, toen mij in opvolging van Joris, in '68 het voorzitterschap werd toevertrouwd. In feite was dit het gevolg van de niets ontziende overtuigingskracht van Mon, die mij zowat in de voorzitterszetel had gekatapulteerd. Gelukkig kreeg ik de kostbare hulp en wijze raad van Jan Debeuckelaere en Valeer Portier, die meer ervaring hadden van het verenigingsleven en van het politieke bestel. Het werden vier zware, maar vruchtbare jaren, we straalden goed uit en hadden regelmatig prominente sprekers over de vloer, waaronder vaak universiteitsrectoren van zeer diverse pluimage, want de strijd voor de universiteit Antwerpen begon naar een positieve uitkomst over te hellen en Piet de Somer was bang dat Leuven daaronder zou lijden. In die tijd werden we vrienden en zo konden we hem later aantrekken als algemeen voorzitter.

Ik werd in '72 opgevolgd door ons aller vriend Jan Debeuckelaere, zoon van de ruwaard Adiel, bezield met hetzelfde vuur, maar tevens gekenmerkt door hetzelfde pragmatische en dezelfde realiteitszin. Het bestuur van de afdeling was bij hem in efficiënte handen en de programmakeuze, zo van de voordrachten als van de activiteiten, getuigde van zin voor politiek en voor cultuur, zowel in historisch-artistieke als in meer gastronomisch-aardse perspectieven.

Hij gaf op zijn beurt in '74 de leiding door aan Valeer Portier, de West-Vlaming uit Gistel, de bezielde, de onvermoeide Vlaamse strijder, die dan nog terzelfdertijd voorzitter was van het Algemeen Nederlands Zangverbond, het A.N.Z. De verdienste van Valeer reikt voor onze afdeling veel verder dan de twee korte jaren van zijn mandaat. Het belang van zijn invloed als bestuurslid voor en na die periode is niet in te schatten. Hij heeft aan de wieg gestaan van onze afdeling. Hij was de wijze mensenkenner die kon raad geven, waarschuwen en vermanen, die sprekers uit de hoogste en uit de meest uiteenlopende kringen wist aan te trekken, die steeds onvervaard de waarheid recht liet wedervaren en altijd opnieuw bereid werd gevonden om zich in te zetten. Zonder dat iemand het merkte, vooral hijzelf niet, heeft hij zich in de dienst voor Vlaanderen ongenadig versleten, zodat hij ons niet zo lang geleden, maar veel te vroeg, is ontvallen. Mi lanct na di, geselle min.

Valeer werd als voorzitter in '76 opgevolgd door iemand uit zijn streek, waarbij men niet kan spreken van nepotisme ten hoogste van droit du sol. Het was Herman van Steenland, eveneens uit Gistel en tevens zoon van een vader, wiens naam een bijzondere plaats inneemt in de annalen van de Vlaamse
strijd. Herman zette op waardige wijze de traditie van zijn voorgangers verder, met minzaamheid, welsprekendheid en gezond verstand. In zijn mandaat, maar ook in zijn invloed als bestuurslid, daarvoor en daarna, ontwaren we steeds weer de hang naar het culturele, het literaire, het schone.

Zijn opvolging in '78 komt, zij het nu meer bepaald van de kust, weer uit dezelfde streek. - Hoe kan het anders, West-Vlaanderen heeft de wereld bevrucht! - Het is Rudi Deryckere, een briljant ingenieur maar niet louter een man van cijfers. Hij is welbespraakt, houdt zich onvoorwaardelijk aan zindelijk Nederlands en is een geducht tegenstander in een debat, dat echter ingevolge zijn milde humor nooit ontaardt. Zijn kennis en belangstelling zijn encyclopedisch en strekken zich uit naar handel en nijverheid, naar cultuur en literatuur in verschillende talen en naar de diverse ideologieën, die onze wereld beroeren. Illich schreef voor hem meer dan één "Iivre de chevet" !

Zijn opvolger in '80 is apotheker Emiel Hoet, tevens bibliofiel van goeden huize en in de jaren daarvoor man van Lies. Lies was een begrip, een sieraad van onze afdeling, zo Antwerps, zo Boergondisch, zo bruisend van leven, maar die ons zo jong en zo pijnlijk verliet. Toch aanvaardt Miel daarna het voorzitterschap, rustig, kalm, efficiënt, uiterlijk onverstoord door de beproevingen en de zorgen. Ook ideologisch houdt hij het vaandel hoog en wil daarbij heel af en toe een conservatief tintje laten doorschemeren, dan bewijst dit alleen hoe onverzuild wij zijn.

Na hem krijgen we, het werd stilaan tijd, in '83 een dame als voorzitter, Mevrouw Yvonne Lammens, neuroloog en psychiater, gevormd in Nederland, en ook aan de academie van Antwerpen, maar dan in de plastische kunsten. Ze brengt een hele nieuwe noot in het bestuur, vrouwelijk, artistiek, progressief...en staat terdege haar mannetje. De bestuursvergaderingen te haren huize voor het zomerreces, zullen legendarisch blijven.

Na haar breekt in '86 het mandaat aan van onze huidige voorzitter, weer een dame, Mevrouw Kris d'Huyvetter-Swinnen, die in haar jonge tijd de Sorbonne en vermoedelijk ook de landen daaromtrent heeft plat gelopen. Haar onze Thatcher te noemen, zou niet rechtvaardig zijn en veel te vleiend voor de Engelse eerste minister. Haar belezenheid is onvoorstelbaar, haar energie kent geen grenzen en haar organisatietalent is spreekwoordelijk. Na in de leer te zijn gegaan bij ingenieur Meten Montaye, heeft ze, vooral in het ons door de geschiedenis ontnomen deel van Vlaanderen, reizen ingericht, die niet louter uitstapjes waren, maar echte vormingsdagen, labore et constantia. Haar laatste en meest originele innovatie is het schrijven, en in de kortste tijd nog wel, van toneelstukken, gebaseerd op een klassiek gegeven, sterk aanleunend bij de actualiteit, opgevoerd door eigen leden en tot ver buiten onze eigen ledenkring belangstelling genietend: Dr. No, Julius Caesar, Romeo en Julia.

Goede vrienden, commilitones,

Aan het eind van mijn overzicht gekomen, merk ik, dat ik u de geschiedenis van het VV.A. (nvdr. van Antwerpen) heb willen bijbrengen, zoals dit vroeger op school gebeurde voor de Egyptenaren, hoofdzakelijk door het opsommen van de dynastie der farao's. Vergeef mij als ik te veel mensen en te weinig feiten heb besproken, teveel vertelde over de voorzitters en te weinig over de andere leden. Ik wil proberen dit goed te maken.

Vooreerst de andere leden: ze alle vernoemen is natuurlijk uitgesloten, zelfs alleen de meest verdienstelijke vermelden is al niet mogelijk. Daarom heb ik er twee uitgekozen, die door hun trouw en volharding, kunnen gelden als symbolen van geheel ons ledencorps.

De eerste is Jozef Peeters, doctor in de pedagogie en psychologie, die ons recent in zijn vierennegentigste levensjaar is ontvallen. Jozef Peeters, is er Vlaamser naam? Ook hij stond aan de wieg van deze afdeling en nam daarna, achtereenvolgens als lid, als bestuurslid en als erebestuurslid, met nooit aflatende trouw deel aan al onze activiteiten. Hij was de vriendelijkheid, schuchterheid en bescheidenheid in persoon, maar als de Vlaamse belangen in het gedrang kwamen, richtte hij zich op als een leeuw! Ook nog als de ouderdom ging wegen en de stem ging verzwakken, stond hij recht en sprak zijn woord, het woord van een rechtvaardige, het woord van een onkreukbare, het woord van een intellectueel en belezen man. Ja, belezen was hij en een bibliofiel, zijn huis puilde uit van de boeken, hij kende de geslachten van koningen, hertogen en graven, hun onderlinge huwelijken, hun maîtresses en verwantschappen en kon over hen met omhaal van omstandigheden vertellen, alsof hij er zelf bij geweest was. Wij, zijn vrienden, hadden allen een plaats in zijn astrologisch systeem en wij hadden allen één of meer voorgangers in zijn geschiedenis: Goethe, Newton, Danton, Bismarck... et j' en passe. Wél moet worden toegegeven, dat hij onze respectievelijke sterrenbeelden, wat we dan ook mochten zijn, maagd of schorpioen, door een of andere spits gevonden conjunctie of oppositie van hemellichamen, gaarne in de richting van de leeuw omboog,maar dat zal wel een onbewuste uiting zijn geweest van zijn diepgeworteld flamingantisme. Goeie Jozef Peeters, we hebben u zolang bij ons gehad en we moeten daarvoor dankbaar zijn, maar toch zullen wij u erg missen: gij waart een zeer bijzonder kruid in onze Vlaamse soep.

Er is een tweede man, die ik wens te vermelden en in wie ik alle getrouwen en gedienstigen van onze afdeling wil eren. Het zou onrechtvaardig zijn, hem zelfs in deze beknopte historische schets voorbij te gaan, want hij heeft het mandaat vervuld van vele voorzitters! Het is Erik Brinckman, penningmeester van deze afdeling en gelijktijdig ook van de Centrale Raad sinds wel twintig jaar. Wat zou het VVA, wat zou deze afdeling zonder hem zijn geweest? Voorwaar ik zeg u, een heel stuk minder, want een vereniging is maar zo gezond als haar financiën. Weer een West-Vlaming, uit Brugge, en weer een ingenieur, werkzaam bij Gevaert, een bijzonder schrandere en exacte geest, die de taal der cijfers volledig beheerst en vooral ook aan het bestuur duidelijk laat begrijpen. Erik in naam van ons allen wens ik u hier te huldigen en te danken. Kristin, ik kan niet laten u hierbij te betrekken, omdat ge Erik altijd geholpen en gesteund hebt, omdat ge tot in uw huishouden met ons VVA begaan waart en in de loop van vele jaren telkens weer sprekers hebt gezocht en ingeleid. Kristin, ook bedankt.

En nu de feiten. Ik heb al te weinig gesproken over de interessante, korte of soms uiterst lange, lezingen, over de vinnige debatten, de heftige discussies, de toespraken van eerste ministers, ministers en partijleiders, de luisterrijke banketten met burgemeester Craeybeckx, goeverneur Kinsbergen en onze betreurde Johan Fleerackers en de, zoals dat heet "ruisende", beter beroezende en wel eens fel bewogen balnachten, de vieringen, onze vijfhonderdste, ook hier in dit huis, onze plechtige openingen van het academisch jaar, de interessante wandeltochten en uitstappen, de reizen, de skivakanties, mét de kinderen, wat soms, ongeweten en ongewild, leidde tot een huwelijkspolitiek avant la lettre. Een groot aantal van al deze activiteiten, de zogenaamde "extracurriculaire", werden niet eens meegeteld om het cijfer 1000 te bereiken!

Ik heb niet gesproken over onze zusterafdelingen, meestal uit onze schoot ontstaan. Over Campinia Academica, die in de streek van Turnhout en Herentals, reeds voor '14 een zelfstandig bestaan leidde en zeer vroeg bij het VVA aansloot. Over Taxandria in de Voor- en Noorderkempen, over Klein-Brabant, over Mechelen, zovele dynamisch-actieve afdelingen, vijf in totaal in de gouw Antwerpen. In feite een tijdlang zes, want om weloverwogen een generatieprobleem te voorkomen, schonken wij ook het leven aan een Jong-V.VA.-Antwerpen. Toen na verloop van tijd zijn leden en bestuursleden zelf niet meer zo jong bleken te zijn is het Jong-V.VA teruggekeerd in onze warme moederschoot.

Waar tijd en woorden te kort schieten, wil ik tot besluit de balans opmaken en alles herleiden tot de drie krachtlijnen van onze jarenlange actie: universiteit Antwerpen, federalisme, amnestie. Het eerste, de universiteit Antwerpen, hebben we samen met burgemeester Lode Craeybeckx weten af te dwingen. Men zal ons dat wellicht betwisten, want de overwinning heeft vele vaders. Die vaders hielden zich aanvankelijk gedeisd, want het was geen schoon kind, het was een soort Siamese drieling, maar het groeide goed op en het evolueert nu naar eenheid en volwassenheid. Het tederalisme. waarvoor wij met talrijke andere Vlaamse organisaties altijd hebben geijverd en mee gemanifesteerd en waarvan Theo Lefèvre ons in ons eigen stamlokaal kwam vertellen, dat we het er nooit zouden doorhalen, - ik zal het nooit vergeten, het was 17 oktober 1967, in Rusland vierde men glorierijk de vijftigste verjaardag van de Oktoberrevolutie - dat federalisme is nu moeizaam in wording, elke dag opnieuw, maar het moet en het zàl er komen. En de amnestie ...wel, die kwam er niet, ondanks alle moeite en inspanning, smeekschriften, handtekeninzamelingen, betogingen, publicaties, ze kwam er niet om de goede reden, dat het vat niet kan geven wat het niet in heeft. Deze staat is uniek ter wereld, hij kent géén amnestie. Albanië wél, Vietnam wel ... Vele regeringen in Oost-Europa blijken op dit ogenblik soepeler en menselijker dan het Belgisch establishment, waarvan wij derhalve de verdwijning moeten eisen en bespoedigen, het is onze verdomde plicht!    

Naschrift

Het artikel geeft een overzicht tot 1989. Voor de volledigheid geven we hieronder de daaropvolgende voorzitters weer van zowel het Centraal Bestuur als de  Afdeling Antwerpen. Zonder verdere commentaar.

Algemene Voorzitter VVA

1984-1990                    Dr. Juris Roger Devriendt
1990-1996                    Prof. Dr. Med. Eric Ponette.
1996-2004                    Prof. Dr. Matthias Storme
2004-2012                    Prof. Dr. Frank Fleerackers
2012-2016                    Prof. Em. Ir. Reinhart Verschoore
2016-                           Lic. Paul Becue           

Voorzitter VVA-Afdeling Antwerpen

1986-1994                    Lic. Kris d’Huyvetter-Swinnen
1994-1997                    Dr. Germ. Fil. Yvette Stoops
1997-2002                    Ir. Marc Van Dongen
2002-2004                    Lic. Kristin Hilderson-Brinckman
2004-2008                    Dr. Jan Van Reeth
2008-2014                    Lic. Paul Becue
2014-                           Ir. Julien Bulcke          

 
Omhoog
 
Tijdingen van het K.V.OUD-HOOGSTUDENTENVERBOND (K.V.O.H.V.)
Driemaandelijksch Tijdschrift nrs 1, 2, 3
 
Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 1 - november 1937 - 16 bladzijden
 
Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 3 - juni 1938 - 12 bladzijden
 
Tijdingen K.V.O.H.V. nr. 2 - april 1939 - 10 bladzijden (2e jaargang nr. 2)
 
Omhoog
 
De Tijdingen en het blad Nieuw Vlaanderen
 
Eerste proefnummer Nieuw Vlaanderen – 16 december 1934 – 16 bladzijden
Omhoog
Tweede proefnummer Nieuw Vlaanderen – 22 december 1934 – 16 bladzijden
Omhoog
De Tijdingen opgenomen in Nieuw Vlaanderen
 

“Van 1936 tot 1940 was Hendrik Van de Wijer voorzitter van het KVOHV. Als drijvende kracht achter Nieuw Vlaanderen, een onafhankelijk Leuvens initiatief met rechtse intellectuele inslag, zorgde hij ervoor dat dit weekblad de spreekbuis werd van het KVOHV. Hoewel het tijdschrift pas vanaf 1937 officieel het orgaan van het KVOHV werd, leunden zowel de oud-hoogstudentenbond als het tijdschrift inhoudelijk meteen dicht bij elkaar aan. Beide streefden naar federalisme en een concentratie van rechts Vlaamse en katholieke krachten.”

Citaat uit O Quae Mutatio Rerum!
Het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond van Tom Cobbaert
(Zie het eerste artikel op deze  pagina met de voorgeschiedenis van het VVA)

Omhoog

- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
3 juli 1937 tot 25 december 1937

Omhoog
- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
1 januari 1938 tot 31 december 1938
Omhoog
- Tijdingen K.V.O.H.V.  opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
7 januari 1939 tot 30 december 1939
Omhoog
- Tijdingen K.V.O.H.V. opgenomen in het algemeen weekblad Nieuw Vlaanderen
6 januari 1940 tot 13 april 1940
Omhoog