Zoek op de site van VVA:  
 Powered by freefind
De manifesten
 

- Het groot manifest der Nederlandse taal - Het taalcollectief (Nl - 27-6-2015)

- Bedenkingen op 1 mei bij het Nieuwe Vlaanderen - De Vooruitgroep (1-5-2013)

- Manifest voor stilte. Woorden zaaien, stilte oogst (24-10-2012)

- MANIFEST VOOR HET NEDERLANDS IN BELGIË Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - 24 september 2011

- MANIFEST VOOR EEN ZELFSTANDIG VLAANDEREN IN EUROPA
Denkgroep "In de Warande"

- Lentemanifest I - Beter door meer Vlaanderen (2004)
- Lentemanifest II - Beter door meer Vlaanderen (2006)
- Lentemanifest III - ER IS NOG EEN KANS Is het einde van de winter in zicht (2007)

- Lentemanifest IV - ER IS NOG EEN KANS (13 maart 2008)

- Perverse solidariteit.
STAATSHERVORMING IS KWESTIE VAN GOED BESTUUR

- Het Gravensteenmanifest (februari 2008)
- Het tweede Gravensteen-manifest (28 april 2008)
Meer solidariteit door gelijkwaardigheid
- Het derde Gravensteenmanifest (3 juli 2008)
Geen grond, geld, of macht, maar meer democratie
- Het vierde Gravensteenmanifest (12 oktober 2008)
Wat bevat het witte blad?

- Het vijfde Gravensteenmanifest (22 februari 2010)
Driemaal links is ook rechts


- Het zesde Gravensteenmanifest (17 mei 2010)-
Voor geloofwaardigheid, tegen de “Belgische” tussentaal.
On-taal vergiftigt de democratie.

- Het zevende Gravensteenmanifest (11 maart 2011)-
Ontgrendel de democratie

- Principes of willekeur?... De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes
(15 maart 2011)

- Pas en notre nom - visie van 8 Franstalige Brusselaars (25 februari 2011)

- 8ste Gravensteenmanifest: Analyse van de Formateursnota van Elio di Rupo (25 augustus 2011)

- 9de manifest – Pleidooi voor de Vlaamse Gemeenschap.
Het Brusselstandpunt van de Gravensteengroep, getoetst aan het regeerakkoord

- 10e Gravensteenmanifest. Het gevraagde en het niet gevraagde.
Over de democratische waarde van het regeerakkoord



Het groot manifest der Nederlandse taal - Het Taalcollectief (Nl)

HET GROOT MANIFEST DER NEDERLANDSE TAAL                             27 juni2015
 
MANIFEST VAN HET TAALCOLLECTIEF                                                                       
Een pleidooi voor een taalrenaissance in het hoger onderwijs van de 21e eeuw – te beginnen met Nederlands

 De talen hebben het zwaar te verduren in ons hoger onderwijs. Kleine talenstudies aan universiteiten worden opgeheven, studierichtingen als Duits en Frans verdwijnen of worden geïntegreerd in algemene letterenstudies en veel lerarenopleidingen in de talen staan onder druk, zeker in het hbo. De kennis van talen als Duits en Frans is onder studenten in enkele decennia dramatisch afgenomen en het is in de meeste opleidingen een zeldzaamheid geworden om gebruik te maken van Duitse of Franse boeken. Ondertussen laat ook de beheersing van het Nederlands te wensen over.

Lees de hele tekst en ondersteun:

Het groot manifest der Nederlandse taal

Omhoog

Bedenkingen op 1 mei bij het Nieuwe Vlaanderen - De Vooruitgroep (1-5-2013)

De Vooruitgroep definieert zich als links en wil bijdragen aan de heropbouw van een linkse, democratische tegenkracht in België


In dit Nieuwe Vlaanderen mag onze aandacht als kiezer niet gaan naar onze toekomst als werkloze, zieke, gepensioneerde, ... Neen, de aandacht moet uitgaan naar onze toekomst als Vlaming, punt uit.

Samen met andere delen van de wereld kreunt Europa onder een crisis die de grondvesten van de samenleving aantast. Toch roept men in dit land dat de verkiezingen van 2014 moeten gaan over de staatkundige toekomst van België, of beter die van Vlaanderen.

Onze aandacht als kiezer zou niet mogen gaan naar onze toekomst als werkloze, zieke, gepensioneerde, alleenstaande ouder, laagopgeleide jongere, of onze toekomst als onderwijzer, vrachtwagenchauffeur, postbode, ambtenaar, bakker of verpleegkundige. Onze aandacht zou moeten uitgaan naar onze toekomst als Vlaming, punt uit. Als we dat doen, zo klinkt het, dan zal het allemaal wel los lopen met ons als werkende, werkloze, zieke, gepensioneerde, alleenstaande ouder, laagopgeleide jongere.

We zouden ons bij dit alles ook niet bezig mogen houden met de grote maatschappelijke tegenstellingen en ongelijkheden: die tussen rijk en arm, man en vrouw, inboorling en inwijkeling, arbeid en kapitaal, links en rechts. Evenmin als over de duurzaamheid van onze economie, de grondstoffenjacht of het geweld in de wereld. Doen we dat wel, dan scheppen we verdeeldheid en begeven we ons op het pad van het populisme. Immers, als enkel onze toekomst als Vlaming op het spel staat moeten we ons allen gedragen als goede Vlaming. Zij die dat niet doen – en dat zijn er nogal wat – moeten snel in de pas leren lopen.

Alles wat radicaal en afwijkend is, zo luidt het, wekt negatieve energie. En het vaderland moet worden gebouwd met nieuwe positieve energie. Daarom, al dan niet gebaarde en gesluierde moslims, al dan niet links denkende en “elitaire” kunstenaars en intellectuelen, al dan niet strijdbare syndicalisten, al dan niet activeerbare werklozen, al dan niet doelloos rondhangende jongeren: integreer u in dit nieuwe Vlaanderen, en hou je mond over wat ons verdeelt!

Terwijl we ons aldus integreren, betalen we met zijn allen groteske bedragen voor de schande van de eeuw: de fout gelopen speculaties van bankiers die moet worden goed gemaakt door de afbouw van alles wat onze samenleving samen-leefbaar maakt. Solidariteit staat niet meer voor de sterken die de zwakken steunen; wel voor de zwakken die de sterken royaal betalen en daarbij moeten geloven dat dit ook voor de zwakken de beste zaak is.

We moeten ook geloven dat alles wat we nodig hebben als mens, in eigen huis zowel als op wereldschaal, enkel nog als marktwaar en niet langer als recht kan bestaan. En dat die marktwaar ook aan steeds oplopende marktprijzen zal verschaft worden. Water, elektriciteit, verwarming, gezondheid, onderwijs, openbaar vervoer, sociale zekerheid, pensioen: ze worden niet meer verstrekt vanuit een ideaal van menselijke waardigheid – iedereen heeft het recht op een goed leven, zegt artikel 23 van onze Grondwet. Neen, ze zijn hoog-rendabele koopwaar net omdat niemand zonder kan.

We moeten aanvaarden dat we als mens enkel nog iets betekenen in zoverre we bijdragen tot de welstand van de aandeelhouders van onze werkgever. De logica van die laatste – meer, meer, meer winst – is de logica van ons leven geworden. Die logica zouden we gewoonweg moeten aanvaarden. Indien we er kritische vragen bij stellen dan zijn wij radicaal, zelfs extremistisch, irrationeel en populistisch. Immers, in een vrij en autonoom Vlaanderen en een sterk en performant Europa zullen al deze kwalen verdwijnen. Zeur dus niet en werk aan dat wervende project, zo zeggen ons politici wier roots in ondernemersorganisaties, banken en beleggingsinstellingen liggen.

Welnu, wij aanvaarden deze logica niet. Waarom niet? Omdat er niets logisch en vanzelfsprekend is aan structurele uitbuiting, aan ideologisch gestuurde verarming, aan georganiseerde ongelijkheid, en aan opgelegde onmondigheid. Ze zijn immers niet het gevolg van grote natuurwetten. Ze zijn het gevolg van grote politieke keuzen die door grote belangen worden aangestuurd.

De inzet van de Moeder Aller Verkiezingen is dan ook niet een hervorming van de staat. De inzet is de hervorming van de samenleving. Men probeert ons een samenleving op te leggen die elk aspect van menselijkheid reduceert tot economische winst of verlies. En terwijl dit gebeurt vraagt men ons een heel andere richting op te kijken: naar een wapperende leeuw die een wapperende driekleur zal vervangen. Daarin, zegt men, ligt ons geluk, dàt is ons Artikel 23.

De Vooruitgroep is van oordeel dat de verkiezingen moeten gaan over de belangrijke zaken die ons leven, dat van onze kinderen en kleinkinderen ingrijpend bepalen. Ze moeten gaan over het soort leven dat we onze kinderen en kleinkinderen kunnen aanbieden. En ze moeten gaan over het soort macht die ons die toekomst garandeert.

Die macht ligt in toenemende mate op hogere schaalniveaus en ze heeft ook invloed op veel meer dan de individuele natiestaat. Nationalisme – het terugplooien naar de kleinst mogelijke schaal – wijzen wij daarom van de hand. Het ontkent eenvoudigweg de grootte van de kwesties waarmee wij worden geconfronteerd. De crisis raakt de hele wereld, en verzet daartegen is nergens beperkt tot de strikt lokale schaal. Wie ons voorhoudt dat dit niet zo is, die is niet in staat de problemen op te lossen.

Wat is de toekomst voor de 26 miljoen werklozen in Europa? Wat gaan we doen aan de spectaculaire stijging van de grote vermogens, wereldwijd, in een tijd wanneer men de laagste uitkeringen terugschroeft? En wat gaan we doen aan de geschatte duizend miljard die jaarlijks in Europa aan de belastingen worden onttrokken, of de vijfentwintig biljoen die in offshore belastingparadijzen worden gestald? Hoe is het gesteld met een democratie die de oekazen van speculanten en financiers moet volgen? En wat doen we aan een kapitalisme dat steeds groter delen van de planeet vernietigt en steeds meer mensen in de meest weerzinwekkende omstandigheden uitbuit – denk aan Dhaka. Over dit soort vragen moeten de verkiezingen gaan.

Dat we met deze stelling polariseren is vanzelfsprekend. We zijn van oordeel dat onze samenleving vandaag gebaat is bij polarisering, bij een scherp onderscheid tussen rechts en links. Want beide begrippen staan niet langer voor verschillen in detail: ze staan nu voor fundamentele verschillen in het verhaal over onze toekomst. Wie ons vertelt dat dit niet zo is, en dat het hier gaat om achterhaalde en uitgesleten gedachten, die dringt ons in dezelfde adem de kreupele logica op die wij verwerpen.

En met polarisering bedoelen we niet, zoals anderen, de uitsluiting en eliminatie van delen van de bevolking. Het woord staat voor een radicale keuze voor een solidaire en democratische samenleving en de radicale afwijzing van een elitaire of aristocratische samenleving. Een radicale afwijzing van een samenleving die naar haar navel staart en denkt dat de rest van de wereld er niet meer toe doet. En een radicale afwijzing van een samenleving die, zoals wijlen Margaret Thatcher en Milton Friedman beweerden, enkel bestaat als een kiesvereniging van hun eigenbelang nastrevende individuen.

Het is nu tijd voor polariserende ideeën, een echt en grondig alternatief voor een orde die ons, uit naam van de natuurwetten van de Vrije Markt, dwingt tot de afbouw van wat in een eeuw strijd en inzet is verwezenlijkt. Die strijd en inzet wàren polariserend, en die polarisatie heeft onze samenleving vorm gegeven. We zijn juist door polarisering een democratie en een rechtstaat .

1 mei is waar ook ter wereld een feest van de solidariteit, van de strijd voor een betere samenleving en voor de menselijke vrijheid en waardigheid. Het mag nooit minder zijn dan dat: een moment waarop we de grote verhoudingen bij ons en elders ter wereld kritisch ondervragen, en zij die ons willen dwingen tot de afbouw van deze samenleving en het opgeven van menselijke waardigheid kordaat van antwoord dienen.

De Vooruitgroep
Patricia Basstanie, Kristel Beyens (VUB), Jan Blommaert (UTilburg), Koenraad Bogaert (UGent), Sarah Bracke (KULeuven), Christophe Callewaert (De Wereld Morgen), Bambi Ceuppens (Koninklijk Museum voor Midden-Africa), Eric Corijn (VUB), An de Bisschop (Demos), Patrick Deboosere (VUB), Pascal Debruyne (UGent), Lieven De Cauter (KULeuven), Stefan De Corte (VUB), Thomas Decreus (KULeuven), Pascal De Decker (HOGent, Sint-Lucas), Herman De Ley (UGent), Ida Dequeecker (VOK, BOEH!), Lydia Deveen-De Pauw (VUB), Aleidis Devillé (Thomas More), Patrick De Vos (politicoloog, auteur & hoger onderwijs deskundige), Koen Dille (Masereelfonds), Pol Dockx, Jan Dumolyn (UGent), Mohamed El Omari (Divers&Actief), Eric Goeman (Attac, Democratie 2000), Jan Goossens (KVS), Paul Goossens (publicist), Anne Grauwels (HOGent, UPJB), Amir Haberkorn (UPJB), Omar Jabari, Dirk Jacobs (ULB), Anneleen Kenis (KULeuven), Chris Kesteloot (KULeuven), Matthias Lievens (KULeuven), Maarten Loopmans (KULeuven), Pieter Maeseele (UA), Ico Maly (Kif Kif), Francine Mestrum (Global Social Justice), Stijn Oosterlynck (UA), Chris Parker (UGent), Paul Pataer, Rik Pinxten (UGent), Mark Saey (filosoof), Piet Saey (UGent), Myriam Stoffen (Zinneke), Erik Swyngedouw (UManchester), Fernand Tanghe (UA), Jan Teurlings (UAmsterdam), Monika Triest (publiciste), Dirk Tuypens (acteur), Peter Van den Eede (Vooruit vzw), Robrecht Vanderbeeken (VUB), Leen Van der Vorst (Victoria Deluxe vzw), Barbara Van Dyck (onderzoekster), Linus Vanhellemont (Università Milano-Bicocca), Bas Van Heur (VUB), Johan Van Hoorde, Anja Van Rompaey (ULB), Dominique Willaert (Victoria Deluxe vzw), Karim Zahidi (UA), Sami Zemni (UGent), Walter Zinzen (publicist)

1 Mei 2013 Manifest van de Vooruitgroep


Manifest voor stilte. Woorden zaaien, stilte oogst (24-10-2012)

Wanneer was ú nog eens op een plaats waar het stil was – echt, helemaal stil? Lang geleden? Kristien Bonneure en gelijkgestemden ijveren voor de zeldzame kwaliteit die stilte geworden is.

Na de tsunami aan woorden die gepaard gaan met verkiezingen, vindt vandaag in ons land een colloquium over stilte plaats. Dat lijkt een contradictio in terminis. Toespraken, interviews, workshops, words, words, en meer van hetzelfde. En toch. Het is allicht een primeur voor een universiteitsauditorium: de studiedag begint met vijf minuten gedeelde stilte. Een moment tussen de lawaaierige drukte van ieders ochtend en de samenkomst met bekenden en onbekenden.

Zullen we daar met meer dan honderd zweverige, zwijgende sandalendragers bij elkaar zitten? Neen, want daar is het stilaan te koud voor. De deelnemers komen wel uit allerlei ‘serieuze’ segmenten van de samenleving – onderwijs, economie, zorg, cultuur, media – met een gemeenschappelijk doel: meer stilte, rust en vertraging creëren in een dolgedraaide, zich suf twitterende, murw geprikkelde wereld.

Stilte is een schaars, zelfs met uitsterven bedreigd goed, maar tegelijk levensnoodzakelijk. Stilte wérkt. Ze brengt rust, concentratie, helderheid, luisterbereidheid, verdieping, zelfs genezing. In die zin is stilte zowel middel als doel. Of zoals een oud Perzisch spreekwoord stelt: ‘Woorden zaaien, stilte oogst’.

Stilte in de stad

Al een tiental jaren is in Vlaanderen en Brussel een sociaal-culturele beweging actief, begaan met stilte en leefkwaliteit. Die probeert allerlei ‘stiltemakers’ te verenigen, hen inhoudelijk te voeden en hen tot daadkracht uit te nodigen.

Er bestaan intussen ook verschillende officieel erkende stiltegebieden. Vanaf volgende zondag ook in Zutendaal – een erkenning die samenvalt met de tweede jaarlijkse stiltedag in Vlaanderen en Nederland. Maar kalmte kan en mag niet beperkt blijven tot een idyllisch herfstlandschap met fluitende vogels en ochtendmist. Het colloquium vindt niet toevallig plaats in Brussel. Zelfs in de grootstad zijn er – ook politiek gedragen – initiatieven om rustige plekken en praktijken in kaart te brengen en te laten groeien.

Opzet is dat iedereen van stilte en rust kan genieten in het dagelijkse leven. School, kantoor, fabriek, straat, trein, winkel: dat zijn vandaag heel drukke plekken zonder veel ruimte voor rust. Een kalm hoekje in een bureaulandschap, zou dat geen mensenrecht moeten zijn? Of een andere manier van vergaderen, waarbij luisteren even belangrijk is als spreken en je het woord niet kwijtspeelt in een adempauze tussen twee zinnen.

Dat almaar meer mensen zich daarvan bewust worden, vinden we goed nieuws. Dat leraars, ondernemers, hulpverleners, juristen, architecten, ruimtelijke planners, vaders, moeders, ja zelfs journalisten ideeën uitwisselen – zoals vandaag in Brussel – om aan een klimaat voor stilte te werken. Niet om nog meer regels in te voeren, wel om heilzame stilte in het dagelijkse leven mogelijk te maken. Met wederzijds respect.

De nieuwswaarde van de sterren

In stilte ontdek je wie je echt bent. Alleen dan kan ook verbondenheid ontstaan met anderen. Stilte is dus niet alleen goed voor jezelf. Ze herstelt ook het sociale weefsel. En stilte buiten leidt tot stilte binnenin. Die is nodig om dingen in perspectief te zien, om te lezen, te schrijven, te denken en soms ook om niét te denken.

Dat kleine ogenblik tussen twee gedachten – een glimlach verschijnt op ons gezicht. Een avond waarop we niet naar het journaal, maar buiten naar de sterren kijken – hoe groot is eigenlijk hun nieuwswaarde? Een ochtend luisteren naar de geborgenheid in huis, een middagpauze in het park… – zijn dat niet-productieve ogenblikken? We denken het niet. Zoals zo vaak is minder eigenlijk méér. Al in de 19de eeuw schreef Henry David Thoreau tijdens zijn eenzaam verblijf aan Walden Pond, toen hij merkte dat hij de ochtend mijmerend had doorgebracht: ‘Dit is tijd die bij de andere wordt opgeteld en er niet van wordt afgetrokken’.

Kristien Bonneure (Cobra.be), Marc Colpaert (KH Mechelen), Martine Coppieters (Vormingplus Kempen), Miek De Kepper (Locus), Etienne De Wulf (Van Gansewinkel), Ann Demeulemeester (Vlaamse Onderwijsraad), Gerda Dendooven (illustratrice), Luk Dewulf (Kessels & Smit), Patrick Hanjoul (Bond Zonder Naam), Marc Jacobs (Faro), Eric Lancksweerdt (eerste auditeur Raad van State), Edel Maex (psychiater), Raf Stevens (HUB), Dorian van der Brempt (deBuren), Frank Van Massenhove (FOD Sociale Zaken).

Het colloquium ‘Stilte werkt’ heeft vandaag plaats in Brussel (24-10-2012). Met onder meer Tom Hodgkinson (‘Lof der luiheid’) en Tim Parks (‘Leer ons stil te zitten’).

www.portaalvandestilte.be

DS 24-10-2012 | 27

 

MANIFEST VOOR HET NEDERLANDS IN BELGIÊ - Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - 24 september 2011
 

De taalsituatie in Vlaanderen is complex en gecompliceerd.

De meeste Vlamingen spreken anno 2011 dialect, tussentaal en/of standaardtaal.

Daar is op zich niets fout mee. Variëteiten en registers bestaan nu eenmaal. Ze verrijken onze taal. Binnen andere talen, grote en kleine, treffen we vergelijkbare verschillen aan.

Toch is het de overtuiging van de Academie dat anno 2011 in Vlaanderen één variëteit van het Nederlands steun kan gebruiken: die van de standaardtaal.

Die standaardtaal kan niet altijd meer rekenen op de steun en de zorg van de spraakmakende groepen die de verantwoordelijkheid hebben haar in de openbare ruimte uit te dragen.

Op het einde van de negentiende eeuw koos de Vlaamse beweging voor de standaardtaal zoals die in Nederland werd gesproken en geschreven. Ze had weinig andere keuze dan juist deze variëteit tegenover het dominante Frans naar voren te schuiven en te handhaven.

Pas in de jaren 1930 kwam met de radio en de vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen de standaardisering echt op gang.

Alle Vlamingen hebben de laatste eeuw Nederlands geleerd als een taal die tegelijk ervaren werd als min of meer bekend en als min of meer vreemd.

Tot de jaren 1980 ongeveer was er consensus over de richting die de Vlaamse taalgemeenschap moest uitgaan: die van de standaardtaal, het Nederlands.

Nu is die consensus afgebrokkeld. De tolerantie tegenover andere variëteiten dan de standaardtaal is toegenomen.

Het uitzonderlijke van de taalsituatie in Vlaanderen bestaat er juist in dat die tolerantie sterker wordt in een omgeving van zwakke standaardisering. Het is immers pas sinds een tachtigtal jaar, een drietal generaties, dat de Vlamingen Standaardnederlands aan het verwerven zijn.

De Academie vraagt daarom aandacht voor de standaardtaal - het Nederlands zoals dat in België wordt gesproken en geschreven - en voor de meer formele registers, die hun rechtmatige plaats in de openbare ruimte moeten blijven behouden. De overheid, het onderwijs en de media spelen hierin een cruciale rol.

De Academie gelooft dat men een norm kan voorhouden zonder taalgebruikers te frustreren of kleineren. Meer nog, ze gelooft dat het voorhouden van een norm juist emanciperend kan werken. Dat geldt niet alleen voor Nederlandstaligen. Ook anderstaligen, onder wie onze Franstalige landgenoten, en nieuwkomers, aan wie we terecht vragen onze taal te leren, zijn gebaat bij een duidelijke norm.

Gent, 24 september 2011

Bron: http://www.kantl.be/nieuws.php?item=78


MANIFEST VOOR EEN ZELFSTANDIG VLAANDEREN IN EUROPA - Denkgroep "In de Warande"
 

Woord vooraf

De denkgroep "In de Warande" heeft zich in het verleden vooral gebogen over diverse hervormingen van de Belgische Staat en de mate waarin ze al dan niet tegemoet kwamen aan de belangen en de verzuchtingen van Vlaanderen.

Op dit ogenblik liggen nieuwe hervormingen en/of wijzigingen in de bevoegdheden van de diverse overheden van de Belgische federatie in het verschiet.

Onderhavig manifest is het resultaat van een denkoefening omtrent de sociaal-economische en maatschappelijke kenmerken en behoeften van de Belgische deelgebieden, omtrent hun onderlinge verhoudingen en de onvolkomenheden van de huidige Belgische structuren. Dit niet alleen in het vooruitzicht van voormelde hervormingen maar vooral in het licht van de ongeëvenaarde uitdagingen waarmee de Belgische samenleveing, net als gans West-Eruopa, wordt geconfronteerd.

Met dit initiatief en haar conclusie dat voor Vlaanderen en uiteindelijk ook voor Wallonië, het statuut van zelfstandige lidstaat van de Europese Unie, de beste kansen en stimulansen biedt, wil "In de Warande" bijdragen tot het maatschappelijk debat rond de Belgische staatsstructuur.

Mede dank zij haar vooral zakelijke analyse en haar aandacht voor ook de belangen van Wallonië en Brussel hoopt de denkgroep dat de omvorming van België tot twee onafhankelijke staten aldsu bespreekbaar(der) wordt en niet ver- of gehinderd wordt door de negatieve connotatie die "separatisme" per definitie meekrijgt noch door wat hier en nu als "wel of niet politiek haalbaar" wordt beschouwd.

Het manifest handelt daarom ook enkel over het "waarom" niet over het "hoe" of over de diverse te ondernemen stappen en te overwinnen hinderpalen. Daarom wordt bijvoorbeeld ook het "nieuw apart statuut" voor Brussel slechts schematisch uitgewerkt. Op deze wijze is er hopelijk ruimte voor discussie en overleg over inhoud en principes.

November 2005

________________________

Dit "Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa" is op dit ogenblik niet beschikbaar op het internet. Het is uitgegeven door de Denkgroep "In De Warande", Zinnerstraat 1 - 1000 Brussel - ISBN 90-5466-993-4. De tekst in boekvorm is verkrijgbaar op het administratief secretariaat van het VVA - Passendalestraat 1A, 2600 Berchem - Tel.: 03 366 18 50 (tussen 10 en 16 uur) - info@vvacademici.org

________________________

 
Lentemanifest I (2 april 2004)
 

Beter door meer Vlaanderen

De mondialisering van de economie, de internationalisering van de arbeidsmarkt en de vergrijzing zetten onze welvaartsstaat onder druk. In het nabije verleden beschikte Vlaanderen over een aantal troeven om hiermee om te gaan.  Voorbeelden hiervan zijn onze centrale ligging in Europa, onze havens, de aanwezigheid van Europese instellingen in Brussel, een goed geschoolde bevolking en een intens sociaal overleg. Dat totaalpakket lokte buitenlandse investeringen, technologie en knowhow naar Vlaanderen, veel meer dan naar andere Europese landen. Dat comparatief voordeel dreigt verloren te gaan, al was het maar omdat het zwaartepunt van Europa naar het oosten verschuift.  Bovendien bouwden we een aantal structurele handicaps op zoals hoge loonkosten en een gebrekkige overheidsadministratie. Het is dan ook geen toeval dat Vlaanderen in 2001 in de lijst van welvarende Europese lidstaten en regio's (volgens BBP per inwoner) een middenpositie innam. In 1995 kwam Vlaanderen nog net achter de top-3.

Maar er zijn ook andere dan materiële problemen. De welvaartsstaat staat onder druk, maar ook de staat van het welzijn roept vragen op.  Veel mensen hebben vandaag het gevoel er alleen voor te staan, geen greep te hebben op hun omgeving, op hun toekomst. Twaalf procent van de Vlamingen kampt met ernstige psychische problemen. De wachtlijsten in de zorg nemen toe. Het vinden van betaalbare kinderopvang is niet vanzelfsprekend. De wachtlijsten voor een sociale huurwoning blijven lang. Dit is niet het Vlaanderen waarnaar wij streven. Wij kunnen en willen ons niet neerleggen bij een samenleving waar mensen uit de boot vallen wegens geen werk, onbetaalbare woningen, psychische klachten of medische problemen.

De komende jaren worden op vele vlakken beslissende jaren voor Vlaanderen. De opgesomde knelpunten vragen om institutionele hervormingen. Het is onze overtuiging dat we nood hebben aan meer Vlaanderen (Wallonië) om tot een beter Vlaanderen (Wallonië) te komen. Aan de ene kant moet door decentralisatie de kwaliteit van de overheidswerking erop vooruitgaan. Aan de andere kant moeten beleidsdomeinen waar schaalvoordelen spelen naar een hoger (idealiter Europees) niveau worden getild. Maar dan wel vanuit Vlaanderen.

Tijdens de afgelopen jaren werd dat zo noodzakelijke proces van subsidiariteit eerder afgeremd dan gestimuleerd. Er is zelfs een beweging aan de gang waarbij de federale regering systematisch ingrijpt in Vlaamse bevoegdheden en het Vlaamse beleid recupereert. Zo bevat het federale regeerakkoord van 8 juli 2003 meer dan twintig maatregelen die Vlaamse bevoegdheden betreffen. Wij noemen slechts het stedelijk beleid, de begeleiding van werklozen, het preventieve gezondheidsbeleid en het gezinsbeleid. Internationaal (zeker inzake de internationale culturele betrekkingen) heeft Vlaanderen zich te weinig geprofileerd. Vlaanderen weegt ook niet langer op de Belgische besluitvorming. Dat geldt zowel voor een aantal zuiver communautaire materies zoals bijvoorbeeld de faciliteitenregeling, de toegevoegde rechters of de bescherming van de nationale minderheden, als voor belangrijke sociaal-economische aangelegenheden, zoals de premies voor tijdskrediet, de zorgverzekering, een goed treinaanbod, efficiënte maatregelen inzake mobiliteit en verkeersveiligheid. Het Lambermont-akkoord ten slotte realiseerde geen echte fiscale autonomie. Het droeg wel middelen, maar geen wezenlijke bevoegdheden over naar de regio’s.

Het is daarom essentieel dat Vlaanderen op een aantal cruciale domeinen zoals welzijns- en gezondheidszorg, werkgelegenheid, justitie of gezinnen, een eigen, geïntegreerd beleid kan voeren dat blijk geeft van duidelijke keuzes, visie en bestuurskracht. De noodzakelijke defederalisering vereist ook financiële verantwoordelijkheid. Maar dat betekent niet dat voor solidariteit tussen gemeenschappen en solidariteit binnen gemeenschappen verschillende ethische principes gelden. Het doel is en blijft solidariteit tussen personen op een zo breed mogelijk niveau te organiseren. Maar vermits beleidsbeslissingen van de regio’s de kostprijs van de solidariteit beïnvloeden, is het niet meer dan normaal de regio’s financieel meer verantwoordelijk te maken of in elk geval de solidariteit transparant te maken. Laten wij dit toepassen op enkele cruciale domeinen.
***

(1) Wij pleiten ervoor om de deelstaten integraal bevoegd te maken voor het gezins- en gezondheidsbeleid.  De deelstaten moeten kunnen beschikken over alle hefbomen om een gezinsvriendelijke samenleving tot stand te brengen. Net zo impliceert een geïntegreerde zorg dat de bevoegdheid voor het milieu -, huisvestings -, welzijns- en het gezondheidsbeleid op één en hetzelfde niveau liggen.

De wettelijke ziekteverzekering moet een volksverzekering worden die een volwaardige bescherming biedt voor elkeen.  De financiering van de ziekteverzekering uit algemene middelen is aangewezen omdat het gaat over kostencompenserende uitgaven voor risico's van de burger, los van zijn professionele of familiale status. Gemeenschappen worden gecompenseerd voor factoren die een invloed op de uitgaven hebben, maar waarvoor de gemeenschappen zelf geen verantwoordelijkheid dragen (zoals leeftijdssamenstelling of inwoneraantal).

(2) Op analoge wijze moet het werkgelegenheidsbeleid gestalte krijgen op een niveau dat economisch en sociaal een duidelijke samenhang vertoont. Er zijn grote regionale verschillen in de werkgelegenheidsgraad, net zoals er ook grote intraregionale verschillen zijn. Er moet meer ruimte komen voor een werkgelegenheidsbeleid dat uitgaat van een streekvisie, gebaseerd op een sterkte-zwakte-analyse van de regio.

In het kader van de vergrijzing zijn volgende beslissingen cruciaal: lagere lasten op arbeid, een betere sociale zekerheid, een aanzienlijke vermindering van de overheidsschuld en een verhoging van de werkgelegenheidsgraad.  Dat vereist onder meer een snelle aanpak van de Waalse problemen. Als solidariteit niet mag stoppen aan de taalgrens, dan kan ook verantwoordelijkheid daar niet stoppen. Het ene kan niet zonder het andere. De regionale situatie op de arbeidsmarkt moet weerspiegeld worden in de loonvorming.  Zoals de lonen in Vlaams-Limburg en Nederlands-Limburg niet dezelfde zijn, zo is er niets dat gebiedt dat de lonen in Vlaanderen en Wallonië dezelfde zijn. Binnen één deelstaat bestaan er trouwens ook grote loonverschillen voor dezelfde functie naargelang van de sector-CAO. Daar kan iedereen blijkbaar mee leven.

De regio’s moeten ook mee financiële verantwoordelijkheid dragen voor het stelsel van de werkloosheidsverzekering. In Vlaanderen, maar nog veel meer in Wallonië, is de controle op werkwilligheid in aanzienlijke mate weggevallen, juist omdat de instelling die voor de arbeidsbemiddeling zorgt regionaal (VDAB in Vlaanderen, FOREM in Wallonië) is en omdat de instelling die de werklozen uitbetaalt en mag schorsen (RVA) federaal is gebleven. Pas als de deelstaten financiële verantwoordelijkheid dragen voor het stelsel en een onvoldoende werkwillige werkloze hun zelf geld kost, hebben ze er belang bij om de controle op de werkwilligheid ernstig te nemen.

(3) De problemen op het domein van veiligheid en justitie zijn in grote mate terug te brengen tot een probleem van bestuurskracht. De huidige federale organisatie van het veiligheids- en justitiebeleid maakt het vaak onmogelijk om tijdig degelijke en correct uitgevoerde oplossingen uit te werken voor de vele concrete verwachtingen van mensen, zoals bijvoorbeeld de aanpak van de jeugdcriminaliteit of de meer resultaatgerichte en prestatiegebonden organisatie en werking van politie en justitie als overheidsdiensten.

De oorzaak van de gebrekkige werking van justitie is veelal terug te brengen tot een fundamenteel verschil in visie tussen Vlaanderen en Wallonië. Bijvoorbeeld op de aanpak van en het omgaan met fenomenen zoals jeugddelinquentie, verkeerscriminaliteit en sociale, economische en fiscale fraude. Behalve de visie op handhaving loopt ook die op de inrichting, organisatie, samenstelling en de werking van politie en justitie sterk uiteen. Dat verschil in visie is op zich geen probleem, voorzover we aan de deelstaten de mogelijkheden bieden om –binnen precies te omlijnen grenzen - zelf vorm te geven aan een veiligheids– en justitiebeleid.

In de meeste (con)federale staten is de basisbevoegdheid inzake politie, veiligheid en justitie een deelstaatmaterie. Een coherente defederalisering heeft niet alleen betrekking op de inrichting van de rechtbanken, van politie en parket, maar ook op de wetgevende bevoegdheid over de rechterlijke organisatie en de bevoegdheden van en de procedure bij de deelstaatrechtbanken. De confederale overheid krijgt de bevoegdheid toegewezen om een aantal minimum – en randvoorwaarden te bepalen waaraan de deelstaatwetgeving inzake justitie en politie moet voldoen.  Er zijn afdoende technieken voorhanden om erover te waken dat de eenheid van rechtsmacht wordt gewaarborgd of te verhinderen dat het confederaal recht niet correct meer zou worden toegepast.

(4) De doorgedreven communautarisering van het onderwijs was een weldaad voor Vlaanderen. Ook de ‘culturele autonomie’ maakte voorheen reeds een eigen cultuurbeleid mogelijk. Inzake wetenschappelijk onderzoek is tot dusver niet eenzelfde duidelijke stap gezet. De primaire bevoegdheid is wel overgegaan naar de Gemeenschappen en de Gewesten, maar de federale overheid behoudt een aantal restbevoegdheden met aanzienlijke budgetten. Ruim één derde van de publieke gelden voor wetenschappelijk onderzoek in België wordt nog federaal toegewezen, en niet altijd op de gepaste manier of volgens de beste criteria.  De omvang van die budgetten is groter dan de federale bevoegdheid en de federale overheid beweegt zich regelmatig op de bevoegdheidsdomeinen van Gemeenschappen en Gewesten. Het beleid inzake ruimteonderzoek b.v. is ondoorzichtig en rond het ESA-programma wordt een rookgordijn opgetrokken.  Vlaanderen moet hier veel waakzamer zijn.

De situatie, ambities en prioriteiten zijn erg verschillend tussen Vlaanderen en Wallonië. Vlaanderen sluit beter aan bij de internationale groei terzake.  De Vlaamse strategieën voor wetenschappelijk onderzoek moeten rekening houden met de eigen context en uitgesproken gericht zijn op de internationale dimensie. We staan rechtstreekse internationale netwerking en samenwerking voor, zonder de vaak belastende tussenweg van federale instanties.

Er blijven ook niet te veronachtzamen aandachtspunten zoals de nood aan meer onderzoekers en wetenschappelijk-technisch geschoolden, de achterstelling van de humane wetenschappen, de genderproblematiek, het evenwicht tussen de verschillende vormen van wetenschappelijk onderzoek, de ondersteuning van de hele innovatieketen en een wereldwijde kennisdeling.

***

We pleiten dus voor meer bevoegdheden op lokaal en deelstaatniveau. Brussel blijft daarbij de opdracht vervullen van tweetalig gebied en hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa en waar Vlamingen op alle niveaus volwaardig aan het bestuur deelnemen.  Tezelfdertijd moet die gedecentraliseerde overheid bescheiden, degelijk en betrouwbaar zijn. Een overheid die te veel hooi op de vork neemt, creëert haar eigen teleurstellingen. Politici worden dan geconfronteerd met niet ingeloste verwachtingen en burgers en ondernemingen met een gebrekkige publieke dienstverlening. De natuurlijke neiging van politici en beleidsmakers is hierop te reageren met nieuw beleid en meer regels. De overheid belandt hiermee in een vicieuze cirkel waarbij de kloof tussen beleid en uitvoering steeds groter wordt. Een overheid, die zich bewust is van haar beperkingen, durft burgers, ondernemingen en organisaties op hun eigen verantwoordelijkheden te wijzen en voert een beleid met en niet tegen het middenveld. Dat is de meest duurzame manier om het sociaal kapitaal, het vertrouwen van mensen zowel in elkaar als in de publieke instellingen, aan te scherpen. Sociaal kapitaal is een belangrijke gangmaker voor welvaart en welzijn.
De overheid moet bescheiden zijn door het primaat van het particulier initiatief, ook in de social-profit, te waarborgen. De overheid moet de instellingen en organisaties die non-profit activiteiten ontplooien in de gezondheidszorg, de cultuur, het onderwijs of het welzijnswerk, voluit ondersteunen. Tegelijkertijd moet de overheid die instituties maximale ruimte geven voor ondernemerschap. De overheid mag scholen met eigen pedagogische opvattingen en zorginstellingen met hun specifieke zorgvisie dus niet ontmantelen of degraderen tot onderaannemers. De overheid moet gelijke kansen bieden en vooral toezien op de financiële, geografische en kwalitatieve toegankelijkheid van die essentieel geachte voorzieningen. Elke mens heeft tenslotte recht op een volwaardige participatie in de samenleving.
Het kan voor ons niet dat, onder druk van Europese regelgeving en rechtspraak of onder impuls van de Wereldhandelsorganisatie in het kader van GATS, de eigen socio-economische dynamiek van het Vlaamse middenveld zou verdwijnen. We willen niet dat belangrijke sectoren zoals de gezondheidszorg, het onderwijs, de welzijnssector en de sociale woningbouw zonder meer worden onderworpen aan de regels van de vrije markt. Wij moeten vermijden dat ziekenfondsen of scholen zich enkel zouden bekommeren om de meest gezonde mensen of de beste leerlingen. Daarom kiezen we resoluut voor strikte regels en een zichtbare hand want anders dreigt een publieke dienstverlening met twee snelheden te ontstaan.
De Europese Unie mag dus geen louter economische ruimte zijn. Europa moet een sociaal Europa zijn, een gemeenschap waar mensen en volkeren in erkenning van eenieders eigenheid solidair samenleven. Die solidariteit moet eveneens een wezenskenmerk zijn van elk constitutief bestanddeel van de Unie, en dus ook van Vlaanderen. Solidariteit betekent opkomen voor een democratische multiculturele samenleving en bereid zijn te betalen voor risico's waarmee men zelf niet of minder geconfronteerd wordt. De solidariteit die wij voorstaan, verbindt ook alle delen van de Unie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. De solidariteit die Vlaanderen ook morgen met Wallonië wil opbrengen, zien we zo uiteindelijk opgaan in een solidariteit tussen alle constitutieve bestanddelen van de Unie: transparant en op alle domeinen.

Het is nodig dat de Vlamingen hun lot in eigen handen nemen wat hun gezondheid, hun jobs en hun veiligheid aangaat. Alleen door wetenschappelijk onderzoek volledig te beheren, kan Vlaanderen er staan in het Europa en de wereld van morgen, maar niet in zichzelf gekeerd noch egoïstisch. Het Vlaanderen waarnaar wij streven is solidair zowel binnenin, als naar zijn buren dichtbij (Wallonië en de andere regio’s van de Unie) en ver weg. Vlaanderen wordt een betere plaats voor al wie er leven, en een betrouwbare partner met een warm hart in een globaliserende wereld.

De tijd van studie is voorbij. Moedige politici moeten nu resoluut de daad bij het woord voegen.

(Lijst van de ondertekenaars)

Lentemanifest II (13 april 2006)

Beter Vlaanderen door meer Vlaanderen

Het Lentemanifest van 2004 hield een warm pleidooi voor meer bevoegdheden op deelstaatniveau. Deelstaten worden best volledig bevoegd voor het gezondheids- en gezinsbeleid, wetenschappelijk onderzoek, veiligheid en de organisatie van justitie. Ook krijgt het werkgelegenheidsbeleid beter gestalte op een niveau dat economisch en sociaal een duidelijke samenhang vertoont.
De conclusie was dat meer Vlaanderen (Wallonië)  nodig is om tot een beter Vlaanderen (Wallonië) te komen. De wereld verandert en wij moeten ons aanpassen. Dat geldt niet alleen voor onze sociale zekerheid, onze arbeidsmarktinstituties maar ook voor onze staatsinrichting.

Bijna twee jaar later stellen we vast dat weinig of geen voortgang is geboekt op het institutionele terrein.  Een verdere staatshervorming werd in de koelkast gestopt, maar daarmee ook de principes van goed bestuur.  Tal van belangrijke dossiers zoals  de nachtvluchten, het jeugdsanctierecht of het generatiepact werden te laat, niet gecoördineerd of verkeerd aangepakt.  Elke overheid is er wel op een of andere manier bij betrokken maar niemand draagt de eindverantwoordelijkheid. En omdat de eigen terreinen niet goed zijn afgebakend, speelt men graag op andermans terrein. 

Het manifest van de Denkgroep ‘In de Warande’ heeft hoofdzakelijk de sociaaleconomische pijnpunten van de huidige staatsstructuur op een klare en onderbouwde manier in kaart gebracht. Zo wordt vastgesteld dat de chaotische bevoegdheidsverdeling een belemmering is voor goed bestuur. De Denkgroep komt tot de conclusie dat België geen toegevoegde waarde meer heeft voor Vlaanderen. Over die conclusie kan men van mening verschillen, maar in elk geval dringen wij erop aan dat nu wordt ingegaan op de hier geformuleerde hervormingsvoorstellen op een aantal cruciale domeinen.  Een status-quo op institutioneel vlak dient in elk geval de overlevingskansen van België niet. We herhalen met aandrang ons pleidooi voor verdere en concrete stappen op het pad van de institutionele hervormingen. De krijtlijnen zijn getrokken in het eerste Lentemanifest. In deze versie richten we onze aandacht vooral op de overheveling van een aantal belangrijke sociaal-economische hefbomen, met bijhorende financiering.

Defederalisering is voor ons geen doel op zich. Maar het overhevelen van bevoegdheden naar de deelstaten  gekoppeld aan  financiële responsabilisering kan een antwoord zijn op de problemen en uitdagingen die op ons afkomen.

Besturen dichter bij de mensen

In een mondiale samenleving is een goed werkend overheidsapparaat en bestuur een belangrijk comparatief voordeel. Met de huidige staatsstructuren, bevoegdheidsverdelingen en verantwoordelijkheden dreigen onze overheden echter meer en meer tot een comparatief nadeel te worden. We hebben geen andere keuze dan verder te  blijven timmeren aan de staatsstructuren en de vormen van samenwerking tussen de diverse overheden in dit land. Hierbij moet het subsidiariteitsbeginsel de leidraad zijn. Wij willen een beter en meer verantwoordelijk bestuur op de beleidsniveaus die hiervoor aangewezen zijn. Besluitvorming gebeurt best zo dicht mogelijk bij de burger, tenzij optreden op een hoger niveau doeltreffender is (met als criteria: het al of niet bestaan van schaalvoordelen, van homogene voorkeuren of van mogelijke geografische oversijpelingseffecten). Op die manier komt er verscheidenheid waar wenselijk en mogelijk, en grotere uniformiteit waar noodzakelijk. Ook moet het overheidsniveau dat de eindverantwoordelijkheid draagt, ook de financiële, rekenschap afleggen. Door de tijdige publicatie van betrouwbare en relevante gegevens worden de overheden met hun neus op de feiten gedrukt. Concurrentie door vergelijking houdt de overheden bij de les (en de kassa) en maakt  ze minder vatbaar voor lobby’s van belangengroepen. Concurrentie door vergelijking veronderstelt evenwel dat de overheden over de instrumenten beschikken om wat gedaan moet worden,  goed te kunnen doen.

Economische hefbomen naar de deelstaten

Indien we economisch willen groeien en onze sociale bescherming betaalbaar willen houden, is het noodzakelijk een aantal economische hefbomen dringend over te brengen van de federale staat naar de deelstaten. Zoniet kan Wallonië zijn economische ambities nooit waarmaken en is het zoveelste reddingsplan voor Wallonië bij voorbaat mislukt. Zoniet dreigt ook Vlaanderen achterop te raken.

De economische verschillen tussen de deelstaten blijven groot. Volgens de meest recente regionale rekeningen is er (nog) geen sprake van een snellere groei in Wallonië dan in Vlaanderen. Als Wallonië Vlaanderen op een termijn van 30 jaar wil evenaren wat betreft het BBP per inwoner, dan moet de jaarlijkse economische groei  er gedurende minstens 30 jaar de helft groter zijn dan die in Vlaanderen. Het BBP per inwoner is in Vlaanderen immers 37 % hoger dan in Wallonië.
Het is dan ook geen toeval dat een aantal prominente Waalse economen vorig jaar  de noodklok hebben geluid. De werkloosheid in Wallonië, vooral de langdurige werkloosheid, ligt er net zoals de inactiviteitsgraad ontzettend hoog. De werkloosheid heeft er bovendien een generationele dimensie, wat in de ogen van de Waalse economen een welvaartsstaat onwaardig is. Ook het Waalse onderwijs scoort beneden het Europese niveau. De transfers vanuit Vlaanderen werken probleemverdoezelend in plaats van probleemoplossend. De transfers leiden niet tot economische groei in Wallonië en zorgen voor lagere groei in Vlaanderen.
Die transfers zullen ook niet automatisch verdwijnen zoals sommigen suggereren. Omdat Vlaanderen sterker vergrijst, denken sommigen dat er een omgekeerde transfer zal ontstaan. Maar Waalse werklozen dragen nu eenmaal niet bij tot het betalen van Vlaamse pensioenen. Dat de vergrijzing de arbeidsmarktsituatie in Wallonië zal verbeteren, is evenmin correct. Dat berust immers op de naïeve veronderstelling dat het aantal werklozen vermindert wanneer de beroepsbevolking daalt. Dat gebeurt niet automatisch. In de Belgische context is dat zelfs onwaarschijnlijk gezien het overgrote deel van de daling van de bevolking op beroepsactieve leeftijd zal plaatsvinden in Vlaanderen, de regio met de laagste werkloosheid.

Wallonië beschikt niet over een eigen munt. Een correctie van de loonkosten met de hulp van een devaluatie van de Waalse frank is dan ook niet mogelijk. En laten we duidelijk zijn, ook voor de federatie België inclusief Vlaanderen is het wisselkoersinstrument weggevallen.
Behalve geografische mobiliteit resten bijgevolg alleen regionale loononderhandelingen als structurele oplossing. Nu is de bestaande hoofdzakelijk unitaire loonvorming nefast voor Wallonië. De loonkosten lopen in verhouding tot de productiviteit - de loonkosten per eenheid product -  uit de pas. Zo worden (buitenlandse) investeringen afgeremd.  Bovendien is werken bij de overheid in Wallonië door de toegepaste lonen relatief aantrekkelijker dan in de private sector. Dat creëert een cultuur die private activiteiten en ondernemerschap ontmoedigt. In Wallonië werken dan ook  in verhouding veel meer mensen in (semi-)overheidsdienst dan in Vlaanderen.

Vlaanderen en Wallonië zijn thans voor hun sociaal-economisch beleid nog te veel  afhankelijk van federale instrumenten zoals belastingen, loon- en arbeidsvoorwaardenbeleid, werkloosheidsstelsels. Dat verhindert een coherent beleid op maat van de regio. Het heeft geen zin vast te houden aan één federaal recept voor twee verschillende ziektes. Vlaanderen en Wallonië dienen zelf over de sociaaleconomische beleidsinstrumenten te beschikken, nodig voor een geïntegreerd beleid op maat van de regio. Zo dienen ze te beschikken over de vennootschapsbelasting, als instrument van economisch beleid, het stelsel van de werkloosheidsuitkeringen als onderdeel van een werkgelegenheidsbeleid,  investeringen in spoorinfrastructuur als pijler van het mobiliteitsbeleid, … Andere hefbomen die voor onmiddellijke overheveling in aanmerking komen, zijn de volledige bevoegdheid met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling en de vormingsinitiatieven voor de (her)inschakeling op de arbeidsmarkt. Dat zal onvolmaakte oplossingen vermijden zoals nu het geval is met het zogenaamde generatiepact.

Deelstaten responsabiliseren

Het is niet meer dan normaal dat de deelstaten financieel verantwoordelijk zijn voor de gezondheidszorg. De deelstaten beïnvloeden immers mee de uitgaven in de gezondheidszorg. Houdbare solidariteit vraagt dat de middelen efficiënt worden besteed. Onverantwoord gedrag mag niet verder worden gesubsidieerd. Investeringen in preventie daarentegen moeten lonen voor wie ze doet. Anders  worden geen optimale beslissingen genomen.
Elke deelstaat organiseert best de wettelijke ziekteverzekering als een volksverzekering die een volwaardige bescherming biedt voor elkeen.  We moeten hierbij vermijden dat (sommige) ziekenfondsen zich vooral bekommeren om de meest gezonde mensen of dat voor zorginstellingen  enkel winstmaximalisatie voorop staat. Ook  in andere  sectoren zoals het onderwijs, de welzijnssector of de sociale woningbouw mag het non-profit karakter niet verdwijnen onder Europese druk.
Het is aangewezen een dergelijke ziekteverzekering te financieren uit algemene middelen die de eigen deelstaat ophaalt. Het gaat immers over kostencompenserende uitgaven voor risico's van de burger, los van zijn/haar professionele of familiale status. Een verbreding van de belastbare basis kan ook arbeid goedkoper maken en bijgevolg de werkgelegenheidsgraad verhogen.
Deelstaten worden, bijvoorbeeld naar analogie met de Duitse Länder, deels gecompenseerd in geval van onvoldoende belastinginkomsten. Met die garantie van middelensolidariteit is er geen hinderpaal meer om gezondheidszorg, net zoals kinderbijslag (in het raam van een geïntegreerd gezins- en demografisch beleid), volledig op het niveau van de deelstaten te organiseren. Kortom, een verregaande defederalisering van de bevoegdheden en financiële middelen is perfect verzoenbaar met een hoog niveau van transparante solidariteit.
De belangrijkste argumenten voor de defederalisering houden dan ook niet zo zeer verband met de zogenaamde Noord-Zuid transfers. Essentieel is dat Vlaanderen een geïntegreerd gezondheidszorgbeleid kan voeren. Het moet blijk geven van duidelijke keuzes, visie en grote bestuurskracht. Alleen zo sluiten  preventieve en curatieve zorg optimaal op elkaar aan.

Ook wat het arbeidsmarktbeleid betreft, moeten de deelstaten op een verstandige manier worden geresponsabiliseerd. De deelstaten beïnvloeden immers mee de uitgaven in de werkloosheid en in de pensioenen. Zo is jeugdwerkloosheid deels terug te brengen tot een gebrekkige opleiding. Met allerlei plannen voor tewerkstelling van jongeren koopt de federale overheid  nu falende  deelstaten uit. Andere financiële prikkels zijn nodig om de hervormde controle van de werklozen getrouw en overal in de praktijk om te zetten. Pas als de deelstaten financiële verantwoordelijkheid dragen voor het stelsel van de werkloosheidsvergoedingen en een onvoldoende werkwillige werkloze hun zelf geld kost, hebben ze er belang bij om de controle op de werkwilligheid ernstig te nemen. Net zo kan een betere responsabilisering van de deelstaten  vervroegd uittreden  van de eigen ambtenaren en onderwijspersoneel afremmen.  Ten slotte verdwijnt bij een defederalisering van de arbeidsmarkt best wat nog rest aan  federale bevoegdheid inzake leerplicht.


Culturele solidariteit

Solidariteit moet voor ons ook culturele solidariteit zijn. Niet alleen solidariteit met anderen omdat ze ziek, oud, werkloos of arm zijn, maar ook solidariteit wanneer een cultuur of taal kwetsbaar is en bedreigd of geminacht wordt. Die culturele solidariteit moet zich vertalen in een versterking van het zogenaamde taalterritorialiteitsprincipe (best te combineren met een cultureel akkoord met de franstalige gemeenschap). Iedereen is welkom maar op voorwaarde dat men bereid is zich de taal van de regio eigen te maken. 

Over het statuut van Brussel met dringend een open en positief overleg worden opgezet tussen alle partijen. Brussel mag en moet de hoofdstad worden van de talloze Europeanen en anderen die zich omwille van de internationale rol van Brussel bij ons vestigen. Maar buitenlanders mogen België niet als hun kolonie beschouwen. De gewestgrenzen moeten, veel meer dan nu het geval is, taalgrens zijn. Permanente taalfaciliteiten zijn dan ook uit den boze. Net zo is de eis tot splitsing van het kiesarrondissement  BHV voor ons geen akkefietje. Die splitsing is de consequente erkenning van het grondgebied van Vlaanderen.

**

Evolutie in plaats van revolutie

Een nieuwe staatshervorming is een absolute noodzaak. We roepen de Vlaamse politici op om vastberaden te weigeren een volgend federaal regeerakkoord te onderschrijven indien er geen akkoord is – met sluitende garanties -  over de nodige Vlaamse bevoegdheidsuitbreiding en indien  het consumptiefederalisme veroorzaakt door de financiering van de deelstaten op basis van dotaties, niet wordt doorbroken.
Het is lonender bepaalde evoluties  te begeleiden  in plaats van ze tegen  te houden. Het behoud van solidariteit vereist institutionele innovatie. Traditie kan ook hier niet verder zonder ambitie.  We verwachten dat moedige politici nu resoluut de daad bij het woord voegen.

(Lijst van de ondertekenaars)

Lentemanifest III (2007)
 
ER IS NOG EEN KANS
Is het einde van de winter in zicht?
 

Het is nog winter, in menig opzicht. Alvast een goede reden om te verwijzen naar de voorgaande Lentemanifesten (2 april 2004 en 13 april 2006) over “Een beter Vlaanderen door meer Vlaanderen.” Daarin komen wij op voor een beter beleid voor een solidaire samenleving, door groter responsabilisering op het gepaste niveau en dus voor overdracht van bevoegdheden en sociaal-economische hefbomen naar Vlaanderen.

De globalisering, het multicultureel samenleven, de vergrijzing, de milieu- en veiligheidsproblematiek, het energievraagstuk, de kenniskloof, de vereenzaming, het zinverlies bij zovelen zijn ingrijpende uitdagingen voor ons allen. Hierbij komt nog dat de vormende, verbindende en (waarden)dragende rol van belangrijke maatschappelijke instituties zoals het gezin, het onderwijs en het verenigingsleven onder druk is komen te staan. Meer dan ooit moeten we ons inzetten voor een zorgzame èn verantwoordelijke samenleving.

Er is nog een hele weg af te leggen. De rentemeevallers van de afgelopen jaren zijn niet voldoende geïnvesteerd in een versnelde afbouw van de overheidsschuld maar in een expansief budgettair beleid. De geboden dekking in de wettelijke pensioenen en de ziekteverzekering is er niet echt groter op geworden. Er is de sluipende privatisering van de sociale zekerheid. Het aantal mensen dat in armoede leeft is nog toegenomen. De ‘actieve welvaartsstaat’ is nog niet echt van de grond gekomen. Intussen blijft de ‘Belgische’ arbeidsmarkt chronisch ziek. De werkgelegenheidsgraad van jongeren, vooral in Brussel en Wallonië, evenals die van oudere werknemers en allochtonen, ook in Vlaanderen, ligt ver onder het Europees gemiddelde. Sowieso scoren we heel slecht inzake de werkgelegenheidsgraad van lager gekwalificeerden. Van de Europese norm van 3% van het BBP voor uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling kan België alleen maar dromen.

Het realiseren van een langetermijnstrategie om de welvaart echt te activeren en ten dienste te stellen van meer welzijn, is hoogstnodig. Het is onze overtuiging dat het bestaande chaotische institutionele kader hier geen soelaas kan bieden. Een nieuwe ingrijpende staatshervorming is daarom onontbeerlijk, om (1) tegemoet te komen aan de grote verschillen, ook in overtuigingen, voorkeuren en beleidsopties, tussen het Noorden en het Zuiden van het land, en ook om (2) te breken met het consumptiefederalisme zodat alle Gewesten en Gemeenschappen eindelijk voor hun financiële verantwoordelijkheid worden geplaatst.

Verschillen in overtuigingen en beleidsvoorkeuren hebben op heel wat beleidsdomeinen tot blokkeringen of inefficiënte maatregelen geleid. We dienen al te vaak aan de deelstaten eenzelfde medicijn toe voor totaal verschillende ziekten. Slechts een greep uit de talloze voorbeelden. De werkloosheidsgraad bedraagt 5, 2% voor Vlaanderen, 11, 8% voor Wallonië en 17, 7% voor Brussel (Nat. Bank).  We hebben nood aan een wijze sociale zekerheid die het arbeidsethos niet ondermijnt  en ook voldoende steun geeft in geval van werkloosheid of bij een maatschappelijk verantwoorde loopbaanonderbreking. Maar een consensus hierover binnen de Belgische context was in het verleden niet mogelijk en is het wellicht ook niet in de toekomst. In de gezondheidszorg ziet Vlaanderen de huisarts als spilfiguur van de gezondheidszorg terwijl Franstalig België een excessief beroep doet op ziekenhuis- en technische prestaties. De ingewijden in de gezondheidszorg kennen de regionale verschillen in uitgaven voor dezelfde medische prestaties maar al te goed. Lucide en moedige keuzes inzake prioriteiten om de budgettaire kosten van de gezondheidszorg beheersbaar te houden, werden dan ook niet gemaakt. Vlaanderen zweert bij de social-profit sector, Wallonië valt vlot terug op zuivere overheidsdienstverlening. Ook inzake politieke democratie zijn de verschillen opvallend. Het verschil in welvaartscreatie tussen de regio’s is ontstellend groot. Dat vertaalt zich onder meer in een twintigste plaats voor België in de competitiviteitsranking van het ‘Wereld Economisch Forum’, terwijl Vlaanderen zich in de top vijf nestelt. De besteding door Wallonië van de gelden vanuit Europese – en Belgische – solidariteit moet gebeuren in transparantie.
De kloof tussen Vlaanderen en Wallonië is dus meer dan een taalkloof. Vlaanderen en Wallonië groeien steeds verder van elkaar weg. Met een dergelijk gegeven is meer dan waar ook een consequente toepassing van het - ook in de EU zo essentieel geacht - bestuursbeginsel van de subsidiariteit aangewezen. De bevoegdheden komen best op het niveau waar ze het meest efficiënt kunnen worden uitgeoefend, met inbegrip van de EU.

Zoals reeds gesteld, moet de verantwoordelijkheid voor de deelstaten niet alleen spelen op het vlak van de uitgaven maar evenzeer op het vlak van de inkomsten. De opeenvolgende staatshervormingen, Lambermont incluis, huldigden telkens weer het principe van financiering op basis van dotaties. Het gevolg is dan ook dat de deelstaten veel te weinig financieel verantwoordelijk zijn voor hun inkomsten. Zo wordt de Vlaamse begroting voor maar liefst 80% gefinancierd uit dotaties van de federale overheid. De steden en gemeenten in Vlaanderen daarentegen financieren zich vandaag al voor meer dan de helft met eigen middelen.
Het gebrek aan financiële verantwoordelijkheid zet de deelstaten niet aan tot een optimaal begrotingsbeleid. Omdat de federale overheid nu grotendeels meefinanciert, wordt de kostenstructuur van de deelstaat vertekend. Onvoldoende eigen inkomsten zorgen ook voor een gebrek aan democratische legitimiteit. De deelstaten moeten zich nu niet verantwoorden tegenover het kiezerkorps voor een belangrijk deel van hun inkomsten. In grote mate geldt nu het pervers devies van ‘representation without taxation’. 
Een staatshervorming uit de oude doos, zoals een overheveling van het werkgelegenheidsbeleid naar de deelstaten met bijhorende dotaties, volstaat dan ook niet. Wat vooropstaat in een nieuwe staatshervorming is het verwezenlijken van echte financiële verantwoordelijkheid voor de deelstaten. Door fiscale autonomie moeten zij verantwoording afleggen ten aanzien van hun eigen burgers. Dat zal het bestuur beter bij de les houden. Dat zal leiden tot minder verspilling van overheidsmiddelen. Die middelen kunnen we best gebruiken voor dringende noden zoals het wegwerken van de armoede, de opvang van hulpbehoevenden, de betaalbaarheid van pensioenen en gezondheidszorg, investeringen in innovatief onderzoek. De deelstaten krijgen ten slotte een prikkel om in de belastbare basis(sen) te investeren want ze plukken mee de vruchten van hun beleid.
Fiscaal federalisme is dus een noodzaak. Het mag de efficiëntie en rechtvaardigheid van het belastingsysteem niet schaden. Voor die fiscale autonomie moet de federale overheid ruimte vrijmaken in de inkomstenbelasting. De deelstaten moeten immers eigen personenbelastingen kunnen heffen. Ook in de vennootschapsbelasting is een dubbele tariefstructuur aangewezen, met tarieven van de deelstaten die binnen een bepaalde bandbreedte kunnen variëren. Op die manier kunnen deelstaten ook komaf maken met het minder efficiënte substituut van subsidies aan ondernemingen.
De toegenomen fiscale autonomie dient niet alleen om nieuwe maar ook de bestaande bevoegdheden te financieren, dus via de vervanging van huidige dotaties.
Fiscaal federalisme impliceert ook geldtransfers van de rijkere naar de armere deelstaten. Wij pleiten terzake voor een transparant en voorspelbaar systeem. Die herverdeling gebeurt volledig buiten de federale begroting en blijft beperkt tot directe horizontale betalingen tussen de deelstaten. Die transfers corrigeren gedeeltelijk verschillen in belastbare inkomsten (en tijdelijk eventueel een duidelijk bewezen objectief verschil in sociale risico’s). De deelstaten moeten immers nog voldoende prikkels hebben om te investeren in eigen belastingscapaciteit en binnen een redelijke termijn de eventuele economische achterstand in te halen waardoor transfers overbodig worden.

De voorgestelde hervormingen zullen ‘Vlaanderen in actie’ sterk bevorderen. Ze zullen geenszins leiden tot een verarming van Wallonië. Integendeel. Want als noodzakelijke impuls voor de wederopbouw van die deelstaat zullen de voorgestelde hervormingen er voor zorgen dat het Marshallplan geen dode letter blijft. Het werkgelegenheidsprobleem in Wallonië (en de hieruit voortvloeiende transfer van Vlaanderen naar Wallonië) zal trouwens niet automatisch verdwijnen als gevolg van de vergrijzing.
We moeten komen tot een volwassen sociaal federalisme met evenwicht tussen verantwoordelijkheid en solidariteit en samenwerking ten dienste van het algemeen belang.  En elke verantwoordelijke Gemeenschap en regio moet zich daar intens op voorbereiden. 

Brussel als multiculturele stad en hoofdstad van Europa heeft alle mogelijkheden voor een grote toekomst. Niet de grenzen van Brussel maar wel de interne bestuursgrenzen zijn contraproductief. Ook krijgen de Gemeenschappen er best de eindverantwoordelijkheid voor persoonsgebonden bevoegdheden zoals gezondheidszorg en ook werkgelegenheid, die ze best samen uitbouwen. (Daarbij staan, desgevallend, de Vlaamse sociale regelingen, zoals de zorgverzekering vandaag, open voor al wie in het Brussels Gewest woont.)

Zoals reeds betoogd in onze voorgaande Manifesten, betekent een nieuwe staatshervorming voor ons concreet het realiseren van volgende tien punten: een defederalisering - met vorming van homogene bevoegdheidspakketten - van het wetenschappelijk onderzoek, de gezondheidszorg, het gezinsbeleid, het arbeidsmarktbeleid met de loononderhandelingen, de werkloosheidsuitkeringen, het veiligheidsbeleid en de organisatie van de rechtsbedeling. Hieraan moet logischer wijze meer fiscale autonomie in de personen- en vennootschapbelasting alsook een transparant systeem van transferten worden gekoppeld. Voor Brussel dient een aangepast statuut te worden uitgewerkt waarin een belangrijke aansturing door de deelstaten, liefst tezamen, wordt voorzien.

Om deze institutionele veranderingen mogelijk te maken, is het vooreerst nodig een aantal artikelen uit de grondwet voor herziening vatbaar te verklaren. Hierbij moet er ook aandacht  gaan naar het wegwerken van anomalieën in de huidige bevoegdheidsverdeling (zoals de leerplicht) en van de onvoldoende betrokkenheid van de deelstaten bij het energiebeleid en de transport- en telecomnetwerken.

De Vlaamse politieke partijen moeten de moed opbrengen het regeerakkoord van de volgende federale regering niet te ondertekenen wanneer onvoldoende van die voorgestelde hervormingen worden gerealiseerd. Akkoorden worden best daarop afgetoetst.

Ons geduld is door het immobilisme in de voorbije periode verdampt. Meer Vlaanderen -meer Wallonië- is meer dan ooit nodig om tot een beter Vlaanderen -beter Wallonië- te komen. Een status-quo of een ontoereikende staatshervorming is daarentegen de snelste weg naar een scheiding.

(Lijst van de ondertekenaars)  

Lentemanifest IV - ER IS NOG EEN KANS (13 maart 2008)
 

De vorige Lentemanifesten bewogen zich tussen hoop en vrees. Vrees dat het verder bergaf gaat met de welvaart en het welzijn in dit land. Hoop dat veranderingen, ook institutionele, effectief worden doorgevoerd. De laatste maanden is vooral de vrees toegenomen. Ons land zit niet op koers, noch met zijn budget (2007 eindigde in het rood), noch voor zijn schuldafbouw, noch voor de werkgelegenheidsgraad. Ook op het vlak van de staatshervorming dreigt immobilisme. Nochtans kan een institutionele status-quo geen optie zijn. Meer welvaart en welzijn in het Noorden maar ook in het Zuiden van het land vereisen een grondige hertekening van het Belgisch institutioneel huishouden.

Fase 1 van de nieuwe staatshervorming maakt een eerste begin van die hertekening met het overhevelen naar de deelgebieden van een aantal bevoegdheden (inzake huisvestings-, gezins-, mobiliteits- en economisch beleid).

Fase 2 wil op dat 'élan' verder gaan door nog vóór het zomerreces bijkomende bevoegdheden inzake het cruciale arbeidsmarktbeleid en het gezins- en gezondheidsbeleid over te dragen, terwijl de financiële responsabilisering en meer fiscale autonomie van de deelgebieden zouden worden onderzocht. Het is natuurlijk een goede zaak dat de bevoegdheidsverdeling tussen de diverse overheden in dit land coherenter wordt gemaakt, en dat sommige bevoegdheden dichter bij de mensen worden gebracht.

Maar Fase 2 dreigt de afspraak met de geschiedenis te missen wanneer men blijft zweren bij het recept van het verleden: het overhevelen naar de deelgebieden van uitgavenbevoegdheden met ruime bijbehorende federale overheidsmiddelen. De zo in het vooruitzicht gestelde staatshervorming biedt geen afdoend antwoord op de uitdagingen van morgen, namelijk het veilig stellen, via echte responsabilisering, van de interpersoonlijke solidariteit in een vergrijzende en globaliserende samenleving. En Brussel nog maar eens herfinancieren zonder de Brusselse instellingen te hervormen, zal evenmin voor de Brusselse werklozen en zieken soelaas brengen.

Het Belgische dotatiesysteem van financiële middelenvoorziening, dat op het eerste gezicht zeer solidair kan lijken, is een schoolvoorbeeld van budgettaire onverantwoordelijkheid. De gemeenschappelijke pool van centraal geïnde ontvangsten vormt een bestendige uitnodiging voor de decentrale overheden om die te exploiteren als 'derde betaler' voor hun uitgaven. De decentrale overheden moeten dan immers de fiscale rekening van hun uitgaven niet direct aan hun burgers presenteren. En bij gebrek aan voldoende eigen belastingbevoegdheden zal de centrale overheid onder druk worden gezet om met bijkomende middelen over de brug te komen, wanneer een falen van een decentraal bestuursniveau dreigt. Dit is niet bevorderlijk voor de noodzakelijke discipline bij het doen van uitgaven.

Dotaties vervangen door meer eigen belastingruimte voor gemeenschappen en gewesten is dringend nodig om die de nodige prikkels te geven voor een beter gebruik van de financiële middelen. Decentrale overheden, die zelf inkomsten moeten verwerven uit belastingen, hebben er immers alle belang bij die zo efficiënt mogelijk te gebruiken voor investeringen in menselijk kapitaal en productiviteitsverbeterende publieke infrastructuur. Dergelijke uitgaven stimuleren de economische activiteit, verhogen de belastingbasis en leiden dus voor de betrokken overheid tot terugverdieneffecten, waarvan ook de federatie kan genieten.

Meer fiscale autonomie moet de federale overheid een dubbel dividend opleveren. De gemeenschappen en gewesten zullen met name worden aangezet om te investeren in de versterking van het economisch weefsel met hogere werkgelegenheidsgraad en een verbreding van de belastbare basissen tot gevolg. Fiscale autonomie moet de federale overheid ook de mogelijkheid bieden te besparen op de fiscale overdrachten naar de gemeenschappen en gewesten. De zo ontstane budgettaire marges zullen op hun beurt de meerkosten van de vergrijzing en de interpersoonlijke solidariteit helpen financieren.

Concreet kan meer financiële verantwoordelijkheid van de deelstaten worden gerealiseerd door de huidige dotaties deels te vervangen door eigen fiscale opbrengsten en, in geval van nieuwe bevoegdheden, door geen gebruik te maken van dotaties. Hiertoe moet de federale overheid fiscale ruimte creëren door de eigen tarieven in inkomstenbelasting te verlagen, ruimte die de Gemeenschappen en gewesten vervolgens met eigen tarieven kunnen aanvullen. Die grotere financiële verantwoordelijkheid kan via een overgangsperiode worden gerealiseerd zodat de gemeenschappen en gewesten tijd krijgen te investeren in hun sociaaleconomisch draagvlak. En net zoals financiële verantwoordelijkheid voor de diverse overheden is solidariteit van de rijkere met de armere deelstaten een wezenskenmerk van federale staten. Zo wordt een gelijkwaardige toegang tot publieke dienstverlening voor alle inwoners van het land verzekerd.

Politici die bevoegd willen zijn voor de uitgaven, moeten dus ook hun verantwoordelijkheid nemen voor de inkomsten. Dat is een sleutel voor beter bestuur. Maar beter bestuur vereist ook dat bevoegdheden niet lukraak worden toegewezen. Het subsidiariteitsbeginsel stelt immers dat bevoegdheden best op het niveau komen waar ze het meest efficiënt kunnen worden uitgeoefend. De efficiëntie wordt bepaald aan de hand van drie criteria: homogeniteit van de situaties, voorkeuren of beleidskeuzes, schaal- en oversijpelingseffecten.

Wanneer de situaties, voorkeuren of beleidskeuzes tussen deelstaten niet wezenlijk verschillen of de nabijheid van de publieke dienstverlening niet echt van belang is en er bovendien sprake is van significante schaalvoordelen en/of oversijpelingseffecten, is de federale (of Europese) overheid best verantwoordelijk voor het aanbod van die publieke goederen of diensten. Zo pleiten schaalvoordelen voor een Belgisch (en zelfs Europees) leger. Regionale of lokale overheden bieden dan weer het best die goederen/diensten aan waar schaalvoordelen/oversijpelingseffecten minder belangrijk zijn, maar waar de situaties, voorkeuren of beleidskeuzes in sterke mate verschillen tussen de diverse gebieden (zoals de rechterlijke organisatie). Maar ook wanneer noch verschillen tussen deelstaten noch schaalvoordelen bestaan, kan decentralisatie aangewezen zijn. Decentralisatie kan immers het gedrag van beleidsvoerders helpen disciplineren doordat overheden dan met mekaar kunnen worden vergeleken.

Op basis van objectieve criteria is het allicht aangewezen bepaalde bevoegdheden naar het niveau van provincies en steden-gemeenten te brengen. Het debat over de staatshervorming mag zich dan ook niet beperken tot een discussie van het overhevelen van bevoegdheden van de federale overheid naar de gemeenschappen en gewesten (of omgekeerd). Laten we samen met alle betrokkenen voor elk bevoegdheidsdomein de gepaste verantwoordelijke instantie(s) aanduiden.

Soms laten de criteria geen éénduidige beslissing toe en is een politieke beslissing vereist om een bevoegdheid toe te wijzen. In dat geval wordt het best de overheid die het dichtst bij de burgers staat bevoegd. Er is immers een democratische meerwaarde wanneer de politieke verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid dichter bij de rechtstreeks betrokken burgers ligt. Bovendien biedt dat ook de mogelijkheid om te experimenteren zodat andere overheden hieruit lering kunnen trekken.

Niet de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maar wel zijn interne bestuursverhoudingen stellen we ter discussie. Ook moeten de Gemeenschappen, voor grensoverschrijdende beleidsmateries, Brussel meebesturen.

Naast een zo efficiënt mogelijke toewijzing van uitgavenbevoegdheden, moet die toewijzing zo coherent en transparant mogelijk gebeuren. Een versnippering van bevoegdheden, zoals nu al te vaak het geval is, is geen voorbeeld van goed bestuur. Het gaat in tegen goed bestuur dat men de bevoegdheid wel heeft voor onderwijs maar niet voor de leerplicht, wel voor de opvang van delinquente jongeren maar niet voor de wijze van bestraffing, wel voor scholing en arbeidsbemiddeling maar niet voor de langdurige werkloosheid, wel voor de preventieve gezondheidszorg maar niet voor de curatieve gezondheidszorg, wel voor de lonen van ambtenaren maar niet voor hun pensioenen... Maximaal coherente bevoegdheidspakketten zullen bevoegdheidsconflicten helpen voorkomen.

Ook moeten in een federatie zowel de federale overheid als de regionale overheden bij de uitoefening van hun bevoegdheden het algemeen belang en het belang van de andere regio's voor ogen houden.

Een doordachte toepassing van de principes van financiële verantwoordelijkheid, subsidiariteit en coherente bevoegdheden kan België een duurzame federale structuur geven én de meerkosten van onder meer de vergrijzing en de globalisering op een sociale manier helpen opvangen.

De politici worden vandaag niet geconfronteerd met het dilemma: voorrang verlenen aan de staatshervorming, of aan de sociaal-economische programma's. Beide opdrachten moeten nu gezamenlijk en coherent worden verwezenlijkt.

Dit vierde lentemanifest werd geschreven op initiatief van Jan De Groof (Universiteit Antwerpen) en Roger Dillemans (KU Leuven). Het werd mede ondertekend door meer dan honderd Vlaamse personaliteiten. U vindt de volledige lijst op de website van De Standaard
Balans bij de lentemanifesten (13 juni 2007)
 
Perverse solidariteit.
STAATSHERVORMING IS KWESTIE VAN GOED BESTUUR
 



In 2004 en 2006 publiceerden ruim 100 Vlaamse vooraanstaanden hun 'Lentemanifest'. Ze pleitten voor een ingrijpende staatshervorming (DS 2 april 2004, DS 13 april 2006). Nu maken ze een actuele balans op. De bijdrage leek het OVV pertinent en actueel.

 

Het wordt moeilijk om met de Franstalige partijen tot een regeringsovereenkomst te komen die een staatshervorming mogelijk maakt. Nochtans is een fiscale regionalisering in het belang van zowel Vlaanderen als Wallonië, schrijven Koen Algoed e.a. Lees verder


Bron: http://www.woordhouden.be

Het Gravensteenmanifest
 
   

De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep* noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.

Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem-) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.  Daarom wensen ze de volgende standpunten naar voren te brengen.

Bij het ontstaan van België in 1830 heeft de francofone bourgeoisie de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen, door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gefundeerd. Die sociaal-economische ongelijkheid is mettertijd in grote mate weggewerkt dankzij een strijdbare arbeidersbeweging. Het recht op eigen taal en cultuur hebben de Vlamingen echter moeten afdwingen via een kluwen van ondoorzichtige compromissen. Het resultaat is een omslachtige staatsstructuur, een institutionele doolhof met zeven parlementen en zes regeringen. Onze 'imago-schade' in het buitenland wordt niet alleen veroorzaakt door de voorbije formatiecrisis, maar ook door de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt. De verkiezingsuitslag van 10 juni 2007 in Vlaanderen is mede veroorzaakt door het ongenoegen over deze historische vergroeiing en lijkt een onomkeerbare optie op de toekomst te nemen.

Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgische status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard 'progressief Vlaanderen' stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen. Ons aanknopingspunt is niet een belegen Vlaams romantisme, maar wel de Verlichtingsfilosofie, het democratisch gelijkheidsbeginsel, een moderne visie rond decentralisatie, subsidiariteit, schaalverkleining en regionale autonomie die overal in Europa aan de orde is, van Schotland tot Kosovo, en van Catalonië tot Estland.

Centraal staat daarin het principe van territorialiteit. In 1962-63 werden de definitieve grenzen vastgelegd van Vlaanderen, Wallonië en Duitstalig België, als taalkundige én culturele ruimtes binnen het Belgisch federaal bestel. Dit nadat al in 1932 de eentaligheid der regio's -mede onder sterke Waalse druk-  werd aanvaard. De taalgrens heeft hier in dit opzicht de kracht van een staatsgrens. Zo'n ruimtelijke afbakening impliceert bepaalde spelregels, nodig voor een gezond sociaal weefsel. Wereldwijd beschouwt men het namelijk als evident dat een immigrant, mits een aanpassingsperiode, zich inburgert door zich de taal van het nieuwe thuisland eigen te maken. Dit doet geen afbreuk aan de mensenrechten inzake godsdienst, culturele eigenheid of taalgebruik in de privé-sfeer. Laagopgeleide allochtone migranten doen deze inspanning met vrucht, terwijl veelal hoogopgeleide Franstalige inwijkelingen in Vlaanderen dit om principiële redenen niét blijken te doen, hierin gesteund door hun politici. Sommigen menen zelfs dat het volstaat, in een grensgemeente een meerderheid te verwerven, om de grenzen te verplaatsen. Daarmee ondergraven ze het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich. Men kan zich indenken hoe de Fransen zouden reageren, mocht een Duitstalige meerderheid in een Franse grensgemeente eventjes de grenzen tussen beide landen willen wijzigen.

De ondertekenaars van dit manifest vinden daarom dat elke discussie over sociaal-economische solidariteit onmogelijk wordt, indien men de politieke solidariteit, d.w.z.  het wederzijds respect voor grens en ruimte niet eerbiedigt. Er is een ommekeer in de mentaliteit nodig bij de francofone politici: wij hoeven dit respect niet 'af te kopen'. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde is een toepassing van dat in de grondwet verankerd territorialiteitsbeginsel. Daarnaast vormt reële tweetaligheid in Brussel, als hoofdstedelijk gewest, de laatste kans voor België om als confederale staat te overleven.

Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen,  is elke discussie over staatshervorming zinloos. Noodgedwongen moeten we dan de nodige stappen zetten om de regio's als onafhankelijke staten deel te laten uitmaken van de Europese Unie. Overigens, in de post-Belgische context van de Europese samenwerking kan interregionale solidariteit maximaal spelen. Wij willen, als welvarende regio, zowel de interpersoonlijke als de interregionale solidariteit in stand houden. Met ons hoofd én met ons hart. Maar niet met een latent onbehagen omtrent cultuurimperialisme, ongezond parasitisme, en verborgen partijpolitieke agenda's.

Dit België is zonder duidelijke, onherroepelijke afspraken niet werkbaar; wie een hervorming in deze democratische zin afwijst; pleit in feite voor de ontbinding van die staat. In het verlengde van deze moderniseringsgedachte vragen wij transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, de toepassing van democratische grondrechten, en onschendbaarheid van taalgrenzen. Met onze Franstalige vrienden als het kan, zonder hen als het moet.

Meer autonomie zal eenieder tot voordeel strekken. Gelukkig groeit aan beide zijden van de taalgrens het besef dat ook Franstalig België zijn eigen groeikansen hypothekeert in de mate dat het zich laat gijzelen door politici die zweren bij de status-quo.

De oude vijandbeelden moeten vervangen worden door nieuwe samenwerkingsverbanden, gebaseerd op een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid. Wallonië als bevriende partnernatie lijkt ons een aantrekkelijker perspectief dan een staatsbestel dat zich van de ene crisis naar de andere voortsleept.

Namens de Gravensteengroep,


Etienne Vermeersch
Frans-Jos Verdoodt
Piet van Eeckhaut
Jef Turf
Bart Staes
Jean-Pierre Rondas
Yves Panneels
Chris Michel


Bart Maddens
Paul Ghijsels
Paul De Ridder
Dirk Denoyelle
Peter De Graeve
Eric Defoort
Jo de Caluwe
Ludo Abicht


*De groep kwam voor het eerst samen en stelde deze tekst op
in de schaduw van het Gentse Gravensteen.

Klik hier voor de PDF-versie van het manifest.

Zie de website van de Gravensteengroep: http://www.gravensteengroep.org/

Sinds de publicatie van het Gravensteenmanifest op 22 februari 2008 is er een hele publieke discussie
op gang gekomen in artikels. De website van het OVV houdt die documentatie bij.
U kunt ze raadplegen via de volgende koppeling http://www.ovv.be/page.php?ID=2197

Omhoog

Het tweede Gravensteen-manifest (28 april 2008)
Meer solidariteit door gelijkwaardigheid

DE GRAVENSTEENGROEP publiceerde op 22 februari haar eerste manifest. Daarin sprak zij haar gehechtheid aan het principe van de solidariteit uit. De samenhang van solidariteit en wederzijds respect vormt de basiswaarde van een rechtvaardige maatschappij. Institutionele hervormingen moeten de realisatie van dergelijke waarden dichterbij brengen.

In een tijd van toenemend individualisme is solidariteit de beste garantie om de kloof tussen arm en rijk, tussen individu en gemeenschap, tussen staten en regio's te overbruggen. Eensgezindheid over dit nobele ideaal lijkt vanzelfsprekend. Maar een nauwkeurige analyse van het principe en de toepassing ervan toont aan dat de verwezenlijking van een authentieke solidariteit in onze samenleving steeds moeilijker wordt. Uitgerekend ter verdediging van de solidariteit wil de Gravensteengroep het vaak foutieve en lege gebruik van het begrip aan de orde stellen, meer bepaald door wie voorbijgaat aan fundamenteel democratische principes.

In de loop van de geschiedenis krijgt het begrip solidariteit verschillende betekenissen, wat een slordig en manipulatief gebruik in de hand werkt. Aan het einde van de achttiende eeuw betekent solidariteit de wederzijdse morele verplichting van personen voor en tegenover elkaar. Tijdens de Franse Revolutie is ze synoniem voor 'broederlijkheid'. Naast de principes van 'vrijheid' en 'gelijkheid' wordt de broederlijkheid de derde grote waarde van de Verlichting en de moderniteit. Vanaf het midden van de negentiende eeuw geraakt de term ingeburgerd in de sociale emancipatiestrijd, wanneer arbeiders staken uit solidariteit met hun lotgenoten elders. Het socialisme van de drie opeenvolgende 'Internationales' beschouwt die grensoverschrijdende solidariteit als een van de vaste pijlers van de maatschappelijke ontvoogding. Toch schiet deze solidariteit van bij de aanvang schromelijk tekort jegens de 'verworpenen der aarde' in de Europese kolonies. Uiteindelijk worden in Europa, na de beide wereldoorlogen, systemen van Sociale Zekerheid opgebouwd, die echter uitsluitend op nationale basis functioneren. Deze laatste, reële beperking van de solidariteit tot de eigen natie, vormt onmiskenbaar een minpunt ten opzichte van het 19de-eeuwse principe. Zo overstijgt de solidariteit weliswaar de fabrieksmuren, maar blijft ze tegelijk structureel binnen de landsgrenzen gevat. Buiten die grenzen geldt slechts de aloude 'liefdadigheid'.

In een context van geleidelijke verbrokkeling van de verzorgingsstaat wordt aan de term solidariteit steeds vaker een wisselende inhoud toegekend. Paus Johannes Paulus II maakt in 1987 van de solidariteit opnieuw een christelijke deugd, die van wederzijdse morele verantwoordelijkheid. Zowel het 'Verdrag van Maastricht' (1992) als 'Een Grondwet voor Europa' (2004) verheffen de solidariteit tot basisprincipe. Maar de teksten blijven uiterst vaag over de vraag hoe die verplichting tussen overheid en burgers moet worden geregeld. Regeringsleiders hebben in naam van de solidariteit tijdens de voorbije jaren ongehinderd maatregelen genomen - bijvoorbeeld inzake fiscaliteit - die allesbehalve ten goede komen aan wie echt solidariteit behoeft. Het begrip is inmiddels zozeer moreel beladen, dat elke kritische analyse ervan onmogelijk wordt en de politieke discussie erover verstomt.

Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen. Het solidariteitsprincipe stoelt op het idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn. In een solidaire samenleving wordt louter liefdadigheid vervangen door een sociale structuur, die niet zomaar het leed verzacht, maar ook en vooral de economische en politieke ongelijkheden aanpakt, die van dat leed de oorzaak vormen.

Vanuit die beschouwingen wordt duidelijk hoe principieel de Gravensteengroep is in haar verdediging van de solidariteit. Maar dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag een van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt. Wie daarentegen in naam van de solidariteit de historisch vergroeide en beperkende structuren verdedigt, werpt zich graag op als de verdediger van de sociale democratie.

Is het dan niet aangewezen dat Vlaanderen solidair is met Wallonië, met Brussel? Jazeker. Dat is trouwens ook een sociologisch en economisch feit. Maar leven in gelijkwaardigheid en verbondenheid veronderstelt meer dan sociaal-economische solidariteit alleen. Een gelijkwaardige en solidaire samenleving is immers niet realiseerbaar zonder politieke transparantie en zonder politieke solidariteit. Wie sociale solidariteit verwacht, maar tegelijk de politieke solidariteit hypothekeert, ondermijnt zelf, als eerste, het principe van de solidariteit. Dat ontwricht de democratie.

In dit land zijn institutionele hervormingen hoogdringend. Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen. De overdracht van sociale, fiscale en economische kernbevoegdheden zal de inwoners van dit land in staat stellen om beter, op een democratische en gelijkwaardige manier, samen te werken.

Tijdens de crisis van de afgelopen maanden werd ons ten onrechte voorgehouden dat 'meer Vlaanderen' tegelijk 'minder Wallonië' betekent. Die voorstelling van zaken zal de spanningen slechts doen toenemen, tot het wellicht te laat zal zijn voor een redelijke en op wederzijds respect gebaseerde oplossing. De oplossing van communautaire problemen moet politici aanzetten tot transparantie omtrent hun solidaire intenties, en dit zowel op het vlak van de politieke, de sociale als de regionale solidariteit.

Tinneke Beeckman, Willy Courteaux, Brigitte Raskin, Pierre Darge, Karel Gacoms, Peter Hoogland, Johan Swinnen, Jan Van Duppen, Tuur Van Wallendael, Etienne Vermeersch, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jef Turf, Bart Staes, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Chris Michel, Bart Maddens, Paul Ghijsels, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo de Caluwe, Ludo Abicht, Jan Verheyen.

28 april 2008

Omhoog

Het derde Gravensteenmanifest (3 juli 2008)
Geen grond, geld, of macht, maar meer democratie

DE GRAVENSTEENGROEP publiceerde op 22 februari zijn eerste manifest en op 28 april een tweede. De groep bestaat uit progressieve kunstenaars en intellectuelen die klaarheid willen scheppen in de verwarde discussies over de huidige institutionele crisis. Met deze derde tekst blikken ze vooruit op 11juli (de Vlaamse Feestdag) en op 15 juli, de deadline voor de grote staatshervorming die in de regeringsonderhandelingen werd aangekondigd.

Politieke solidariteit: een noodzaak voor de democratie

België kreunt onder een gebrek aan politieke solidariteit. Recente gebeurtenissen illustreren dit scherp. Franstalige politici hebben opnieuw een aantal beslissingen van het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering verdacht gemaakt in de Raad van Europa. Ook de Verenigde Naties werden onlangs in dit proces ingeschakeld.

Dat zijn zorgwekkende feiten. Redelijke en rechtvaardige Vlaamse standpunten worden voortdurend geassocieerd met een extreemrechts gedachtegoed, zoals het eerste Gravensteenmanifest al stelde. Die kritiekloze aanname creëert een klimaat waarin de Vlamingen als onverdraagzaam worden voorgesteld. Er zijn Franstaligen die zich nu verheugen omdat men in het buitenland denkt: 'Vlaanderen is racistisch'. Alsof dat zelf geen racistische gedachte is. Dergelijke praktijken verzieken de omgang tussen Vlamingen en Franstaligen.

Internationale spelregels

Een consequente toepassing van Europese principes in België zou het Vlaamse standpunt vooral bevestigen. In het huidige Europa kan een grens niet langer worden beschouwd als een slagboom, of het grondgebied als een slagveld. De binnengrenzen van Europa functioneren vandaag veeleer als spelregels. Wie Luik verlaat richting Aken, of Kortrijk richting Parijs, komt voorbij de voormalige staatsgrenzen weliswaar in een andere taal en cultuur terecht, maar gelukkig niet langer in een andere wereld, of een ander Europa.

Vandaag hebben Fransen rechten in Duitsland. Ze genieten er, zoals alle EU-burgers, de bescherming van Europese wetten en verdragen. Ze kunnen er wonen, werken, studeren, leven… Maar ze hebben er ook plichten. Ze worden geacht de taal en cultuur te respecteren van het land dat hun gastvrijheid biedt. Er zijn spelregels: elke grensovergang is als het betreden van een nieuw vakje in een gezamenlijk spel.

De Gravensteengroep gaat uit van een - voorwaardelijk - vertrouwen in de onomkeerbaarheid van de Europese eenwording. Dit Europa is nog niet ideaal. Maar het is zeker niet langer de speeltuin van een Bismarck of een Napoleon.

Als de negentiende-eeuwse versie van de natiestaat achterhaald is, dan geldt dit ook voor België. De Gravensteengroep vraagt niets anders dan dat Europese en dus inter-nationale regels ook in ons land worden gerespecteerd. Het territorialiteitsbeginsel maakt daar deel van uit, als de politieke basis voor een vreedzaam samenleven in federaal verband. Maar ook het respect voor de meerderheidsregel behoort tot die regels, evenals de politieke verantwoordelijkheid van de bestuurders voor het gevoerde beleid ('no taxation without representation').

IJzeren Rijn

Wij wensen dat de Franstaligen in België eindelijk ophouden onze problemen vanuit een eng nationaal kader te benaderen. Dat bovendien een deel van de Vlamingen onze zoektocht naar een democratische en Europese benadering niet bijtreedt, blijft een probleem. Zelf kritiekloos de Belgische natie verdedigen maar anderen nationalisme verwijten, is niet ernstig.

Het aankaarten van het democratisch deficit in België is het tegendeel van 'Vlaamse navelstaarderij'. Hoe meer je onze buurlanden bestudeert, hoe duidelijker blijkt dat de basisprincipes van een volwaardig, democratisch federalisme in ons land niet worden toegepast. Eén van die principes is de politieke solidariteit. In het tweede Gravensteenmanifest stelden we dat solidariteit het eigenbelang overstijgt. Politieke solidariteit betekent onder meer dat politici van het ene landsdeel niet moedwillig handelen tegen het belang van een andere deelstaat in.

Een illustratie van dat laatste was het optreden van het Waalse Gewest in het dossier van de 'IJzeren Rijn'. De Vlaamse regering heeft jarenlang moeizaam onderhandeld met Nederland over de aansluiting van de Antwerpse haven op het Duitse Ruhrgebied via het spoor. Het traject liep niet over Waals grondgebied en kwam niet ten laste van de Waalse begroting. Toch vond de toenmalige minister-president van het Waalse Gewest, Elio di Rupo, in een advies aan het provinciebestuur van Maastricht dat het hele project 'weggegooid geld' was. Terecht noemden de SP.A-ministers deze visie 'ongehoord, inconsequent en dom'. Wie de elementaire principes van de politieke solidariteit niet respecteert, ondermijnt zelf het samenleven in de federale staat België.

Machtsvacuüm

In België wordt de doorwerking van de democratie al decennialang tegengewerkt. Vandaag behoort het tot het politieke spel om de meerderheidsregel niet te respecteren. Franstaligen steigeren als in de Kamer van Volksvertegenwoordigers de Vlamingen hun meerderheid gebruiken om een kieswet aan te passen. Nochtans hebben deze laatsten daar volgens de Grondwet het volste recht toe. Anderzijds eisen de Franstaligen dat de meerderheid in een faciliteitengemeente zou mogen beslissen over een aanhechting bij Brussel, terwijl voor een dergelijke procedure geen grondwettelijke basis bestaat. Er wordt geen moeite gespaard om een democratische maatregel als de Vlaamse wooncode voor te stellen als een dwangmaatregel van een racistische overheid. Door dit alles zijn wij in een crisis van de democratie zonder voorgaande beland. De meerderheid kan haar democratische visie op het toekomstige beleid niet realiseren. Zij wordt voortdurend afgeblokt door de minderheid, die nochtans in de wetgeving ruime bescherming geniet. De scheiding der machten is zonder voorwerp, aangezien er geen macht meer is maar een steeds zorgwekkender vacuüm. Dít België ter discussie stellen, lijkt ons een daad van democratisch verzet.

Herstel van de democratie

De loodzware taak van de huidige regering is niet alleen het vestigen van goed bestuur, maar eerst en vooral het herstel van de democratie. Dit zal enkel slagen indien het belang van enkele fundamentele regels wordt erkend: De erkenning van het territorialiteitsbeginsel. Waardering, te goeder trouw, voor de democratische spelregels in de Belgische politiek. Respect voor de meerderheidsregel. Verantwoordelijkheid van de verschillende overheden voor het eigen beleid, wat moet leiden tot ruime fiscale autonomie.

Wie het Belgische federalisme nog een toekomst wil geven, stemt ondubbelzinnig in met een institutionele pacificatie, waarvan de vanzelfsprekende splitsing van BHV een hoeksteen vormt. Als de Franstalige minderheid werkelijk wil dat dit land, waarvan zij nu enthousiast de vlag hijst, door de Nederlandstalige meerderheid in ere wordt gehouden, dan moet zij voor die meerderheid zelf het nodige respect opbrengen.

De macht uit haar vacuüm en de democratie uit haar diepe crisis halen, zal meer vergen dan 'vijf minuten politieke moed'. Het veronderstelt bij de verantwoordelijken een visie die uitgaat van de dringende behoefte aan politieke solidariteit. Het vereist een overtuigingskracht die daaraan beantwoordt. Zonder politieke solidariteit, zowel bij de overheden als de burgers, wordt verdraagzaam en democratisch samenleven onmogelijk. Alleen de bewuste keuze voor politieke solidariteit zal het land uit het huidige vacuüm halen. Wij pleiten ervoor dat de stilaan uitzichtloze Belgische crisis wordt benaderd vanuit een democratische, rationele invalshoek. Wij kunnen niet langer aanvaarden dat de redelijkheid van de democratie in heel Europa mag zegevieren, behalve in België. Wij eisen geen grond, geen geld en geen macht. Wij wijzen op principes die moeten leiden tot meer democratie.

Etienne Vermeersch (ere-vice-rector Universiteit Gent), Jan Verheyen (regisseur), Frans-Jos Verdoodt (em. prof. Utrecht, prof. Universiteit Antwerpen), Tuur Van Wallendael (gewezen journalist, sp.a), Piet van Eeckhaut (gewezen voorzitter provincieraad Oost-Vlaanderen, sp.a), Jan Van Duppen (gewezen gemeenschapssenator en huisarts), Luc Van Doorslaer (docent Lessius, K.U.Leuven, journalist), Jef Turf, (oud-vice-voorzitter KP), Johan Swinnen (prof. VUB, Hogeschool Antwerpen, Sorbonne), Bart Staes (Europarlementslid Groen!), Brigitte Raskin (schrijfster), Jean-Pierre Rondas (producer Klara), Yves Panneels (communicatiedeskundige), Chris Michel (journalist), Bart Maddens (prof. K.U.Leuven), Karel Gacoms (ABVV-militant), Paul Ghijsels (voormalig journalist en ambtenaar), Peter Hoogland (bedrijfsleider), Pierre Darge (journalist), Paul De Ridder (dr. historicus, medewerker TV Brussel), Dirk Denoyelle (cabaretier), Peter De Graeve (prof. Universiteit Antwerpen), Eric Defoort (em. prof. K.U.Brussel), Jo Decaluwe (acteur-regisseur), Willy Courteaux (gewezen journalist), Jan Bosmans (arts, auteur), Tinneke Beeckman (dr. filosoof VUB) en Ludo Abicht (voormalig prof. Universiteit Berkeley).

www.gravensteengroep.org

Klik hier voor de PDF-versie van het manifest.

Omhoog

4e Gravensteenmanifest (12 oktober 2008)
Wat bevat het witte blad?

Bij de start van de gesprekken 'van gemeenschap tot gemeenschap' wil de Gravensteengroep de zes Vlaamse onderhandelaars eraan herinneren dat hun 'witte blad' nu al vol staat met reactieve voorstellen - tegen meer Vlaamse autonomie.

Deze week is het startschot gegeven voor de gesprekken van gemeenschap tot gemeenschap. De bedoeling is, te komen tot een Belgische staatshervorming die enkele decennia mee moet gaan. Dàt men van taalgroep tot taalgroep gaat onderhandelen mag wellicht beschouwd worden als een verworvenheid voor de Vlaamse partijen, die daar inderdaad zelf op hebben aangedrongen. Wàt er exact op de onderhandelingstafel ligt, is minder duidelijk. Men spreekt over 'het witte blad'. Het wordt omschreven als de 'afwezigheid van taboes' - en welk ruimdenkend politicus wil nu de taboes niet doen 'sneuvelen'? Sommigen spreken over een 'open agenda', waarin 'alles bespreekbaar' hoort te zijn. Tijdens de onderhandelingen moeten 'nieuwe evenwichten' worden gezocht. In de taal der Koninklijke Bemiddelaars heet dat 'het uitbalanceren van het institutionele'. Wat betekent dit?

Om te zien wat er in feite in de schalen van deze institutionele balans ligt, moeten we even terug in de tijd, naar eind 2007. Toen werd duidelijk dat de Franstalige obstructie eindeloos door zou gaan. Niet alleen door Vlaamse opiniemakers, maar ook door meer institutioneel behoudsgezinde politici in de beleidspartijen, werden 'evenwichtige' voorstellen geformuleerd. Welnu, wat toen in de schaal lag, ligt er vandaag nog in. Daarover heeft het verslag der Bemiddelaars, in hoe vage bewoordingen het ook is gesteld, geen enkele twijfel opengelaten. Achter het witte blad schuilt een programma. De Gravensteengroep vreest dat het wit wordt ingekleurd op een manier die tegen de geest van de Vlaamse resoluties ingaat. Meer nog, ze maakt het juist onmogelijk die ooit nog te realiseren.
Aan Vlaamse kant staat een sterk aangelengde versie van de Vlaamse resoluties, met als zwaartepunten regionale arbeidswetgeving, gedeeltelijke fiscale autonomie, gedeeltelijke regionalisering van de sociale zekerheid. Vele betrokkenen willen zelfs van deze aangelengde versie niets horen; anderen schrijven voor dat Vlaanderen daarin vooral compromisbereid moet zijn; en allen zijn het erover eens dat als er ooit al iets van deze resoluties wordt overeengekomen en gestemd, de uitvoering ervan - uit respect voor de overzijde - dan zeer geleidelijk zal moeten gebeuren.
Aan de andere (Franstalige? Belgische?) kant staan vooral institutioneel reactieve voorstellen, gericht tegen de Vlaamse aanzetten tot soevereiniteit. In tegenstelling tot de Vlaamse verzuchtingen moeten die voorstellen onmiddellijk hun beslag krijgen, nog vooraleer de geleidelijk in te voeren, door Vlaanderen gevraagde staatshervorming een aanvang kan nemen. De Franstalige eisen worden inderdaad gevraagd als geruststellende gestes vooraf. In werkelijkheid gaat het om nieuwe en extra vergrendelingen van de Vlaamse meerderheid.

Welke van die voorstellen maken een reële kans om in een open gesprek van gemeenschap tot gemeenschap het witte blad in te vullen? We vermelden slechts die voorstellen die ondertussen een ruime pers hebben gekregen.

1. De herfederalisering van bepaalde bevoegdheden. Daarbij vermeldt men dan meestal de problemen met de geluidsnormen en de betwistbare blokkering van oplossingen door een geografisch klein gewest, namelijk Brussel. Dit 'federatieversterkende' voorstel behoort tot de meest onschuldige van het rijtje. Maar er staan (naast het dreigende terugschroeven van de Lambertmontakkoorden inzake ontwikkelingssamenwerking) ook minder onschuldige onderwerpen op de plank, voornamelijk wat betreft herfederalisering van sommige geneeskundige materies waar de Franstaligen zich door de regionale autonomie juist benadeeld voelen. Een voorbeeld is het ondertussen geregionaliseerde preventiebeleid. Maar we denken ook aan de inbreuken op reeds verworven autonomie, zoals de schoolpremie: een inbreuk die door de federale overheid getolereerd wordt.

2. Een paritaire senaat. Wordt voorgestaan door de liberale partijen in Zuid en Noord. Wat in federale staten met twaalf of twintig of vijftig entiteiten een corrigerende institutie betekent, zou in onze tweeledige staat alleen neerkomen op een grendel en een minorisering te meer.  In een senaat waarin evenveel Franstaligen als Vlamingen zetelen wordt de Vlaamse bevolking structureel ondervertegenwoordigd. Paritaire regeringen zijn eventueel democratisch nog verdedigbaar, paritaire volksvertegenwoordigingen zeker niet.

3. Een partieel 'federale' kieskring, waarbij gedeeltelijk van de huidige kiesomschrijvingen zou worden afgeweken. Als een verdediging en zelfs versterking van het Belgische status-quo (sommigen spreken zelfs van een veralgemening van het systeem Brussel-Halle-Vilvoorde) past dit academische voorstel perfect in onderhavige lijst. Het legt niet alleen de uitslag van deze federale verkiezingen (uitgedrukt in parlementszetels) op voorhand vast, maar doet dit dan nog eens mathematisch ten nadele van de Vlamingen (zelfs getoetst aan het Belgische systeem Dhondt). Zulke verkiezingen zouden dus noch federaal, noch democratisch, noch fair zijn. Toch blijft het de kop opsteken, al was het maar omdat sommige politici het als pasmunt achter de hand houden.

4. Het laten samenvallen van de federale ('Belgische') en regionale ('Vlaamse' en 'Waalse') verkiezingen. Dit voorstel is in strijd met de federale logica. Daarenboven suggereert het dat verkiezingen een last zijn voor politici en kiezers. Dat reeds verkozen politici de neiging vertonen om verkiezingen zo lang als het kan te vermijden is begrijpelijk. Dat ze de kiezer proberen te misleiden door te beweren dat het afgesproken aantal verkiezingen ook voor haar of hem te veel is grenst aan een zeker populisme. Het voorstel druist daarenboven in tegen de autonomie die de deelstaten tijdens de vorige staatshervormingen hebben verworven.

5. De uitbreiding van Brussel, niet alleen met de faciliteitengemeenten, maar met de brede Vlaamse Rand en - in sommige voorstellen - zelfs met heel Vlaams Brabant (soms onder het mom van een 'stadsgewest'). Dit Franstalige voorstel, dat alle Francofone partijen tot het hunne hebben gemaakt, duikt telkens weer op. Het gaat uit van twee vormen van oogverblinding. Ten eerste concludeert men probleemloos van personenrechten tot territoriale rechten. Franstaligen in België gaan ervan uit dat ze zomaar kunnen overschakelen van personenrechten naar territorialiteitsaanspraken, dat rechten van de persoon ertoe mogen of moeten leiden om grondgebied van de ene naar de andere deelstaat over te hevelen. De tweede valstrik bestaat erin, dat men verwarring zaait tussen economische en taalcriteria. Wat men op taalvlak vanuit de Vlaamse Rand bij Brussel zou willen aanhechten, blijkt dan toevallig ook juist de Brusselse economische ruimte te versterken.

6. De niet-splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, zelfs indien die toestand een ongelijkheid tussen kiezers met zich meebrengt, die door het Grondwettelijk Hof als strijdig met de grondwet is verklaard. Wat hierin vooral stoort is dat men de afwezigheid van wederkerigheid in de staat België tot norm wil verheffen. Kandidaten uit Aarlen kunnen zich verkiesbaar stellen tot in Zemst, ten zuiden van Mechelen; omgekeerd mogen kandidaten uit Oostende of Hasselt niet eens in een Waalse gemeente met Vlaamse faciliteiten opkomen (bv Flobecq).

Al die voorstellen staan vanzelf al op het witte blad. Maar ze zijn allesbehalve onschuldig. Door het witte blad te aanvaarden, hebben de Vlaamse gesprekspartners in de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap, zonder dat met zoveel woorden aan de kiezers duidelijk te maken, deze federatieversterkende voorstellen bespreekbaar gemaakt. Jammer genoeg staat er weinig tegenover. De maatregelen zullen als gevolg hebben dat het voor de deelstaat Vlaanderen definitief onmogelijk wordt om zelfs maar de optie naar meer autonomie of soevereiniteit in overweging te nemen.

De zes genoemde voorstellen komen bovenop de reeds bestaande toepassing van de grendelgrondwet, met zijn pariteit in de federale regering, zijn bijzondere meerderheden en zijn alarmbellen. Vier ervan hebben tot doel het versterken van de geografische 'centre du pays', dat zelf het voortbestaan van de staat België moet garanderen. In strijd met de grondwet maken ze de grenzen van Vlaanderen opnieuw verplaatsbaar. In de praktijk betekent dit dat Vlaanderen opnieuw een onomschreven gebied wordt. Ook al heeft men de hoop opgegeven om heel Vlaanderen te verfransen, de bedoeling blijft om er het Vlaams-Brabantse stuk uit te snijden, zodat het Belgische feit onontkoombaar wordt.

Herfederalisering, paritaire senaat, federale kieskring, samenvallen van verkiezingen, uitbreiding van Brussel en behoud van het illegale kiesarrondissement BHV zijn even zoveel pogingen om de unitaire reconstructie van de Belgische staat onomkeerbaar te maken. Een brede democratische stroming in Vlaanderen wil precies de mogelijkheid tot omkeerbaarheid openhouden. Elke poging om een verdere staatshervorming naar meer autonomie onmogelijk te maken zal worden ervaren als ontoelaatbare dwang, onderhandeld zonder mandaat, vanaf het witte blad. De recente geschiedenis leert dat dit soort betonnering slechts tot verdere radicalisering leidt.

Namens de Gravensteengroep,

Etienne Vermeersch (ere-vice-rector Universiteit Gent), Jan Verheyen (regisseur), Frans-Jos Verdoodt (em. prof. Utrecht, prof. Universiteit Antwerpen), Tuur Van Wallendael (gewezen journalist, sp.a), Piet van Eeckhaut (gewezen voorzitter provincieraad Oost-Vlaanderen, sp.a), Jan Van Duppen (gewezen gemeenschapssenator en huisarts), Luc Van Doorslaer (docent Lessius, K.U.Leuven, journalist), Jef Turf, (oud-vice-voorzitter KP), Johan Swinnen (prof. VUB, Hogeschool Antwerpen, Sorbonne), Hugo Stevens (historicus), Brigitte Raskin (schrijfster), Jean-Pierre Rondas (producer Klara), Yves Panneels (communicatiedeskundige), Chris Michel (journalist), Bart Maddens (prof. K.U.Leuven), Karel Gacoms (ABVV-militant), Paul Ghijsels (voormalig journalist en ambtenaar), Peter Hoogland (bedrijfsleider), Pierre Darge (journalist), Paul De Ridder (dr. historicus, medewerker TV Brussel), Dirk Denoyelle (cabaretier), Peter De Graeve (prof. Universiteit Antwerpen), Eric Defoort (em. prof. K.U.Brussel), Jo Decaluwe (acteur-regisseur), Willy Courteaux (gewezen journalist), Jan Bosmans (arts, auteur), Tinneke Beeckman (dr. filosoof VUB) en Ludo Abicht (voormalig prof. Universiteit Berkeley).

De Gravensteengroep ontleende zijn naam aan de plaats waar de leden voor het eerst bijeenkwamen en waar het manifest werd opgesteld, nl. in de schaduw van het Gentse Gravensteen.

Klik hier voor de PDF-versie van het manifest.


 

 

Het vijfde Gravensteenmanifest (22 februari 2010)

Driemaal links is ook rechts

Politiek links in Vlaanderen smelt weg. Klopt het hart van de Vlamingen inderdaad rechts, zoals de recente publicatie, 'Rechts Vlaanderen' van Henk de Smaele, beweert? Of is het eerder zo dat de kiezers zich niet meer herkennen in wat 'linkse partijen' hen te bieden hebben? De GRAVENSTEENGROEP neigt naar het tweede antwoord

Solidariteit in België lijkt steeds meer op liefdadigheid. Belga
©DIRK WAEM

Politiek links in Vlaanderen smelt weg. Klopt het hart van de Vlamingen inderdaad rechts, zoals de recente publicatie, Rechts Vlaanderen van Henk de Smaele, beweert? Of is het eerder zo dat de kiezers zich niet meer herkennen in wat 'linkse partijen' hen te bieden hebben? De Gravensteengroep, bestaande uit leden met verschillende politieke en ideologische achtergronden, neigt naar het tweede antwoord.

Ten eerste stelt links geen structurele hervormingen meer voor, maar beperkt het zich tot een sociaal beleid. Links voert geen economische strijd meer. Ten tweede kiest links na de sterke opkomst van rechts in Vlaanderen voor de moraliserende reactie. Het morele oordeel vervangt analyse en onderzoek. Links hypothekeert hiermee zelf de mogelijkheid tot efficiënte politieke acties. Ten derde: ter compensatie van zijn slinkende kracht in Vlaanderen, teert links op de macht van de linkse partijen in Franstalig België.
Precies de weerstand van de Franstalige partijen tegen een democratische staatshervorming verhindert echter de efficiënte organisatie van een sociaal beleid. Dit beleid omvat de belangrijkste hefbomen voor een herverdeling van de welvaart, zoals fiscaliteit, sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid. 'Solidariteit' in België lijkt steeds meer op liefdadigheid, omdat de federale overheid geld verdeelt zonder structurele aansporing tot economische aanpassingen of tot politieke verantwoordelijkheid (onder meer door de Bijzondere Financieringswet 1989). Vlaams links biedt geen verzet, want het denkt in termen van de Belgische machtsstructuren. Zo gaat het echter voorbij aan de culturele en sociale strijd van zijn eigen verleden. De Rode Leeuwen zijn tricolore muizen geworden.

De linkse leegte

Linkse politici hebben de opmars van de (neo)-liberale politiek niet tegengehouden, integendeel: sinds het einde van de jaren 1980 hebben ze mee overheidsbedrijven geprivatiseerd, de pensioenen naar de beurs verplaatst, regelgeving en controle op de financiële markten afgebouwd (Schröder in Duitsland, Jospin in Frankrijk, het duo Blair-Brown in Groot-Brittannië, Clinton in de VS). In België tolereert links een onrechtvaardige fiscale politiek.

In deze context vormt 'solidariteit' niet langer de inzet voor een politiek-economische strijd ter verdediging van de zwakkeren. Die solidariteit garandeert zelfs geen billijke herverdeling meer. Links legitimeert de eigen inertie door te stellen dat het (neo)-liberalisme de enig overblijvende ideologie is waartegen het, ook op Europees vlak, bitter weinig vermag. Het bewijst lippendienst aan een slecht omschreven 'solidariteit', maar staat sprakeloos tegenover het onbeperkte streven naar winstmaximalisatie.
Het potentiële linkse electoraat haakt af, omdat deze voorgestelde 'solidariteit' hoofdzakelijk inspanningen vraagt van de traditioneel belangrijkste component van dat electoraat, namelijk de werkende bevolking. Opdat zij zonder morren zou bijdragen aan banken in crisis, aan schatkisten zonder bodem, en aan nieuwkomers in nood.
Links spitst zich intussen toe op het sociaal beleid. Daardoor verschuift zijn doelpubliek van de werknemers naar de sociaal hulpbehoevenden. Als deze laatste groep vandaag een linkse stem uitbrengt, dan doet ze dat om iets te behouden, niet om iets te veranderen. Tegenwoordig is er dan ook geen strijdend electoraat meer dat zich in een politieke partij verenigt. Er zijn slechts politieke partijen op zoek naar een electoraat.

Elke linkse beweging heeft een verankering in de bevolking nodig. Maar een eigen volksbeweging klinkt wel meteen verdacht voor links in Vlaanderen. Links houdt dan ook weinig rekening met de verzuchtingen van zijn traditionele electoraat uit angst voor de associatie met rechtse partijen. Met het kiezersvolk dat naar populistische partijen overloopt wil dit links niets te maken hebben. Wie van links identificeert zich immers nog met de arbeidsklasse? Niemand die in politieke zin macht heeft. Maar links denkt wel te kunnen overleven dankzij België... Zo draait de spiraal neerwaarts. Het klassieke electoraat van links kiest nu voor rechts. Wie overblijft op links kijkt naar België voor steun. België, schijnbaar de enige garantie dat rechts niet het hele politieke spectrum overneemt.

In werkelijkheid is het precies de Belgische constructie die haaks staat op een progressief project. Ondertussen lijkt Vlaams links enkel nog betekenisvol voor wie meegaat in de illusie dat België een soort non-identiteit biedt waarbinnen een louter sentimenteel voorgestelde 'solidariteit' mogelijk is. De rechtse partijen in Vlaanderen worden groter, want met zijn elitaire opstelling heeft dit links zichzelf de pas afgesneden om een volwaardige beweging te kunnen worden.
De linkse politieke actie wordt dan vervangen door het morele (voor)oordeel. Zo'n houding laat niet langer toe dat er nog kritische vragen worden gesteld bij de organisatie van de (federale) staat. Zelfs niet als die staat minder democratisch wordt en de ontwikkeling van de solidariteit steeds meer beperkt.

Vragen bij de Belgische organisatie van de "solidariteit"

Solidariteit op lange termijn verzekeren veronderstelt ingrijpende veranderingen aan de huidige status quo. Een systeem wordt pas solidair, geloofwaardig en aanvaardbaar wanneer het efficiënt, doorzichtig en met politieke verantwoordelijkheid wordt georganiseerd, wanneer het dus anders verloopt dan in België het geval is. Dit veronderstelt een duidelijke reorganisatie van de solidariteit tussen regio's, zonder de federale overheid als mistgordijn.
Geeft men met deze positie toe aan rechts in Vlaanderen? Neen, want een staatshervorming dient niet om de solidariteit af te schaffen, maar om haar mogelijk te maken als iets dat de liefdadigheid overstijgt. Een open pleidooi voor meer autonomie zou de linkse partijen in Vlaanderen juist kunnen versterken.
Zal een hervorming van de solidariteit de verarming van de bevolking in het zuiden van het land met zich meebrengen? Niet noodzakelijk. De duidelijkste verliezer van een structurele hervorming is de huidige Franstalige politieke elite, die aan invloed verliest naarmate ze verantwoordelijk wordt gesteld voor het door haar gevoerde beleid. Hoe kan dat een slechte zaak zijn voor de gewone burger?

De Belgische natiestaat verliest in elk geval op twee niveaus aan belang. Het politieke zwaartepunt verschuift naar de regio's en de economische markt kent steeds meer een Europese of zelfs globale integratie. Links heeft er dus alle belang bij de organisatie van deze veranderingen goed te begeleiden en op de evolutie te anticiperen. Indien links elk streven naar een staatshervorming, ook uit progressieve hoek, probeert te herleiden tot een voorbijgestreefd en 'egoïstisch' romantisch nationalisme, vervreemdt het verder van zijn bestaande en potentiële kiezersvolk, dat zich terecht vragen stelt bij de Belgische constructie. Belgisch links slaagt er niet in om het sociale en fiscale beleid transparant, efficiënt en met politieke verantwoordelijkheid te organiseren. Ondertussen strijdt links evenmin tegen het systeem dat de economische crisis veroorzaakte. De 'solidariteit' wordt gegijzeld door het partijpolitieke machtsspel. Ze leidt niet tot gelijkwaardigheid. Vlaams links implodeert dan ook door zijn voorkeur voor de oude Belgische machtsstructuren. Wie zich in Vlaanderen links voelt, blijft verweesd achter.

Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Brigitte Raskin, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerster voor deze tekst: T. Beeckman 0495/46.95.14

Klik hier voor de PDF-versie van het manifest.

http://www.gravensteengroep.org/

ETIENNE VERMEERSCH Wie? Emeritus hoogleraar moraalfilosofie (UGent). Hij schreef deze tekst samen met de andere leden van de Gravensteengroep.
Wat? Links lijkt enkel nog betekenisvol voor wie meegaat in de Belgische non-identiteit.
Waarom?
Solidariteit lijkt in België steeds meer op liefdadigheid.

 
 
Zesde Gravensteenmanifest 17 mei 2010-

Voor geloofwaardigheid, tegen de “Belgische” tussentaal.
On-taal vergiftigt de democratie.
 

De gebeurtenissen van de afgelopen maand hebben ondubbelzinnig aangetoond dat verder aanmodderen met het beleid binnen het bestaande institutionele Belgisch kader niet langer kan. Dit hoeft niet te verwonderen, aangezien de beleidsmakers nog altijd vertrekken van de eenheid van de staat België. De realiteit is echter dat die eenheid niet bestaat. Er zijn in wezen twee gemeenschappen, met elk hun eigen kenmerken, opvattingen en cultuur. Er bestaat geen gemeenschappelijke “Belgische” cultuur, als gemiddelde tussen beide gemeenschapsculturen. Het resultaat is dat beleidskeuzen altijd onaangepast zijn aan de realiteit van de gemeenschappen.

De BHV-problematiek heeft dit ten overvloede aangetoond. Vlaanderen huldigt de territorialiteitsopvatting. De Franstaligen, met de Franstalige Brusselse partijen als voortrekkers, aanvaarden dit niet en stellen daar het personenrecht, met onbeperkte individuele rechten tegenover. Niet in Wallonië wel te verstaan, want daar heerst onverkort eveneens het territorialiteitsprincipe. Het is slechts in Vlaanderen dat de Franstalige politici het personenrecht hanteren, met de bedoeling om er na verloop van tijd een grenscorrectie mee te realiseren. Dit personenrecht heeft in het verleden steeds tot territoriale aanspraken geleid. Door (rijke of arme, autochtone of allochtone) Franssprekenden in de Vlaamse Rand rond Brussel uitzicht te geven op territoriale rechten, hopen Franstalige politici stukje voor stukje gebied los te wrikken uit Vlaams-Brabant.

Zolang de Vlaamse politici dit spel op “Belgische” manier willen meespelen, zullen ze zich uit eerlijke schaamte genoopt zien om de zaken anders voor te stellen dan ze zijn. Hun woordenschat past zich dan aan deze manipulerende “spin” aan. Deze inflatoire politieke spraak leidt naar een regelrechte desinformatie van het eigen kiespubliek. De Gravensteengroep vindt dit niet meer geloofwaardig.

Is het nog geloofwaardig te beweren dat men de democratische besluitvorming aanhangt, als de meerderheid in alle politieke doorsnedes mag spelen, behalve op het communautaire kruispunt? In de federale regering wordt de Vlaamse meerderheid immers niet weerspiegeld; in het federale parlement wordt ze met grendels en alarmbellen buitenspel gezet. Academisch ogende maar vaak onwaarschijnlijke redeneringen over consensusdemocratie worden opgezet om deze neutralisering van de meerderheidsregel te rechtvaardigen.

Is het nog geloofwaardig te beweren dat de federale regering op haar verschillende “werven” dan toch zoveel vooruitgang had geboekt? Of is het veeleer zo dat ook in de schoot van deze regering de wederzijdse blokkades tot een bijna absolute stilstand en een ondertussen voor België typisch non-governo hebben geleid? En dat, waar de regering de indruk gaf in consensus te regeren, dit bijvoorbeeld in het asielbeleid een mensonterende chaos heeft veroorzaakt?

Is het, terugkijkend op de voorbije drie jaar, nog geloofwaardig te verzekeren dat in dit bestel bemiddelaars bemiddelen, onderhandelaars onderhandelen, informateurs zich informeren en opdrachthouders dragers van opdrachten zijn? Of ging het toch telkens om weer een paar maanden uitstel te bekomen?

Is het nog geloofwaardig wanneer de ghostwriters van de koninklijke toespraken ons elk jaar weer voorspiegelen dat deze staat kracht put uit de dialoog en uit de “ontmoeting” van twee volkeren?

Is het nog geloofwaardig te blijven stellen dat de overdaad aan procedures zoals de belangenconflicten, alarmbellen en evocaties in de senaat, middelen zijn om conflicten op te lossen? Dat (zoals de wet het vraagt) de politici van de zo verworven bezinningstijd gebruik zouden hebben gemaakt om ondertussen tot een vergelijk te komen?

Is het trouwens nog geloofwaardig Vlaanderen er voortdurend op te wijzen dat het “zonder onderhandelingen niet zal gaan”, terwijl “verantwoordelijke” Vlaamse politici tot het uiterste zijn gegaan in zulke onderhandelingen, met soms met zware gevolgen, niet alleen voor hun partij, maar ook voor hun persoon? Juist in deze drie jaar durende slijtageslag zaten tenminste aan Vlaamse kant geen “extremistische” partijen mee aan tafel…

Is het nog geloofwaardig te stellen dat aandacht voor het “kleine probleem” van de kieskring BHV een belemmering vormt voor de strijd tegen werkloosheid en sociale achteruitgang? Of is het veeleer zo dat juist de oplossing van die communautaire problemen kan bijdragen tot een betere afstemming van het beleid op de noden van de gemeenschappen?

Is het ten slotte geloofwaardig te blijven suggereren dat met hun territorialiteitsbeginsel de Vlamingen rechts en ondemocratisch zijn, en dat de Franstalige expansionisten daarentegen de multiculturele democratie en de mensenrechten zelf belichamen? Vooral de mantra dat het niet kan dat de Vlaamse gemeenschap “eenzijdig haar wil oplegt” aan de Franstalige gemeenschap begint na een decennium ietwat hol te klinken. Als een Vlaams wetsvoorstel niet eens geagendeerd geraakt, dan is misschien het omgekeerde het geval.

Al deze halve en hele onwaarheden vergiftigen het politieke spreken. Woorden die niet meer slaan waarop ze geacht worden te slaan vormen stilaan een vervuiling van het democratische taalgebruik. De nevelige concepten van de zogenaamde consensusdemocratie kunnen nu eenmaal slechts in wolkige bewoordingen worden uitgedrukt; maar beide worden ook bewust ingezet om afdoende oplossingen tegen te gaan. Deze Belgische wantaal wil kost wat kost maskeren dat het Belgische bestel op antagonismen is gebouwd die nu eenmaal niet met wat goede wil te “verzoenen” zijn. De politiek zal er de komende jaren dan ook helemaal anders moeten mee omgaan: niet door de tegenstellingen te verdoezelen, maar door ze te benoemen en te erkennen.

De inzet van de politiek die de Gravensteengroep voorstaat is nochtans klaar en duidelijk: 1. de eerbiediging van de culturele en politieke eigenheid van de Vlaamse Gemeenschap; 2. een wettelijk afgebakend Vlaams territorium zoals van eender welk ander land in de wereld; en 3. als middel daartoe, een staatshervorming die de structuren van deze staat confederaal maakt. Dit is een helder democratisch perspectief. Blijft men het negeren, dan zal op termijn niet alleen BHV, maar de hele staat gesplitst worden.

Klik hier voor de pdf-versie van dit manifest


De Gravensteengroep
Woordvoerders voor deze tekst zijn Jef Turf, Jean-Pierre Rondas en Ludo Abicht


Voor de volledige lijst met ondertekenaars zie www.gravensteengroep.org
Etienne Vermeersch (ere-vice-rector Universiteit Gent)
Jan Verheyen (regisseur)
Frans-Jos Verdoodt (em. prof. Utrecht, prof. Universiteit Antwerpen)
Piet van Eeckhaut (gewezen voorzitter provincieraad Oost-Vlaanderen, sp.a)
Jan Van Duppen (gewezen gemeenschapssenator en huisarts)
Luc Van Doorslaer (docent Lessius, K.U.Leuven, journalist)
Jef Turf, (oud-vice-voorzitter KP)
Johan Swinnen (prof. VUB, Hogeschool Antwerpen, Sorbonne)
Hugo Stevens (historicus)
Jean-Pierre Rondas (producer Klara)
Brigitte Raskin (schrijfster)
Yves Panneels (communicatieadviseur)
Bart Maddens (prof. K.U.Leuven)
Karel Gacoms (ABVV-militant)
Paul Ghijsels (voormalig journalist en ambtenaar)
Pierre Darge (journalist)
Paul De Ridder (dr. historicus, medewerker TV Brussel)
Dirk Denoyelle (cabaretier)
Peter De Graeve (prof. Universiteit Antwerpen)
Eric Defoort (em. prof. K.U.Brussel)
Jo Decaluwe (acteur-regisseur)
Willy Courteaux (gewezen journalist)
Jan Bosmans (arts, auteur)
Tinneke Beeckman (dr. filosoof VUB)
Ludo Abicht (voormalig prof. Universiteit Berkeley)

 
 

Het zevende Gravensteemmanifest (11 maart 2011)

Ontgrendel de democratie

De Gravensteengroep vraagt alle partijen, ook de Franstalige, drie principes te erkennen.
 De regeringsonderhandelingen kunnen alleen tot resultaat leiden als alle partijen het eens zijn over drie onderhandelingsprincipes  

De Vlamingen, en meer bepaald twee Vlaamse partijen, krijgen vandaag de zwartepiet toegeschoven als vermeende verantwoordelijken voor het vastlopen van de preformatie. Het is echter de vraag of een eerbaar compromis wel haalbaar is als één gemeenschap telkens weer haar eigen bescherming afdwingt ten koste van de wettelijkheid, van de democratie, of van de territoriale en culturele integriteit van de andere gemeenschap.

De parlementaire democratie in België is immers al verlamd sinds de verkiezingen van 2007. Mechanismen, bedoeld om de Franstalige gemeenschap grondwettelijke bescherming te bieden, hebben er mede toe geleid dat de wil van de democratische meerderheid in dit land permanent wordt afgeblokt. De duur van de regeringsonderhandelingen alleen al wijst precies daarop.

Ironisch genoeg wordt deze voortdurende institutionele blokkering verantwoord met het argument dat ze de solidariteit redt en de consensus beschermt, terwijl het enige effect is dat alles bij het oude blijft. Het Belgische consensusmodel verbergt vandaag een diepgeworteld conservatisme. Op die manier verbrokkelt het politieke draagvlak van de Belgische samenleving zienderogen. Daardoor wordt ook de basis voor de solidariteit op federaal vlak onderuit gehaald.

De Gravensteengroep stelt drie onderhandelingsprincipes voor. Deze principes vormen de grondslag van de resoluties van het Vlaams Parlement, en van het programma en de recentere Octopusnota van de Vlaamse regering. Volgens de groep vormen ze ook de noodzakelijke voorwaarden voor een democratische toekomst voor België. De Gravensteengroep roept alle Belgische democratische partijen, dus ook de Franstalige, op om deze principes te onderschrijven.

Het eerste principe is dat van de territorialiteit, die eens en voorgoed erkend moet worden als het unieke politieke fundament van deze staat, zoals dat ook het geval is in de Zwitserse federatie.

Daaruit volgt onmiddellijk het principe van de niet-inmenging. Vlaamse onderhandelaars stellen geen enkele eis ten voordele van Vlamingen die zich in Wallonië vestigen of gevestigd hebben. Franstalige onderhandelaars stellen geen enkele eis ten voordele van de Franstaligen die zich in Vlaanderen vestigen of gevestigd hebben. Deze twee uitspraken vormen samen een perfect egalitair en rechtvaardig geheel. Niemand doet hier een "toegeving".

Om de Vlaamse gevoeligheid duidelijker te illustreren moeten we onze Franstalige landgenoten wijzen op de 'Loi 101' van Québec. Vervang in die wettekst de woorden 'Québécois' door 'Vlaming' en 'langue française' door 'Nederlands', en men leest als vertaling: "Het Vlaams Parlement erkent het verlangen van de Vlamingen om de kwaliteit en de uitstraling van het Nederlands te beschermen. Het is daarom vastbesloten om de positie van het Nederlands als officiële taal en als gerechtstaal van Vlaanderen te verzekeren. Bovendien moet het Nederlands de gebruikelijke taal zijn van de werkplek, het onderwijs, de communicatie, de handel en de ondernemingswereld."

Dus ook de werkplek in Halle en Dilbeek, ook de sociale woning in Vilvoorde, ook de handel in Liedekerke of Overijse, ook de industrie in Diegem en Zaventem. Meer algemeen wil dit zeggen dat de Gravensteengroep het expansionistisch nationalisme van de Franstaligen veroordeelt.

Het derde principe, het gelijkheidsbeginsel, moet onverkort op de Brusselse situatie worden toegepast. Welke positie Brussel in een toekomstige Belgische 'confederatie' of 'unie' ook wordt toegekend, ze moet in ieder geval berusten op de ondubbelzinnige en actieve invulling van het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent dat Brussel als hoofdstad van Europa, als stadsgewest in België en als ankerpunt van de Vlaamse en Waalse economie een duidelijk en in de dagelijkse praktijk herkenbaar tweetalig statuut behoudt. Dat betekent verder dat zowel de Nederlandse als de Franse cultuur er actief gesteund moeten worden. Dat betekent ten slotte dat cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en andere persoonsgebonden aspecten van het maatschappelijke leven geen exclusieve Brusselse bevoegdheden kunnen zijn. Als Brussel de hoofdstad van de Belgische staat wil zijn, moet het zich schikken naar de democratische en solidaire principes van een Belgische confederatie of unie. Zo niet, dan is er sprake van Brussels separatisme.

De Gravensteengroep vraagt aan alle partijen in België, boven of onder de taalgrens, dat ze bekend zouden maken of ze deze drie principes van democratisch overleg steunen. Daarenboven doet de groep een meer specifieke oproep tot het Vlaams Parlement. De groep ziet namelijk een noodzakelijk verband tussen deze onderhandelingsprincipes en de boven vermelde institutionele blokkeringsmechanismen, die zijn vastgelegd in de Belgische Grondwet.

Er is tot nog toe geen enkele ernstige aanwijzing voor de (Franstalige) angst dat de Vlaamse meerderheid haar macht zou gebruiken voor andere dan democratische doeleinden. Andersom heeft de Franstalige minderheid nog geen enkel hoopgevend teken gegeven van haar bereidheid om haar grondwettelijke blokkeringsmacht voor andere dan oneigenlijke doeleinden aan te wenden.

Indien nu zou blijken dat de Franstalige partijen de drie democratische onderhandelingsprincipes niet kunnen of willen onderschrijven, meent de Gravensteengroep dat de Vlaamse Parlementsleden de institutionele blokkeringsmechanismen, besloten in de Belgische grondwet, eenzijdig moeten opzeggen als signaal dat ze het herstel van de parlementaire democratie in België ernstig nemen.

De Gravensteengroep (in omgekeerde alfabetische volgorde): Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Jean-Pierre Rondas, Brigitte Raskin, Yves Panneels, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerders voor deze tekst zijn Etienne Vermeersch, Frans-Jos Verdoodt, Jean-Pierre Rondas (0477-65 65 12), Karel Gacoms, Jan Bosmans en Ludo Abicht.

Klik hier voor de PDF-versie van het zevende manifest.

http://www.gravensteengroep.org/manifest7.php

 

Principes of willekeur?...
De Vooruitgroep verwerpt twee van de drie Gravensteenprincipes (15 maart 2011)

De Gravensteengroep deed weer een opmerkelijke bijdrage tot het debat. Drie onderhandelingsprincipes zouden aan de basis moeten liggen van elk communautair overleg. Alle partijen worden opgeroepen ze te onderschrijven. Het eerste principe is het territorialiteitsbeginsel, dat wil zeggen dat de overheden zeggenschap hebben over alle personen op een gebied. Het tweede is dat van niet-inmenging of van een volledige soevereiniteit over dat gebied. Het derde “principe” is dat van de Brusselse uitzondering want hier geldt dan weer het territorialiteitsbeginsel niet en mag de inmenging van buitenuit weer wel. “Als Brussel de hoofdstad van de Belgische staat wil zijn, moet het zich schikken naar de democratische en solidaire principes van een Belgische confederatie of unie. Zoniet is er sprake van Brussels separatisme”. Indien die principes niet onverkort worden onderschreven – wat een zeer waarschijnlijke verwachting is – dan moeten de Vlaamse Parlementsleden eenzijdig de Belgische grondwet inzake de bescherming van de minderheden opzeggen en hun meerderheid van getal laten spelen. Wat een uitnodiging tot discussie over democratische principes moet zijn wordt zo een dictaat, onmiddellijk vergezeld van een sanctie indien men van een andere mening is. Eigenaardige verdediging van de democratie.

Lees de hele tekst: klik hier

 

Pas en notre nom ! - visie van 8 Franstalige Brusselaars (25 februari 2011)

'Niet in onze naam' op zijn Frans
Ze geven hun coherentie visie voor de toekomst van Brussel. Ze keren zich tegen 'kortzichtige Franstalige politici', maar niet tegen het Vlaams-nationalisme
.

Op 21 januari kwamen talrijke Vlaamse kunstenaars samen in de KVS, de Vlaamse schouwburg in Brussel, om zich af te zetten tegen bekrompen nationalisme en om uit te roepen dat mensen die dat promoten niet in hun naam spreken. We brengen hulde aan dat initiatief, want het ontkracht op spectaculaire wijze het homogene beeld en de karikatuur die zowel in Franstalig België als in het buitenland leven over 'Vlamingen'. We brengen meer in het algemeen ook hulde aan een instelling zoals de KVS, die de laatste jaren veel moeite doet om de Vlaamse cultuur geliefd te maken bij niet-Nederlandstaligen en die het Brusselse culturele leven aanzienlijk verrijkt.

Dezer dagen wordt de KVS op de korrel in het Vlaams Parelment voor het moedige initiatief dat ze genomen heeft. Voor ons, Franstalig Brusselse ondertekenaars van deze tekst, is het moment gekomen om blijk te geven van solidariteit, door op onze beurt te zeggen: 'Niet in onze naam!' Maar let wel: die uitroep is niet gericht tegen het Vlaams-nationalisme. Dat zou te banaal en te gemakkelijk zijn. Hij is gericht tegen het communautarisme van een deel van de Franstalige politiek. Hun verkrampte immobilisme, hun kortzichtigheid, hun weigereing of onvermogen om onze toekomst in de diepte te herzien, heeft al te vaak het bedje gespreid voor het Vlaams-nationalisme.

Toekomst voor jonge Brusselaars

Om te beginnen weigeren we ons stadsgewest te beschouwen als voornamelijk FRanstalig grondgebied waar de minzaam getolereerde taalminderheden maar moeten assimileren. Brussel is vooral de kosmopolitische hoofdstad van de Europese Unie en een kleine wereldstad, gevoed door immigranten van verder weg. Ze zal dat altijd blijven. Of het Frans nu onze moedertaal is of niet, door ons onderwijs hebben we een nauwe band met de Franstalige cultuur en de Franse taal. Maar de Vlaamse cultuur en de Nederlandse taal zijn evengoed belangrijke onderdelen van de Brusselse identiteit, en moeten dat blijven. We vinden hoegenaamd niet dat het Nederlands in Brussel uitgeroeid moet worden. Integendeel: we vinden het van kapitaal belang voor de toekomst van jonge Brusselaars van elke origine dat ze veel begter dan de vorige generaties Nederlands leren, dat ze trots zijn het te kunnen spreken en het beschouwen als een deel van zichzelf.

Bovendien vinden we het terecht dat van mensen die zich duurzaam in Vlaanderen of in Wallonië vestigen verwacht wordt dat ze de moed en de nederigheid hebben om de officiële taal van hun gewest te leren. We begrijpen dat de splitsing van BHV hier en daar geïnterpreteerd werd als een symbolische erkenning van die legitimiteit. En we verwerpen dan ook de onverantwoorde vurigheid waarmee de Franstalige partijen zich verzetten tegen die splitsing.. Zo wekken ze enkel wrevel op bij de Vlaamse partijen, in plaats van meteen op zoek te gaan naar een redelijk compromis.

Op die basis kunnen we eindelijk wederzijds vertrouwen zien groeien, dat onontbeerlijk is om samen een minder problematische toekomst uit te tekenen voor onze stad en ons land. Het moet op dat moment vooral mogelijk zijn een einde te maken aan de meerkosten, die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van eentalige instellingen in diverse domeinen. Om onder de vleugels van het Brusssels Gewest en in nauwe samenwerking met het Vlaamse en Waalse onderwijs een meertalig onderwijs te ontwikkelen dat is aangepast aan de mozaïek van sociale en culturele achtergronden van onze leerlingen. Om in Brussel een cultureel leven te ontwikkelen dat niet gehandicapt is door de communautaire kloof, maar Vlaamse en Waalse culturele producties met open armen ontvangt. om de gewestelijke verkiezingen zo te reorganiseren dat die scheiding tussen de twee eentalige colleges wegvalt. Om zonder taboes de samensmelting van de negentien gemeenten te onderzoeken in een stadsgewest, met gelijktijdig de creatie van districten/arrondissementen (zoals in Antwerpen en Parijs) die grosso modo samenvallen met de huidige gemeenten en die bevoegdheden uitoefenen die hun vanuit het principe van de subsidiariteit toekomen. En om ongeziene mgoelijkheden te creëren voor samenwerking met de steden en gemeenten in Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, vooral op het vlak van mobiliteit en ruimtelijke ordening.

Federatie met vier

Wij geloven niet in een Franstalige natie met inbegrip van BRussel, en in een Groot-Vlaanderen dat Brussel annexeert evenmin. We geloven nog minder, dat spreekt, in een condominium van Brussel door Vlaanderen en Wallonië of door de twee gemeenschappen. Zoals Johan Van de Lanotte, Rudy Demotte en vele anderen geloven we dat je in de richting van een federatie moet evolueren, die bestaat uit vier autonome en verantwoordelijke gewesten. Elk van die gewesten moet alle gedefedereerde bevoegdheden kunnen uitoefenen. Ze zullen allemaal structureel samenwerken met de andere gewesten op vlakken waar dat nodig is. En ze kunnen rekenen op een sterke federale staat die krachtig de interpersoonlijke en intergewestelijke solidariteit garandert en overal een gemeenschappelijk wettelijk kader aandraagt waar de efficiëntie dat nodig maakt. AAn Franstalige kant wordt die stap nog te veel belemeerd door een achterhaalde nostalgie naar het unitaire België, een 'etnisch' terugplooien op een Belmgië van twee gemeenschappen en een chronische terughoudendheid tegenover elke verandering. Zo'n terughoudendheid is begrijpelijk, maar al bij al erg contraproductief.

Het is nu belangrijk dat we opnieuw aan tafel gaan zitten, in het belang van de gehele bevolking maar vooral in het belang van de meest kwetsbaren. Niet om opnieuw loopgraven op te trekken rond het FRanstalige front. Maar om tussen de gemeenschappen, in de eerste plaats in Brussel, een vertrouwensrelatie op te bouwen die onmisbaar is om met de beperkte middelen die de crisis ons veroorlooft dringende uitdagingen aan te pakken.

Waar we in Brussel nood aan hebben, is een copernicaanse revolutie in het idee dat we van onszelf hebben. We mogen 'Franstalige fronten' of 'Vlaamse fronten' niet in onze naam laten spreken, maar moeten onszelf meer respecteren in onze dierbare en eigenzinnig diversiteit. Alleen op die manier kunnen we Brussel uitbouwen tot een betere hoofdstad van Europa, tot een stad die er ook beter in slaagt de meest kwetsbare van zijn inwoners te helpen en beschermen, en tot een betere partner voor haar twee grote buren.

Jacques Borlée, Etienne de Callatay, Eric Dekeuleneer, Alain Deneef, Serge Fautré, Henri Goldman, Philippe Van Parijs, Fatima Zibouh.

De kern van de tekst: Franstaligen moeten af van hun achterhaalde nostalgie naar het unitaire België.
Door verandering te aanvaarden en zonder taboes alles bespreekbaar te houden, kan er werk worden gemaakt van de toekomst van het land én van Brussel.

Jocques Borléé is atletiektrainer, Etienne de Callaty is economist, Eric Dekeuleneer is hoogleraar aan de ULB, Alain Deneef en Serge Fautré zijn bestuurders van vennootschappen, Henri Goldman is auteur en tijdschriftdirecteur, Philippe Van Parijs is hoogleraar aan de UCL, Fatima Zibouh is doctoranda in politieke en sociale wetenschappen.

Deze visietekst is gepubliceerd in een gezaghebbende Nederlandstalige en een gezaghebbende Franstalige krant

.

 
8ste Gravensteenmanifest: Analyse van de Formateursnota van Elio di Rupo (25 augustus 2011)
 

Deel 1: achtergronden bij de analyse van de nota

  • Over de Gravensteengroep

In het voorjaar van 2008 werd in Gent de Gravensteengroep opgericht. Het was de bedoeling om met een aantal mensen die elkaar via via kenden, samen na te denken over de impasse waarin de communautaire problematiek verzeild geraakt was. Een hoofdbekommernis was, ertoe bij te dragen dat een aantal rechtmatige Vlaamse eisen niet uitsluitend in de rechtse of extreemrechtse hoek gesitueerd werden, zoals bij de meerderheid van de Franstaligen, en stilaan ook bij een aantal Vlamingen het geval was.  
De aanwezigen bevestigden hun gehechtheid aan de democratie en aan de mensenrechten. Zij stelden de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal en meer bepaald wezen ze alle vormen van racisme en xenofobie af. Op het sociaal-economische vlak namen ze afstand van het radicale neoliberalisme (type Von Hayek of Ayn Rand), ten voordele van een zinvol evenwicht tussen vrij initiatief, maatschappelijke controle en een actieve en activerende solidariteit met degenen die er behoefte aan hebben. Aan deze basisstellingen zijn de leden van de groep trouw gebleven.
Tot op heden vormt de Gravensteen groep een feitelijke vereniging, zonder voorzitter en zonder vaste woordvoerders. De manifesten kwamen tot stand na voorstellen van sneuvelteksten van de hand van de leden, waarover uiteindelijk een consensus werd bereikt. Hoewel velen onder hen zich politiek als 'links' beschouwen, zijn er anderen die zich iets meer in het 'centrum' situeren. Niemand hoeft zich daarover binnen de groep uit te spreken. Wel is men het erover eens dat geen actieve mandatarissen van een partij tot de werkende leden kunnen behoren. De standpunten worden met geen enkele politieke partij besproken of afgetoetst.
Het is van belang dit op te merken omdat momenteel de tendens bestaat om sommige Vlaamse eisen maar meteen  aan de NVA of zelfs aan Bart De Wever toe te schrijven, hoewel de meeste ervan reeds vóór diens geboorte door mensen uit alle traditionele Vlaamse partijen werden verdedigd. De opinies van de Gravensteengroep over de uiteindelijke toekomst van Vlaanderen en Brussel zijn nog niet ten volle uitgewerkt. In strijd met wat sommigen van het begin af aan beweerden, is de splitsing van België voor de Gravensteengroep geen doel op zich.  Tot driemaal toe werd in het eerste manifest herhaald: "met de Franstaligen als het kan, zonder hen als het moet". De bal ligt dus duidelijk in het andere kamp.
Vlamingen in het algemeen hebben in hun intermenselijke contacten omzeggens nooit blijk gegeven van vijandschap of zelfs negatieve houdingen tegenover Franstaligen. De meeste Vlamingen met een diploma secundair onderwijs, in het bijzonder zelfs degenen die zich 'flamingant' noemden, waren er juist trots op het Frans (zowel gesproken als geschreven) vlot te beheersen. Voor alle Vlamingen is het Frans in het onderwijs nog altijd de verplichte tweede taal. Omgekeerd is in Wallonië het Nederlands in het onderwijs nooit verplicht geweest.
Toch stellen sommigen het nu voor alsof de huidige problemen te maken hebben met haatgevoelens tussen Vlamingen en Walen en zelfs met een bekrompen, op zichzelf betrokken, mentaliteit bij de Vlamingen. Iedereen weet nochtans dat op het vlak van kennis van vreemde talen de Vlamingen doorgaans duidelijk voorliggen op de Franstalige Belgen. Aan voorbeelden van brede, internationaal-gerichte culturele belangstelling én sociale bewogenheid ontbreekt het in Vlaanderen zeker niet. 
Deze traditie van vreedzaamheid en openheid wordt thans in diverse forums en andere internetmedia - en zelfs in de pers - in gevaar gebracht door sommigen die beledigingen en uitingen van haat rondstrooien. De Gravensteengroep veroordeelt nadrukkelijk het gebruik van beledigende termen of lasterlijke uitspraken, van welke kant die ook komen. In de analyse die we hier voorleggen, is kritiek overigens nooit persoonlijk bedoeld.

  • Billijke compromissen

Wij beseffen natuurlijk dat onderhandelingen tot een compromis moeten leiden. In wat volgt proberen wij een objectieve analyse te bieden van de Nota Di Rupo, vanuit de vraag  in welke mate hier echt sprake kan zijn van een 'compromis'.
Laten we daarom eerst de vraag stellen wat een billijk compromis is. Wanneer een persoon of bedrijf A aan B een schade berokkent van 1 miljoen euro en men daarna akkoord gaat dat A een half miljoen terugbetaalt, dan is dat geen eerbaar compromis. Wanneer in Mexico de staat een gebied van 10.000 km2 van de inheemse bevolking inpalmt, en zich uiteindelijk met 5.000 km2 tevreden stelt, dan is dat geen eerbaar compromis. In beide gevallen kunnen de partijen zich wel neerleggen bij het akkoord, in de hoop hiermee een groter onheil te vermijden (denk bijvoorbeeld aan München, 30/9/1938), maar rechtvaardig is dat niet.  Opdat een fiftyfifty verdeling ook nog eens billijk zou zijn, moet men aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen in min of meer gelijke mate beantwoorden.
We zullen aantonen dat de formateursnota Di Rupo niet alleen aan die billijkheidsvoorwaarde niet voldoet, maar dat ze zelfs de fiftyfifty op verre na niet bereikt.
In deze analyse komen vooral de problemen inzake Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) en Brussel aan bod, tegen de algemene achtergrond van de taal- en institutionele problematiek. Om de sociaal-economische voorstellen in de nota even nauwgezet te analyseren en te becijferen beschikt de Gravensteengroep nog niet over voldoende onderzoeksgegevens.
Het ontstellendste bij de eerste lectuur van deze nota bestaat erin dat de vertegenwoordigers van de betrokken partijen er na 430 dagen onderhandelen blijkbaar niet in geslaagd zijn elkaar duidelijk te maken waarover ze het ten gronde oneens zijn en hoe een toenadering eventueel toch mogelijk zou zijn. We weten niet wat de Franstaligen aan de Vlamingen gezegd hebben, maar uit de Nota Di Rupo volgt zonder enige twijfel dat onze onderhandelaars hem niet hebben kunnen uitleggen waar de grondslagen liggen van de Vlaamse grieven en eisen.

  • Wat voorafging

Wie niet uit de geschiedenis wil leren, is gedoemd die te herhalen. Daarom is het nuttig nog eens de geschiedenis van de communautaire en taalstrijd in België in herinnering te brengen. In de eerste helft van de 20ste eeuw waren de Vlaamse eisen vooral gericht op het ongedaan maken van het onrecht waaronder de meerderheid van de Vlaamse bevolking te lijden had, door toedoen van de Franstalige Belgische staatsstructuur en door de Franstalige burgerij en adel in Vlaanderen.
Een beslissende doorbraak in dat opzicht werd gerealiseerd door de veralgemening van het Nederlands als onderwijstaal in het secundair en hoger onderwijs, vanaf 1930. Dat deze hervorming tot stand kwam, was echter geen 'billijk compromis' in de hierboven beschreven betekenis. Het was een zaak van elementaire sociale rechtvaardigheid. Nu pas konden mensen uit alle lagen van de bevolking onderwijs krijgen in hun eigen taal, en kon een sociale mobiliteit tot stand komen. Dergelijke 'doorbraken' op Vlaams gebied kwamen er nooit vanzelf: gedurende lange tijd stuitten ze op weerstand vanwege het hele Franstalige Waals-Brusselse establishment. Dat gegeven lag, en ligt ten dele nog aan de grondslag van een zekere anti-Belgische rancune, die, spijtig genoeg, tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ontsporingen heeft geleid. Daarnaast mag er hier aan herinnerd worden dat Waalse politieke leiders - hoe schoorvoetend ook -  eerder dan Franstalig-Brusselse bereid waren het Nederlands in Vlaanderen een plaats te gunnen: vooral omdat zij toen in de afbakening van eentalige gebieden de enige manier zagen om te vermijden dat (ten gevolge van massale immigratie) het 'Vlaams' een voet aan de grond in Wallonië zou krijgen. 
Gedurende vele decennia was het een traditie dat in de meeste nationale instellingen en parastatalen de belangrijkste communicatie doorgaans in het Frans verliep. Vanaf een zeker niveau kon het systeem slechts werken doordat Vlamingen Frans spraken. Franstaligen communiceerden uiterst zelden in het Nederlands. Dat was niet alleen vernederend (in een tweede taal is men bijna altijd de zwakkere); het was ook onrecht. Die situatie is verbeterd, maar ten dele bestaat ze nog. Maatregelen die tegen deze ongelijkheid ingaan zijn geen compromissen. Zij werken immers onduldbare wantoestanden weg. Aan deze Vlaamse verzuchtingen is via taalwetgeving tegemoet gekomen.
In verband met dehierna besprokenknelpunten is er echter van verbetering geensprake, vaak integendeel. Deze vormen dan ook het belangrijkste ingrediënt van het huidige Vlaamse 'ongenoegen', om een gematigde term te gebruiken. Deze thema's vormen de kern van het communautaire probleem.
Tijdens de voorbije 100 jaar zijn bijna dertig gemeenten die oorspronkelijk in meerderheid Nederlandstalig waren, in meerderheid Franstalig geworden (samen goed voor meer dan een miljoen inwoners). Dat vloeide voort uit twee factoren. Vooreerst is het Frans, vergeleken met het Nederlands, een 'dominante' taal (zoals het Engels dominant is tegenover het Frans); maar daarnaast vormden in België de Franstaligen een (politiek en economisch) dominante groep, die zijn taal opdrong aan de sociaal-economisch zwakkeren. Men  moet niet de volledige werken van Marx bestudeerd hebben, om in te zien dat deze dominantie een karakteristiek voorbeeld was van sociaal onrecht. Een arbeider, een bediende, een ambachtsman, een knecht, werd tweemaal vernederd: een keer als ondergeschikte, en een keer als Vlaming. Als vrouw werd een meid zelfs driemaal vernederd. Het blijft een schandvlek op het Belgische socialisme dat het (in tegenstelling tot het daensisme) daarvoor geen oog heeft gehad. Vooral de Franstalige socialisten gaven op dit punt eerder de voorkeur aan het taalnationalisme dan aan het ware socialisme.

  • Wat nu gaande is

Een basisprobleem van vandaag bestaat erin dat dit type van verfransing, gebaseerd op deze dubbele dominantie, zich in Vlaams Brabant onverminderd verder zet. Zonder kordate maatregelen bestaat de kans dat over twintig jaar in nog eens een tiental gemeenten de taalmeerderheid eveneens zal omgeslagen zijn. Op het individueel menselijke vlak zullen opnieuw de zwakkeren zich aan de sterkeren moeten aanpassen. Nogal wat sociale woonwijken in de Rand lopen vol met Franstaligen die hoegenaamd niet tot hogere sociale categorieën behoren dan de 'zwakkere' Vlamingen, maar die wél vanuit de hoofdstad hun Franstalige pretentie en onwil tot aanpassing hebben meegebracht. Zelfs als nu ook een minder gegoede klasse van Franstaligen naar Vlaanderen uitwijkt, vormt zij slechts een probleem omdat zij het incivieke gedrag van de toplaag nabootst. Het gaat dus om de arrogantie van Franstalige inwijkelingen die aanpassing aan een Nederlandstalige omgeving gewoon aberrant achten. Daartegenover staat de Vlaamse bevolking van de Rand inderdaad zwak.     
Op het vlak van het territorium is dat een expansie van bewoners van één gebiedsdeel van België ten nadele van het gebied van landgenoten, met wie ze volgens de patriottische mythologie geacht worden in vrede, samenwerking en solidariteit gemeenschap te vormen.
Overal ter wereld waar mensen zich in een ander taalgebied vestigden, hebben ze de taal ervan overgenomen. Zowel in Noord- als in Zuid-Amerika is dat op massale schaal gebeurd. Maar ook Russen, Polen, Roemenen, Italianen, Algerijnen en migranten uit Zwart Afrika, hebben dit in Frankrijk probleemloos gedaan. De Italianen en Polen in Vlaanderen en de Vlamingen en Italianen in Wallonië waren reeds vanaf de tweede generatie geïntegreerd.
De Brusselse bourgeoisie echter heeft eerst de 19 gemeenten verfranst en heeft dan, na de oorlog, dank zij haar politiek en economisch overwicht, 'de Zes' ingepalmd. En het volstond niet dat men deze ingeweken Franstaligen persoonlijke 'faciliteiten' verleende: vrij snel wilden deze mensen -  tegen de Grondwet in - ook de grenzen van het gebied zelf verplaatsen. Om een uitspraak van Clausewitz te parafraseren, komt zoiets neer op de voortzetting van een expansie-oorlog met andere middelen. Geen enkele natie ter wereld zou zoiets dulden.
Het wettelijkvastleggen van de taalgrens was bedoeld om aan dit expansionistisch taalnationalisme een einde te stellen. Al te laat heeft men immers aan het woord van Lacordaire gedacht - de meest kernachtige uitdrukking van elk authentiek socialistisch mensbeeld: "Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit."
Maar ook deze wettelijke,in de Grondwet ingeschreven garantie heeft de Franstalige bourgeoisie niet tot het besef gebracht van wat burgerschap betekent. Ze vinden wel dat niet-Belgische 'allochtonen' zich moeten aanpassen aan de taal van de omgeving waar ze terecht komen; maar dat zoiets ook voor hen zou gelden, ontgaat hen helemaal. Uitgerekend om deze vastlegging van de taalgrens te bekomen, hadden de Vlamingen het bestaan van de faciliteiten in 'de Zes' aanvaard. Met deze toegeving zou in principe het taalgrensprobleem zijn opgelost. De meeste Franstaligen, en zelfs sommige highbrow Vlamingen, vinden nu dat het de Vlamingen zijn die telkens weer met nieuwe eisen voor de dag komen.

  • Brussel-Halle-Vilvoorde

Het basisprobleem inzake BHV bestaat erin, dat de wettelijke en grondwettelijke bescherming van de taalgrens in de feite onverminderd ontkracht wordt. Veel Franstaligen in 'Halle-Vilvoorde min de Zes' gedragen zich precies zoals hun voorgangers in de huidige faciliteitengemeenten.
Wat hebben de Vlamingen aan een taalwetgeving die in de praktijk geen effect sorteert? In de feiten zelf verliezen ze meer en meer terrein. Dit verlies is geen wet van Meden en Perzen: het is enkel het gevolg van incivisme, namelijk van het niet-eerbiedigen van de Grondwet en de taalwetten door de ingeweken Franstaligen. Dit incivieke gedrag staat in schrille tegenstelling tot de bereidheid die Vlamingen altijd al aan de dag hebben gelegd wanneer zij zich in Wallonië gingen of gaan vestigen.
De eis tot splitsing van BHV gaat dus geenszins om een futiel symbool. De bedoeling is aan deze feitelijke gebiedsuitbreiding van de francofonie, door een nieuwe wettelijke regeling een halt toe te roepen. Het gaat dus niet om expansiedrang: het komt erop aan de dijk te verhogen omdat het overstromingsgevaar groter geworden is.
Bij het beoordelen van de waarde van de voorstellen inzake BHV, geldt dus in principe één basisregel: geen schijntoegevingen van de kant van de Franstaligen. Een 'formele' splitsing die inhoudelijk geen garantie biedt op het behoud van de integriteit en de feitelijke eentaligheid van het grondgebied, heeft geen enkele zin. Daarom komen de wetsvoorstellen van Di Rupo neer op window dressing. Met alle compensaties voor de Franstaligen in BHV komt de splitsing van het kiesarrondissement BHV dus neer op een schijnsplitsing, een overgecompenseerde  schijntoegeving van de Franstaligen.
Het is onnoemelijk jammer dat Waalse (en sommige Vlaamse) socialisten iets wat ze bij Italiaanse of Vlaamse arbeiders normaal vonden, niet van andere burgers in Kraainem of Linkebeek ('de Zes') of zelfs Lennik of Vilvoorde (HV min 'de Zes') willen eisen. Nochtans zal geen enkele Waalse werknemer één euro minder verdienen, als de Brusselse francofonie zich aan het wettelijke taalgebied zouden aanpassen.Moet België nu echt gesplitst worden door de schuld van dit expansionistisch taalnationalisme, gehuld in de schaapsvacht van de mensenrechten?

  • Stad en Hoofdstedelijk Gewest Brussel

Volgens de Grondwet zijn er drie eentaligegebieden (Vlaanderen, Wallonië, en de Duitstalige Gemeenschap) en één tweetalig gebied: Brussel-Hoofdstad. De tweetaligheid bestaat erin dat, in de regel, wie in openbare dienst werkt, tweetalig moeten zijn. Deze tweetaligheid wordt niet alleen vereist omdat er een percentage Vlamingen in Brussel woont, en een ander aanzienlijk percentage er komt werken, maar ook omdat Brussel de hoofdstadis van een land dat grotendeels uit twee taalgebieden bestaat.
Deze wettelijkeregeling werd nooit ten volle toegepast, maar heeft toch tenminste tot gevolg gehad dat, vergeleken bij 25 jaar geleden, de feitelijke tweetaligheid is toegenomen. Het spreekt echter vanzelf dat iedere versoepeling van die wettelijke regeling automatisch de motivatie om als tweede taal Nederlands te leren, zal aantasten. Een wijziging van het taalstatuut van Brussel in de richting van tweetaligheid van de dienst, en dus eentaligheid van de ambtenaren,vormt dus een aanval op een centrale doelstelling van allen die de tweetaligheid van de hoofdstad van België als een bron -  dé bron ? -  van pacificatie gezien hebben.
De regio Brussel-hoofdstad bestaat uit 19 gemeenten waarvan de grenzen volstrekt dysfunctioneel zijn geworden. Ze vormen evenzoveel obstakels voor een samenhangend beleid dat zich zou moeten richten op de noden van de bevolking. Zoals het nu is kan het Brussels Gewest de beschikbare middelen niet op een transparante manier beheren.             
De Luikse hoogleraar François Perin stelde het al lang geleden (niet zonder enige ironie) als een belangrijke ontdekking voor: "Bruxelles est une ville". Hij bedoelde uiteraard wat wij nu 'Brussel-hoofdstad' noemen, namelijk de 19 gemeenten.
Wie zich afvraagt hoe men zo'n grote stad bestuurlijk moet inrichten, kan nu reeds beschikken over  uitvoerige studies met betrekking tot andere grote steden in Europa. Een suggestie ten behoeve van onze Franstalige vrienden: een eenvoudige oplossing zou er in bestaan de Franse wetgeving inzake Parijs, Lyon en Marseille over te nemen. Daar bestaan wel arrondissementen, maar de taken daarvan zijn beperkt. Voor de financiële toestand van Brussel-hoofdstad zou het invoeren van één enkel gemeenschappelijk belastingsysteem trouwens niet alleen openheid, vereenvoudiging en besparing tot gevolg hebben, maar tevens een echte solidariteit tussen de rijkere en de armere wijken tot stand brengen. Het lijkt logisch en vanzelfsprekend dat vooral de socialistische en groene partijen zo'n reorganisatie zouden toejuichen; maar ook de meer rechtse partijen moeten het belang van een dergelijke organisatievorm inzien.
Op zich hebben deze vaststellingen, die essentieel te maken hebben met moderne urbanisatie en efficiëntie, niets met de communautaire problemen te maken, maar een eis tot supplementaire financiële steun vanuit Vlaanderen kan wel afhankelijk gemaakt worden van de wil en de aanzet om deze herstructureringen door te voeren. Anders bestaat de kans dat ze tot de Griekse kalenden worden uitgesteld.

  • Transfers      

Tenslotte is er de vooral economisch bepaalde Waals-Vlaamse problematiek. Onder meer ten gevolge van de teleurgang van de Waalse steenkool- en staalindustrie heeft Wallonië nu een economische achterstand op Vlaanderen. Dat leidt op diverse gebieden tot transfers van aanzienlijke bedragen van Noord naar Zuid. Theoretisch zijn deze transfers gebaseerd op een legitieme solidariteit. Het is echter niet normaal dat in de praktijk de gevolgen van een bepaalde industriële achteruitgang onbeperkt zouden blijven duren. In de Duitse deelstaat  Noordrijn-Westfalen werd de omschakeling vanuit een zoveel omvangrijker kolen-en-staalsector  rationeler, sneller en met meer succes  tot stand gebracht.
In de formateursnota van Di Rupo wordt andermaal op vrij korte tijd een groot aantal banen in het vooruitzicht gesteld. Sommige politici zijn blijkbaar van mening dat een sociaal-economisch probleem als werkgelegenheid door beleidsbeslissingen beïnvloedbaar is. Omgekeerd volgt daar natuurlijk ook uit dat het uitblijven van vooruitgang op dat gebied, mede het gevolg is van het voordien gevolgde beleid. De achterstand van Wallonië en de blijvende transfers in diezelfde richting zijn dus geen fataliteit. Vlaanderen heeft inderdaad het voordeel van de havens, maar Wallonië heeft dan weer andere troeven, zoals veel goedkopere industrieterreinen, een vlottere uitbreiding van de luchtvaart zoals in Charleroi en Bierset, goedkopere mogelijkheden voor plaatsing van windturbines.
Kortom, de vraag of aanzienlijke transfers decennia lang in dezelfde richting moeten gaan, kan men niet beperken tot de problematiek van solidariteit alleen. Het in de diverse regio's gevoerde beleid speelt een essentiële rol. Derhalve mag men ervan uitgaan dat, wanneer men zou voorstellen de transfers binnen enkele decennia tot ongeveer een tiende van het huidige niveau te reduceren, niet de solidariteit in het geding is, maar eerder de vraag naar behoorlijk bestuur. (Nadien zouden de transfers ook principieel omkeerbaar moeten zijn). Ook zou een geleidelijke, procentuele vermindering vanaf een bepaalde periode een zinvol project kunnen zijn. Het inkomen van de individuen hoeft men daarbij niet eens af te bouwen: een terugstorting van een deel van de transfers kan door de regio als geheel gebeuren. Overigens zou men wegens de huidige crisis de periodes kunnen aanpassen. Tussen bevriende regio's zijn billijke compromissen hierover heel goed mogelijk.
Wel moet men het volgende beseffen.  Een project tot staatshervorming dat geen melding maakt van de intentie tot het afbouwen van systematische eenrichtings-transfers, laat een reëel knelpunt buiten beschouwing. Ook een progressief responsabiliseren van de budgetten moet ter sprake kunnen komen, meer bepaald door een eigen fiscaliteit zonder federale bevoogding.
Tenslotte wil de Gravensteengroep er op wijzen dat het vanwege de Franstaligen bijzonder onverstandig is de sociale solidariteit telkens opnieuw in het gedrang te brengen door een manifest gebrek aan politieke solidariteit (zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de onwil om de grenzen van de Vlaamse deelstaat te respecteren).

  • Identiteit en publieke opinie

Bepaalde aspecten van de communautaire problematiek in België worden bemoeilijkt door evoluties inzake natievorming en identiteit, en door de mythes daaromtrent. In de media wordt wàt graag ingehakt op allerlei 'Vlaamse mythes'; maar men is er blijkbaar als de dood voor, ook Belgische mythes kritisch te bekijken. Toch dient de vraag gesteld: Bestaat er nog een Belgische natie?
Volgens de  - zeer overtuigende -  analyse van Benedict Anderson  (Imagined Communities, 1983), wordt het natiebesef in een belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid van gemeenschappelijke communicatiemiddelen. In de eerste plaats speelt de taal daarin een rol, maar daarnaast ook kranten, tijdschriften, radio- en TV, en momenteel ook het internet. In België zijn al deze media grotendeels exclusief ofwel Vlaams, ofwel Belgisch-francofoon. Tussen deze beide culturele groepen is er vrijwel geen overlapping meer. Niet alleen verandert daardoor onvermijdelijk het 'natie-gevoel', maar vooral zijn er twee openbare opinies ontstaan die bovendien geregeld in hun duidelijk verschillend stemgedrag tot uiting komen. Dat heeft als belangrijk gevolg dat de kans op ideologisch wisselende meerderheden - bijvoorbeeld een 'alternance' van rechts en links -  op het federale vlak nagenoeg onbestaande is.
Een grotere politieke autonomie voor de deelstaten zou het welslagen of mislukken van een specifiek beleid, en dus vanzelf ook goed- of afkeuring ervan, en zodoende ook de beurtrollen in de regering, duidelijker laten spelen. Een grotere autonomie, met echte responsabilisering (via de fiscaliteit) is dus gewenst voor elke deelregering. Deze autonomie is in het belang van iedereen, zolang men met wederzijdse solidariteit, afgestemd op de werkelijke en objectiveerbare noden rekening houdt. 
Elke zinvolle bespreking van de communautaire problemen moet dus rekening houden met deze afwezigheid van een gemeenschappelijke publieke opinie.

Deel 2: BHV à la Di Rupo: woekerprijs voor schijnsplitsing.
23 nadelen voor Vlaanderen, één nadeel voor Franstalig België

Het Belgische communautaire geschil heeft nood aan een neutrale benadering, gebaseerd op evenwicht en wederkerigheid, die de noodzakelijke basis vormen voor echte onderhandelingen. Volgens de Gravensteengroep moet dit universeel principe in de Belgische context vertaald worden in een toegepaste stelregel, die luidt dat de Vlamingen geen enkele eis stellen met betrekking tot Vlamingen die zich in Wallonië gevestigd hebben; en dat omgekeerd de Franstaligen geen enkele eis stellen met betrekking tot Franstaligen die zich in Vlaanderen hebben gevestigd. Alleen deze evenwichts-stelregel garandeert dat beide partijen ooit nog tot een eerbaar compromis komen.

De formateursnota van Elio di Rupo houdt met dit evenwichtsprincipe helemaal geen rekening. In deze tekst brengen we een detailanalyse van de nota wat betreft Brussel-Halle-Vilvoorde en de taalwetgeving in Brussel zelf. Met één sterretje (*)hebben we de toegevingen van of ten nadele van de Vlamingen aangeduid; twee sterretjes (**)  betekent: voorstellen ten nadele van de Franstaligen, en drie sterretjes (***) voorstellen ten voordele van de Franstaligen. We gaan ervan uit dat een "evenwichtig" compromis weerspiegeld zal worden in een evenwicht van voor- en nadelen voor beide partijen. Hoe meer inwisseling of inruil, hoe eerbaarder  het compromis.

  • De Zes (Wemmel, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Sint-Genesius-Rode, Linkebeek, en Drogenbos)

In de nota vormen deze faciliteitengemeenten een nieuwsoortig kieskanton. De keuze voor Sint-Genesius-Rode als hoofdplaats lijkt een voorafname op de fameuze corridor (*) van Brussel naar Wallonië waarmee de Franstaligen een geografisch aaneengesloten Wallo-Brux (*) willen creëren. Rode moet dan als zo'n corridor dienst doen. Het nieuwe kieskanton dreigt dan ook op andere bestuursniveaus een eigen bestaan (*) te gaan leiden - met voorspelbare gevolgen bij een mogelijke splitsing van België (zie hieronder). 

In de faciliteitengemeenten kunnen de kiezers stemmen zowel voor de gemeente waar ze wonen als voor Brussel, waar ze niet wonen (*). Wat betreft hun contacten met de plaatselijke administratie hoeven ze slechts om de zes jaar hun keuze voor het Frans kenbaar te maken; die keuze is dan nog eens automatisch hernieuwbaar (*). Om dit administratief te kunnen beheren zal men lijsten van Franstaligen moeten opstellen, wat in feite zal neerkomen op een verkapte talentelling (*) en zelfs op de toekenning van een subnationaliteit (ontzegd aan de Vlamingen in Brussel). Daarmee wordt in elk geval de ministeriële omzendbrief van Leo Peeters afgeschaft, en tegelijk ook de voogdij van Vlaanderen uitgehold. Niets noopt deze Belgische Franstaligen er nog toe zich te integreren in het landsdeel waar ze zijn komen wonen (iets wat van migranten afkomstig  uit het buitenland wel degelijk wordt gevraagd).

De gerechtelijke behandeling van mogelijke betwistingen (nog altijd volgens de formateursnota van Di Rupo) gaat in dezelfde richting. Zo mogen de inwoners van de Zes voor Franstalige rechtbanken kiezen, maar bij betwisting beslist een tweetalige kamer van Cassatie. Zo'n beslissing wordt dus onttrokken aan het Vlaams gezag (*). Hetzelfde doet zich voor bij administratieve betwistingen, waar men verhaal kan halen bij het (tweetalige) Grondwettelijk Hof (*). Ook de uiteindelijke beslissing aangaande de benoeming van burgemeesters die de taalwet niet naleven wordt aan het Vlaamse gezag onttrokken (*), ten voordele van ditzelfde Grondwettelijk Hof.

Tegenover deze handelwijze staan theoretische en praktische bezwaren. Vooreerst impliceren  deze maatregelen een intentieproces tegenover rechtbanken die uitsluitend uit Vlamingen bestaan. Dat vormt een bedenkelijk precedent in verband met het vermoeden van onpartijdigheid van Vlaamse rechtbanken (*). Vervolgens creëert het afwentelen van essentieel politieke kwesties op rechtbanken (bijvoorbeeld in verband met de administratie en de burgemeesters) meer problemen dan het oplost. Wat bijvoorbeeld indien de tweetalige kamers niet tot een akkoord komen? Tast dit de betrouwbaarheid van de justitie niet aan? En als men het vermoeden van onpartijdigheid toch negeert, moet het Grondwettelijk Hof dan niet met 'bijzondere meerderheden beslissen?  En wat als er ook dan  geen oplossing komt? Wordt Vlaanderen dan telkens buiten spel gezet? Bestaat er een equivalent voor zulke betwistingen buiten Vlaanderen (*)?

  • Plan B

Kortom, dit kanton krijgt een ander statuut dan de andere Vlaamse kies- en bestuursomschrijvingen (*). Het is duidelijk dat hier de gedachte aan het 'plan B' een rol speelt. In tegenstelling tot de meeste Vlaamse zijn veel Franstalige politici van mening dat een opdeling van het land heel waarschijnlijk is (de permanente minorisering van de Vlaamse bevolking is namelijk niet houdbaar). Vandaar dat ze al een tijd bezig zijn met het 'plan B'. Het losweken van de Zes uit Vlaanderen moet ook in dit kader worden gezien. Bij een eventuele opdeling van België zal men normaal voor het vastleggen van de nieuwe grenzen een beroep doen op het "uti possidetis" principe: de binnengrenzen van de regio's of deelstaten worden in geval van scheiding ook de nieuwe landsgrenzen. Bij internationale arbitrage zou dan een referendum voor de Zes als geheel worden voorgesteld. De Franstaligen verwachten dat deze gemeenten dan voor Brussel zouden kiezen (*). Daarbij wordt de nieuwe regeling in de Grondwet ingeschreven ('vergrendeld'). Ze kan dus bezwaarlijk nog van latere akkoorden deel uitmaken (*).

Samenvattend: deze regeling wat betreft de faciliteitengemeenten bevat tenminste veertien voorstellen die als Vlaamse toegevingen of nadelen kunnen gelden. Er is geen enkel Vlaams voordeel bij. De Franstaligen van de Zes lijden op taalgebied dan weer geen enkel nadeel: op alle andere gebieden genieten ze trouwens van het voordeel bij Vlaanderen te mogen horen (***).

  • Halle-Vilvoorde, zonder Brussel en zonder de Zes

Is de verhouding tussen voor- en nadelen voor beide partijen dan gunstiger in Halle-Vilvoorde zonder de Zes? Valt de splitsing van BHV daar dan wel gunstiger uit voor de Vlamingen, die hier tenslotte vragende partij waren? Wel, aan deze ene verzuchting van de Vlamingen is inderdaad voldaan: de Franstaligen kunnen niet meer rechtstreeks kiezen voor Brusselse Franstalige lijsten (**) (maar uiteraard nog wel voor Franstalige lijsten die in Vlaanderen wensen op te komen, zoals de Union Francofone). Een zeer eigenaardige splitsing van het gerechtelijke BHV doet deze regeling echter teniet. De parketten worden namelijk verticaal gesplitst, de rechtbanken horizontaal. Dat wil zeggen dat heel veel magistraten niet meer tweetalig hoeven te zijn (*** en *). Voor het overige zijn de effecten dezelfde als bij de Zes: de burgers van HV kunnen kiezen voor Franstalige rechtbanken (***);  bij betwisting beslist de dubbele Kamer van Cassatie (***) en wordt de zaak dus aan de Vlaamse bevoegdheid onttrokken (*); en ook hier bestaat het risico dat bij toepassing van plan B, het Vlaamse Halle-Vilvoorde niet meer als "uti possidetis" wordt beschouwd (*). Deze voorstellen bevatten dus één punt dat nadelig is voor de Franstaligen (**), drie punten die voordelig zijn voor de Franstaligen (***) en drie punten die nadelig zijn voor de Vlamingen (*).

  • Oplopende kosten voor de splitsing van BHV: communautaire wetgeving in Brussel

1.         Di Rupo wil blijkbaar de tweetaligheid van de ambtenaren vervangen door de tweetaligheid van de diensten. Dat betekent dat de Nols-loketten van Schaarbeek, die zelfs door Franstaligen als fanatisme werden beschouwd, nu algemene regel kunnen worden. Bovendien verdwijnt eens te meer een sterke motivering om tweetalig te worden. Dit komt neer op het prijsgeven van één van de belangrijkste realisaties van de Vlaamse Beweging (*).
2.         Het verbod op tweetalige kieslijsten te Brussel wordt afgeschaft.  Dat betekent dat bijvoorbeeld Maingain zal kunnen bepalen welke 'Vlamingen' op een verkiesbare plaats op zijn lijst komen en dus de wettelijk noodzakelijke Vlaamse verkozenen kunnen leveren (*).
3.         Het beheer over de op- en afritten van de Ring (op Vlaams grondgebied) wordt gedeeld door de drie regio's, wat een inbreuk vormt op het territorialiteitsbeginsel en dus op de integriteit van het Vlaams Gewest (*).
4.         De oprichting van een  'grootstedelijke gemeenschap', waartoe ook gemeenten kunnen toetreden, is een verdere aantasting van dit territorialiteitsbeginsel (*).
5.         Zonder enige garantie op controle en zonder enige voorwaarde betreffende de afbouw van de 19 gemeenten wordt aan het Brussels gewest 461 miljoen EUR per jaar toegeschoven. Uit de verwijzing naar de vergoeding voor de 'pendelaars' volgt dat Vlaanderen het grootste deel zal moeten bijdragen (*).

Dit 'compromis' bevat vijf toegevingen van de Vlamingen (*) en geen enkele gegarandeerde toegeving van de Franstaligen.

  • Conclusie inzake de voorgestelde splitsing van BHV

Van een splitsing van BHV is hier helemaal geen sprake. De Zes worden nagenoeg volledig uit BHV (en gedeeltelijk uit Vlaanderen) gelicht, met het oog op substantieel voordeel en geen enkel nadeel voor de Franstaligen. De Vlamingen verwerven hierbij geen enkel voordeel. Voor de Franstaligen uit 'HV zonder de Zes' is het enige nadeel dat ze niet meer rechtstreeks voor Brusselse lijsten kunnen kiezen. Dat heeft ook een belangrijk nadeel voor de Vlamingen tot gevolg: de kans dat ze in Brussel geen zetel meer halen. Maar dat was de toegeving die de Vlamingen oorspronkelijk voor het compromis over hadden. Alle andere toegevingen zijn er later aan toegevoegd, en vormen nu het voorwerp van onderhandelingen.

Wat betreft de rechtsbedeling behouden de Franstaligen van HV hun volledige rechten. Het belangrijkste aspect waarvoor de splitsing van het gerechtelijk arrondissement voor Vlaanderen zin had, was precies het verdwijnen van die voorkeursbehandeling, die de Vlamingen in Wallonië trouwens evenmin genieten.

Het doel van de splitsing van BHV bestond erin, wettelijk vast te leggen dat het Vlaamse territorium ook volwaardig Vlaams is, en dat de Franstaligen zich in alle opzichten moeten inburgeren, precies zoals de Vlamingen in Wallonië en ook mensen van allochtone afkomst dat in heel België; moeten doen. Zolang Franstaligen deze supplementaire zogenaamd "Belgische" rechten hebben, leidt dit onvermijdelijk tot de verdere expansie van de francofonie en dan is de zogenaamde 'splitsing' van BHV niet alleen een zinloze, maar ook voor Vlaanderen nefaste onderneming. Het is onbegrijpelijk dat er Vlaamse partijen zijn die niet beseffen dat het eindresultaat hiervan op termijn niet de splitsing van BHV, maar de verfransing van Halle-Vilvoorde is.

In al deze voorstellen kunnen we met de beste wil van de wereld slechts één nadeel voor de Franstaligen ontdekken, namelijk het verlies van het rechtstreeks stemrecht voor Brussels-Francofone lijsten (**), niet in Halle-Vilvoorde, maar alleen in 'HV min de Zes'. Daarnaast zijn er minstens 23 tot 26 voorstellen nadelig voor de Vlamingen (*). Sommige daarvan, zoals de voorstellen inzake Brussel, vormen een afbouw van essentiële wettelijke verworvenheden die, onder meer via een uitbreiding van de tweetaligheid, een bijdrage konden leveren voor het voorbestaan van dit land als federatie of als confederatie. Twee andere voor de Vlamingen nadelige voorstellen, de federale kieskring* en de goedkeuring van het minderhedenverdrag*, bespreken we hieronder. Het gaat dus inderdaad niet om een "naakte" splitsing. Het gaat om een ongehoorde wanverhouding. Van het boven vermelde evenwichtsprincipe is overduidelijk geen sprake meer. Evenmin is er hier sprake van gelijkwaardige partijen. Deze wanverhouding hebben we te danken aan de opeenvolgende compromitteringen van bestaande compromissen in de nota's van De Wever, Vande Lanotte, Beke en Di Rupo.

Het onveranderd laten van de huidige situatie inzake BHV is dan ook mateloos veel gunstiger voor Vlaanderen dan het voorstel Di Rupo. BHV kan met een eenvoudige parlementaire meerderheid gesplitst worden. De Vlaamse onderhandelaars zouden deze gesprekken dus beter afbreken en rustig afwachten tot de Franstaligen iets voor Brussel of Wallonië nodig hebben.

Extra oplopende kosten: Federale Kieskring* en Minderhedenverdrag* (voorgesteld in de formateursnota van Di Rupo)

  • Federale Kieskring

In een ideale federale staat kan een dergelijke kieskring voordelen bieden - ofschoon er op de hele wereld nauwelijks voorbeelden van te vinden zijn. In de Belgische situatie echter lijkt zo'n constructie om diverse redenen onhaalbaar. Waarom niet?

  • Deze kieskring gaat in tegen het territorialiteitsbeginsel omdat men voor een aantal parlementairen (waarom tien en bijvoorbeeld niet de helft of twee derden?) doet alsof de territoria niet bestaan;
  • Men doet alsof het land niet gescheiden is in twee (drie) totaal uiteenlopende openbare opinies: dat is het licht van de zon loochenen;
  • Daaruit volgt dat slechts een miniem aantal politici van de ene gemeenschap bekend zijn bij de andere. In Francofonië kent men als Vlamingen van de oude generatie Decroo en Dehaene, Verhofstadt en Van Rompuy; van de nieuwere Leterme, De Wever, en Vande Lanotte. Omgekeerd kent men in Vlaanderen Di Rupo, Milquet, Reynders, Michel en Maingain. Dat betekent dat de verkiezingen nog meer gepersonaliseerd worden en dat de nadruk op partijprogramma's nog verder afzwakt;
  • Als formule om de institutionele problemen 'constructiever' (lees: met een grotere compromisbereidheid) aan te pakken, belooft deze techniek weinig goeds. Zullen de Vlamingen die stemmen willen halen in Wallonië in plaats van 23 toegevingen tegen één, er nog enkele aan toevoegen? Wij zien niet in welke; tenzij men terug wil gaan tot la Belgique à papa;
  • Uit voorgaande volgt ook dat de redacties van de tv-omroepen een beslissende rol kunnen spelen in de uitslag van die verkiezingen omdat in essentie alleen de personen die ze op de tv uitnodigen een bekendheid kunnen verwerven in de andere gemeenschap;
  • Er zijn vermoedelijk maar twee personen die voordeel kunnen halen uit dit systeem: ten eerste Maingain, die dan opnieuw zijn francofone aanhang in Vlaanderen kan mobiliseren; en ten tweede Bart De Wever, als die handig kan inspelen op zijn meer 'rechtse' thema's (zoals verdediging van de middenklasse en een strenge aanpak van de asielproblematiek). Kortom, alles laat vermoeden dat deze formule niet of nauwelijks zal bijdragen tot de pacificatie waarvoor ze volgens haar verdedigers bedoeld is.
  • Het aantal stemmen dat de topfiguren in de andere landsdelen zullen krijgen, zal te verwaarlozen zijn tegenover die in het eigen gebied. Zal men het riskeren een groot deel van de eigen achterban te verliezen om een klein deeltje aan de overkant te winnen?
  • Door het aantal zetels dat aan Nederlandstalige, resp. Franstalige kandidaten zal worden toegekend (voorstel is: 6 NL, 4 F) bij voorbaat vast te leggen, doet het voorstel eigenlijk zijn eigen bedoeling teniet: standpunten pro of contra meer 'Belgische eenheid' kunnen slechts een uiterst beperkt electoraal effect hebben. En voor betekenisvolle verschuivingen (via een niet-vooraf bepaalde zetelverdeling) schrikt men blijkbaar terug. In combinatie met voorgaande bedenking is het dan ook zeer de vraag of deze formule een nieuwe 'Belgische' politieke klasse zal doen ontstaan.

Kortom, het gaat, ook volgens het oordeel van prominente politici met ervaring, om een vrij irrelevant experiment. Er bestaat daarvoor ook geen enkel model in het buitenland, omdat de twee totaal verschillende openbare opinies nergens een equivalent hebben.

  • Minderhedenverdrag

De goedkeuring van het zogenaamde Minderhedenverdrag, zonder een amendering die een onderscheid maakt tussen authentieke historische minderheden, en minderheden door inwijking, kan aan Franstaligen over heel Vlaanderen rechten verlenen die het eentalig karakter van Vlaanderen aantasten en dus een wezenlijk aspect van de Vlaamse emancipatie ongedaan maken. Dit is meer dan een regelrechte provocatie. Het is niet meer of minder dan een maneuver om de Franstaligen toe te laten een schijnbaar grote, maar in werkelijkheid schijn-toegeving te doen.  Het maneuver is echter zó doorzichtig dat het haast bespottelijk wordt; de  Vlaamse  onderhandelaars hebben dan ook alle reden om zich beledigd te voelen omdat men hen zo grenzeloos naïef of onwetend acht.
Men zou zich inderdaad vrolijk kunnen maken over het feit dat in de Nederlandse versie van de Nota-di Rupo het ratificeren van dit verdrag 'nuttig' wordt genoemd, maar in de Franse versie 'noodzakelijk'. Of over het feit dat Frankrijk - lichtend voorbeeld toch voor vele Franstalige Belgen - dat verdrag nog niet eens heeft goedgekeurd, laat staan geratificeerd.
In alle ernst gaat het hier evenwel om een kwestie waarin het overleven van België op het spel staat. Niet zonder reden verklaarde België, toen het dit verdrag in juli 2001 ondertekende, dat de toepassing geen afbreuk mocht doen aan  de grondwettelijke bepalingen die momenteel het taalgebruik in het koninkrijk regelen. Een ongenuanceerde toepassing zou immers de grondslagen zelf van het Belgische communautaire samenlevingsmodel opblazen, en allerlei moeizaam verworven evenwichten - en daarmee wellicht het land zelf - van de kaart vegen. Dat is een van de redenen waarom België dit verdrag tot dusver wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd heeft. De andere reden is dat die ratificatie ook moet gebeuren door de gewesten en gemeenschappen, terwijl de Vlaamse regering al meer dan eens heeft verklaard dat van een ratificatie zo geen sprake kan zijn.
De hele Belgische politieke klasse wéét dat ratificatie dus hoegenaamd niet aan de orde is; ze te berde brengen is niet meer dan een doorzichtig maneuver. Dat allicht gemakkelijk doorprikt kan worden, wanneer de Vlaamse onderhandelaars aan hun tegenspelers zouden voorstellen elke discussie over het  minderhedenverdrag uit te stellen tot het door Frankrijk is goedgekeurd...  

De Gravensteengroep (in omgekeerde alfabetische volgorde): Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Nelly Maes, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerders voor deze tekst zijn Etienne Vermeersch en Jean-Pierre Rondas (0477-65 65 12).

 

9de manifest – Pleidooi voor de Vlaamse Gemeenschap.
Het Brusselstandpunt van de Gravensteengroep, getoetst aan het regeerakkoord

 

Toetsing aan het regeerakkoord van december 2012 staat in vetjes.

Het evenwicht doorbroken
Brussel werd lange tijd geacht in het federale België als bindmiddel te functioneren tussen de Nederlandstalige meerderheid en de Franstalige minderheid. In Brussel kon de plaatselijke Vlaamse minderheid namelijk een beroep doen op dezelfde beschermingsmechanismen als die waarop de Franstaligen op federaal Belgisch niveau recht hadden. Als er ooit van een compromis des Belges sprake is geweest, dan is dat wel naar aanleiding van deze 'afruil'. De Gravensteengroep wijst erop dat men, als deze ruilverbintenis niet wordt nagekomen, men ook het compromis verbreekt dat de basis vormt van de huidige federale staatsstructuur. Als men de Brusselse grendels die de Vlamingen beschermen wil laten uitdoven, dan is er ook geen reden meer om de federale minderheidsbescherming van de Franstaligen te behouden.
Omdat de rechten van de Vlamingen te Brussel voornamelijk worden gegarandeerd door het evenwicht in het stelsel van de gemeenschappen en de gewesten in deze staat, betekent het raken aan de Vlaamse Gemeenschap in Brussel tegelijk ook het ondermijnen van het communautaire Belgische evenwicht.
De waarborgen voor de Vlamingen in Brussel mogen alleen worden afgewogen tegen de bescherming van de Franstalige minderheid in de Belgische staat, en niet tegen de voorrechten van de Franstaligen in de Vlaamse Rand rond Brussel. Nochtans is het precies dit wat het regeerakkoord doet: bescherming voor Vlamingen in Brussel ruilen voor bescherming van Franstaligen in Vlaams Brabant. De Franstaligen zijn er dus in geslaagd het evenwichtsdiscours te veranderen,
Het regeerakkoord van december 2011 wekt de stellige indruk dat de Franstaligen het oorspronkelijke evenwicht definitief willen verbreken. Zij weten zich immers meer dan voldoende beschermd op het federale niveau, en feitelijk oppermachtig op het Brusselse.

Brussels separatisme
Zowel op het federale als op het Brusselse niveau zijn per staatshervorming de beschermingsmechanismen in de praktijk ten nadele van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest geëvolueerd.
Op het niveau van het federale parlement, waar de Vlamingen over een democratische Belgische meerderheid beschikken, hebben de bijzondere meerderheden, de alarmbel en de bevoegdheids- en belangenconflicten zich ontwikkeld van een verzoenend vertragingsmechanisme (bedoeld om de Franstalige minderheid te beschermen) tot een Franstalig vetorecht dat de Vlaamse meerderheid blokkeert.
Op het niveau van de federale regering betekent de pariteit in de ministerraad een dagelijks uitgeoefend vetorecht van elke partij bij elke beleidsbeslissing. Ook de andere pariteiten minoriseren de Vlaamse meerderheid: bij het Cassatiehof, het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, en het Overlegcomité tussen de gewesten en de gemeenschappen.
Bij elke nieuwe verkiezing hebben telkens méér Vlaamse kiezers hun ongenoegen over deze gang van zaken duidelijk gemaakt. Helaas tot nog toe zonder tastbaar resultaat, integendeel: in het regeerakkoord worden deze 'Belgische' toestanden bevestigd en zelfs verdiept.
Hoe anders verlopen de zaken in de Brusselse instellingen, waar de Franstaligen over een absolute meerderheid beschikken. Daar wordt hun meerderheid zonder pardon uitgespeeld. De Vlamingen doen daar helemaal niet wat de Franstaligen op federaal niveau wel doen. Kijken we naar de regering en het parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het blokkeringsmechanisme waar ze in principe over beschikken is door de Vlamingen nooit toegepast. In de negentien afzonderlijke gemeenten bestaat er zelfs geen schijn van enige Vlaamse blokkeringsmogelijkheid. Bovendien proberen de Franstaligen onverdroten om de politieke vertegenwoordiging van de Vlaamse Gemeenschap buitenspel te zetten en zelfs uit Brussel te verdrijven. Op die manier wordt het Belgische contract verbroken en kunnen we van een Brussels separatisme spreken. In de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand rond Brussel wordt de Vlaamse voogdij de facto afgebouwd.
Het huidige regeerakkoord wil deze tendens tot Brussels separatisme vergrendelen. Het kan dan ook als een Franstalige machtsgreep worden gelezen. Het beschouwt de hoofdstadfunctie slechts als rechtvaardiging van een royale en onvoorwaardelijke extra-financiering bovenop de bestaande. Diezelfde hoofdstedelijke rol wordt dan weer volkomen genegeerd wanneer de rechten van de meerderheid in dit land ter sprake komen.

Wat met de Belgische taalwetgeving te Brussel?
Ofschoon het tweetalige karakter van de hoofdstad grondwettelijk vaststaat, zijn de Vlamingen er in de praktijk niet in geslaagd om de taalwetgeving onverkort te doen toepassen. Op een gegeven moment hebben Vlaamse politici zelfs geaccepteerd dat de correcte naleving van de taalwetten niet eens via sancties mocht worden afgedwongen. Net daarom blijft het tweetalige statuut van Brussel vaak zonder gevolg op het lokale vlak, in de publieke dienstverlening, en in de openbare ziekenhuizen. De onwil om in Brussel de beide grote landstalen op voet van gelijkheid te behandelen heeft daarenboven dramatische gevolgen voor het Brussels Franstalige onderwijs, dat er maar niet in slaagt om voldoende geschoolde tweetaligen af te leveren. Een groeiend aantal werkloze arme inwoners is het gevolg daarvan.
Vanwege de Franstalige Brusselaars getuigt het niet van Belgische burgerzin dat ze de vigerende taalwetgeving niet alleen dwarsbomen waar ze kunnen, maar deze zelfs willen terugschroeven. Blinde injectie van méér Vlaams geld, of een naïef geloof in 'taalhoffelijkheidsakkoorden' hebben tot nu toe niets bijgedragen.
Het regeerakkoord geeft deze de facto separatisten volledig hun zin. Het wordt Vlaamse partijen onmogelijk gemaakt om in Brussel nog een Vlaamse kamerzetel te halen. De keuze tussen tweetaligheid van de dienst of tweetaligheid van de ambtenaar wordt in handen gelegd van een exclusief Brusselse werkgroep met uitsluiting van vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap. De herinvoering van tweetalige kieslijsten (waarbij in feite de Franstaligen beslissen wie verkozen wordt) staat op het bord.

De interne Brusselse structuurhervormingen
Vijfendertig jaar na de fusie van de Vlaamse en Waalse gemeenten tot grotere eenheden moet dringend hetzelfde gebeuren in Brussel. Er moet een einde komen aan de negentien gemeentelijke baronieën in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel kan deze toestand organisatorisch, financieel en menselijk gesproken niet meer aan. Door de versnippering van bevoegdheden en middelen krijgt de Brusselse bevolking niet waar ze recht op heeft: behoorlijke huisvesting, een efficiënt veiligheidsbeleid en een doeltreffend mobiliteitsbeleid. Het regeerakkoord verandert nauwelijks iets aan deze toestand. Schuiven met bevoegdheden voor straatvegers en parkeerreglementen is een lachertje. Het oordeel over het welslagen van een beter beleid (voorwaarde tot het incasseren van subsidies uit Vlaanderen) wordt aan de Brusselse politici zelf overgelaten.
De Franstaligen bestendigen nog liever het gebrek aan fiscale solidariteit tussen de Brusselse gemeenten onderling (voornamelijk tussen het rijke zuidoosten en het arme noordwesten van het Gewest) dan dat ze, door de fusie van de negentien gemeenten, de Vlaamse Gemeenschap op gewestniveau medezeggenschap zouden gunnen. Anders dan in het Brusselse Gewest hebben de Vlamingen in de negentien gemeenten immers geen gewaarborgde vertegenwoordiging. Dat willen de Franstalige politici graag zo houden, zelfs ten koste van het welzijn van de 'Brusselaar' die ze beweren te dienen.

De Vlaamse Gemeenschap
Hoe paradoxaal dit ook klinkt: in Brussel is de Vlaamse Gemeenschap de Vlaamse Gemeenschap niet. Dat Vlaams-Brusselse politici de beleidsbeslissingen van de Vlaamse onderwijsminister (die het Brusselse Nederlandstalige onderwijs financiert) schamper afdoen als de bemoeienissen van een 'schoonmoeder', schetst wat we bedoelen. Hoewel alle Vlamingen geld afdragen voor de financiering van de Brusselse instellingen, wordt een structurele inbreng in het beleid van deze instellingen welhaast beschouwd als ongeoorloofde inmenging in 'Brussels-binnenlandse' aangelegenheden. Hier kan slechts worden betreurd dat sommige woordvoerders van de Brusselse Vlamingen het kennelijk niet laten kunnen om de band met de Vlaamse Gemeenschap in een kwaad daglicht te stellen.
De Vlaamse en Franstalige regeringspartijen hebben in feite de keuze al gemaakt tegen een volwaardige Vlaamse gemeenschapsbevoegdheid te Brussel. Het regeerakkoord vertrouwt gemeenschapsbevoegdheden zoals kinderbijslagen en zorg toe aan de Brusselse Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, soms zelfs uitdrukkelijk 'met uitsluiting van de beide gemeenschappen'. Uiteindelijk betekent dit dat deze bevoegdheden worden overgedragen aan een ongrondwettelijk Brussels gemeenschapsgewest. Op die manier is de Vlaamse Gemeenschap in Brussel ten dode opgeschreven.

Gemeenschapskeuze
Daartegenover blijft de Gravensteengroep pleiten voor een gemeenschapskeuze in Brussel. De overdracht van nieuwe sociale rechten, zoals kinderbijslag of jeugdsanctierecht, aan de gemeenschappen, zou volgens belgicisten en Franstaligen in Brussel op praktische en institutionele bezwaren stuiten. Burgers van het Brusselse gewest zouden dan namelijk ofwel aan shopping tussen socialezekerheidssystemen gaan doen, ofwel gedwongen worden tot een vorm van subnationaliteit. De Gravensteengroep is van mening dat dit probleem onbestaande is, en dat persoonsgebonden bevoegdheden bijgevolg inderdaad beter kunnen worden overgedragen aan Vlaamse instellingen die voor alle Brusselaars onder dezelfde voorwaarden (volgens de EU-richtlijnen) toegankelijk zijn. De shopping die daarvan het gevolg zou kunnen zijn is in feite niets anders dan een verschijnsel dat op andere domeinen ook al bestaat. Het gaat gewoon om de vrije keuze die elke inwoner nu al heeft tussen schoolnetten, ziekenfondsen, kinderbijslagfondsen, ziekenhuizen, vakbonden, verzekeringen, en zelfs kieslijsten. Deze oer-Belgische keuzevrijheid leidt tot een pragmatische vorm van gemeenschapskeuze. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de inwoners van Brussel die van oorsprong noch Vlaming noch Franstalig zijn, daartegen veel bezwaar zou maken. Maar het wordt hen niet gevraagd.
Het is logisch dat de Vlaamse Gemeenschap bepaalt wat er gebeurt op de terreinen waarvoor zij betaalt. Zij wil wel degelijk haar volle verantwoordelijkheid opnemen in en ten voordele van Brussel. Maar in ruil voor haar financiële inbreng wil ze ook structureel vat krijgen op het beleid, niet enkel inzake cultuur en onderwijs, maar ook inzake zorgverstrekking en alle andere persoonsgebonden materies. De Vlaamse gemeenschapsinstellingen in Brussel moeten vanuit Vlaanderen niet alleen worden gefinancierd, maar ook gecontroleerd, op dezelfde wijze als de instellingen in Vlaanderen die de Vlaamse Gemeenschap financiert. De schotten tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie zijn contraproductief.

Conclusie
De Gravensteengroep wil dat Vlaanderen betrokken blijft bij de hoofdstad. Wie deze betrokkenheid als kolonialisme interpreteert, heeft blijkbaar geen besef van de specifieke opdracht en verantwoordelijkheid van Brussel in zijn verschillende functies als Vlaamse en als federale hoofdstad, of als zetel van de NAVO, de Europese Commissie en het Europees Parlement. Vlaanderen heeft nu eenmaal een belang in deze functies. Brussel eist financiële rechten op, maar vergeet graag dat daar dan onvermijdelijk dubbele gemeenschapsplichten tegenover staan.
Zelfs als Brussel later in een Confederatio Belgica een ander statuut krijgt, dan nog zal de Vlaamse Gemeenschap er part en deel in hebben. De hoofdstad en haar bewoners zullen ten volle van het principe van de subsidiariteit genieten: het gewest bestuurt zichzelf op de niveaus waar dat mogelijk en wenselijk is. Gezien de Belgische constructie, de Belgische geografie en het Belgische verleden horen de persoonsgebonden materies (naast taal, onderwijs en cultuur ook gezondheidszorg en sociale zekerheid) toe te vallen aan de Franse of aan de Vlaamse Gemeenschap.
Zowel voor Vlaanderen in het algemeen als voor Vlaanderen-in-Brussel in het bijzonder, en voor Brussel zelf kan er beter geen staatshervorming komen, dan die welke in het regeerakkoord wordt voorbereid. Wie er de Vlamingen voor waarschuwde dat ze zonder België 'Brussel kwijt zijn', zorgt er nu zelf voor dat de Vlamingen 'Brussel kwijt' zijn. Ook zonder splitsing van het land. Perfect legaal, in de context van het regeerakkoord.

De Gravensteengroep (in omgekeerde alfabetische volgorde): Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Nelly Maes, Chris Michel, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Dirk Denoyelle, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerder voor deze tekst is Jean-Pierre Rondas (0477 65 65 12)

Klik hier voor de PDF-versie van het 9de manifest.

 
10e Gravensteenmanifest. Het gevraagde en het niet gevraagde.
Over de democratische waarde van het regeerakkoord
 

Het omgekeerde van wat democratisch in Vlaanderen werd gevraagd

Zelfs in de meest minimalistische interpretatie van de verkiezingsuitslag van juni 2010 hebben de Vlamingen, op basis van de verschillende partijprogramma's, gekozen voor een staatkundige omwenteling. Het was de keuze van een 'grondstroom' die in de meeste Vlaamse partijen aanwezig is. Zoals het toen ging, kon het niet verder. In een politiek manoeuvre dat van het oude België eigenlijk niet meer werd verwacht, is er een terugslag gekomen die het omgekeerde heeft opgeleverd van wat door de democratie werd gevraagd.

1 De Vlaamse publieke opinie had een bevestiging en een versterking van de taalwetgeving en de taalgrens (en dus van het territorialiteitsprincipe) gevraagd. In plaats daarvan hebben we nieuwe bevestigingen van het personenrecht gekregen, zoals in de regeling van de faciliteitengemeenten en vooral van de juridische faciliteiten voor Franstalige inwoners van het Vlaamse Halle-Vilvoorde. In de nota's van Di Rupo staat het woord 'taalgrens' tussen aanhalingstekens.

2 De Vlaamse grondstroom had zelf zijn asiel- en immigratiezaken willen regelen, zodat nieuwkomers beter zouden integreren in de samenleving. Al decennia wijzen Vlamingen, boven alle partijen heen, de door de Franstalige partijen gewilde, mensonterende Belgische asielpolitiek af. Ze willen een strenger, eenduidiger en humaner asielbeleid. Zelfs tegenover een algemeen Europese verstrenging van de immigratie- en asielwetten blijft de Belgische uitzondering in Europa bestaan.

3 De Vlaamse grondstroom had een evenwichtigere invulling van de hoofdstadfunctie van Brussel gevraagd. In plaats daarvan wordt de Vlaamse Gemeenschap stukje bij beetje uit Brussel verdrongen. Het negende Gravensteenmanifest toonde aan waarom dit een nefaste zaak is.

4 De Vlaamse regeringspartijen hadden de realisatie van de nog niet ingevulde Vlaamse resoluties gevraagd. Welnu, slechts een fractie van het Vlaamse regeerakkoord (waarvan de resoluties deel uitmaken) wordt hier gerealiseerd. Zelfs de arbeidswetgeving (het minimum voor de Vlaamse regeringspartijen) blijft grotendeels Belgisch terwijl alleen deelstaatoplossingen tegemoetkomen aan de complexe realiteit. Vaarwel copernicaanse revolutie.

5 Er zou eindelijk werk worden gemaakt van een ook voor de Franstaligen billijke afbouw van de transfers. Jarenlange ontkenning en twintig jaar studie over de ware omvang ervan hebben nu geleid tot een resem van twaalf balises (bakens van de Franstalige partijen) die de afbouw, de transparantie en de eindigheid van deze transfers nog een kwarteeuw onmogelijk maken. Dat over tien jaar Wallonië 'op zichzelf' zou staan zoals sommige Waalse politici beweren is een mythe.

6 De Gravensteengroep heeft aangetoond dat de grendelgrondwet voor impasses zorgt en het democratische deficit versterkt. We kunnen alleen maar constateren dat de Vlaamse regeringspartijen hun eigen electoraat met nog eens extra grendels hebben opgezadeld. In plaats van afbouw ervan krijgt Vlaanderen via het misbruik van artikel 195 van de Grondwet er nog enkele grendels bovenop. Dit misbruik dient om nieuwe betonneringen mogelijk te maken, waarmee een vorig parlement (dat de lijst van de te herziene grondwetsartikels vastlegt) in de normale procedure zeker niet had ingestemd. Een antidemocratisch manœuvre temeer.

Alsof het niet genoeg is dat wat met zeer ruime consensus werd gevraagd, niet gebeurde, is er vanalles wel gekomen wat slechts enkelen hebben gevraagd

1 We hebben nu een federale regering die geen Vlaamse meerderheid haalt in het federale parlement. Wat de Vlaamse kiezer niet had verwacht maar wel kreeg, is de overbodigheid van zijn stem. Vlaamse kiezers kunnen een federale regering die op een Vlaamse minderheid steunt niet eens wegstemmen.

2 De Vlaamse kiezer heeft zeker niet om samenvallende verkiezingen gevraagd. Voor de Gravensteengroep schroeft deze maatregel het bestaande, onvolmaakte federalisme nog eens terug. Het spel van de federatie moet correct worden gespeeld en niet alleen in de grondwet beleden. Onder de gefederaliseerde landen is België nu al een anomalie, een federatie die er geen wil zijn. Dat bewijst elke vergelijkende studie.

3 De Vlaamse kiezer heeft niet voor een aparte justitie voor Franstaligen gekozen, zoals nu in Vlaams-Brabant op het getouw staat (zie ook het achtste manifest van de Gravensteengroep). Dat komt neer op de creatie van juridische faciliteiten. Dat wil zeggen dat de Vlaamse partijen uit de vorige faciliteitenzwendel (die nu zijn beslag krijgt) niets hebben willen leren.

4 Als Franstaligen bij een bevoegde rechtbank bot vangen, hebben ze in deze staat slechts andere rechters te kiezen, en kunnen ze de eerste, onwillige rechtbank haar bevoegdheid ontnemen. Daar komt de oplossing op neer die de regering voor taalgeschillen in de Rand heeft uitgedokterd. Ook daarom heeft de Vlaamse kiezer niet gevraagd.

Zijn er soms Vlaamse politieke partijen geweest die dit alles tijdens hun verkiezingscampagne in het vooruitzicht hebben gesteld? Zou men de punten die hier staan opgesomd ooit in een (zelfs belgicistisch) partijprogramma hebben durven schrijven? Dat is maar de vraag. En toch is het precies dit waarvoor men niet alleen de instemming, maar ook nog eens het applaus van de kiezer vraagt.

Hoe kunnen we dan de stem van de Vlaamse kiezer, die bijzaak is geworden in een Franstalig verhaal, opnieuw het gewicht geven dat hem toekomt? Hier dringt zich het antwoord op dat de logica van de Belgische structuur dan moet veranderen. Grondwettelijke vergrendelingen die er slechts op gericht zijn om, als het over de institutionele evolutie van deze staat gaat, de Vlaamse meerderheid blijvend te minoriseren, hebben geen plaats meer in een parlementair en federaal bestel. Ze leveren immers vooral ondemocratisch beleid op.

Meer bepaald wensen wij elke federale pariteit, deel van de Grendelgrondwet, op te geven, niet alleen in de regering maar ook op andere niveaus. Zoals we in het negende Gravensteenmanifest aangaven, trekken we daarmee slechts de consequenties uit het feit dat de onderhandelaars het impliciete Belgische evenwicht hebben opgeblazen.

Daarenboven moeten we nu wel de pacificatiemethodes waarvoor de staat België in het verleden wereldberoemd was als mislukt beschouwen. De pacificatie- en pariteiten-modus waarin tot nog toe alle staatshervormingen zijn onderhandeld, werkt niet meer. Het regeerakkoord heeft het federale niveau omgevormd tot de uitvoerende macht van de betonneringsstrategie van de Franstalige partijen. Daarom willen wij naar een nieuwe onderhandelingsmodus.

Het zijn niet alleen de Franstalige partijen die de Belgische democratie hebben uitgehold. Het zijn voornamelijk de huidige Vlaamse regeringspartijen zelf die die dat hebben gedaan in hun zucht om het Belgische status-quo te verankeren. Het zijn dan ook deze Vlaamse partijen die zullen moeten meehelpen aan het herstel van de democratie. Het wettelijke instrument daartoe bestaat al. Het is immers het wettelijk verkozen Vlaams Parlement dat hier uiteindelijk initiatieven zal moeten nemen.

De Gravensteengroep (in omgekeerde alfabetische volgorde): Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Nelly Maes, Chris Michel, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Dirk Denoyelle, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerder voor deze tekst is Jean-Pierre Rondas (0477 65 65 12)

Klik hier voor de PDF-versie van het tiende manifest.

 
Thuispagina | Omhoog